Medina 642 na Chr.: gratis graan en geld

De vroege Arabische munten waren kopieën van Sassanidische munten (Bode-Museum, Berlijn)

In Medina, de oase waar Mohammed zijn staat had gesticht, woedde in 639 een vreselijke hongersnood. Om te voorkomen dat dit nog eens zou gebeuren organiseerde kalief ‘Umar de aanvoer van graan uit Egypte per schip. In 640 was Egypte voor de Arabieren veroverd door ‘Amr ibn al-‘Ās; Alexandrië iets later. Een van de eerste dingen die hij liet doen was het opknappen van het Bubastiskanaal, dat liep van het huidige Zagazig in de Nijldelta naar het huidige Ismā‘īlīya en dan naar het zuiden door het Krokodillenmeer en de Bittermeren naar Qulzum, ergens bij Suez. Het ging dus om een waterverbinding van de Delta naar de Rode Zee. In een verbinding Rode Zee – Middellandse Zee was niemand geïnteresseerd. Alexandrië was immers de zeehaven, en de schepen waren klein genoeg om ook over de Nijl of door een kanaal te varen. En anders werd er een keer verladen; alles was goedkoper dan transport over land.

Het Nijlkanaal

Dit of een soortgelijk kanaal bestond al in de tijd van de farao’s. Het kanaal dat ‘Amr daar aantrof was dat van de Perzische koning Darius (r.522–486 v.Chr.), die er inscripties achterliet. Na het vertrek van de Perzische bezetters wilde niemand meer met de boot naar Perzië en werd het kanaal verwaarloosd. Ptolemaios II (r.284–246 v.Chr.) had het opgeknapt, ten dele een andere bedding gegeven, en er met een sluis voor gezorgd dat er geen zout water in de Nijl kon stromen. Het eindpunt aan de Rode Zee heette Arsinoë, naar zijn zuster die tevens zijn echtgenote was. Het kanaal werd nog eens vernieuwd door de Romeinse keizer Trajanus (r.98-117). In zijn tijd beheerste het Romeinse Rijk de zeevaart in de Rode Zee en de Perzische Golf, en dreef vlijtig handel met India. Dit kanaal eindigde bij Klysma (‘Sluis’) of Kleopatris, het latere Arabische Qulzum.

Lees verder “Medina 642 na Chr.: gratis graan en geld”