Turkse TV (12) Abdulhamid II

Abdulhamid II

Payitaht: Abdülhamid, The Capital: Abdul Hamid, in het Engels ook wel aangeduid als The Last Emperor, is een Turkse geromantiseerde en historische drama-serie over de laatste dertien jaar (1896-1909) van de regering de vierendertigste en op twee na laatste Ottomaanse sultan Abdulhamid II (1842-1918; r.1876-1909). Deze vorst wordt in de serie als excentrieke, maar intelligente bestuurder weergegeven, die vastberaden weerstand biedt aan allerlei interne en externe vijanden: de Jonge Turken, de vrijmetselaars, naaste familieleden, paleisofficials, en ook Rusland, de Armeniërs, de Joden, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.

Het geboden beeld staat in vrij sterke tegenstelling tot het beeld dat veel historici van Abdulhamid II schetsen: hij zou een autocraat zijn geweest die met zijn antidemocratische ingrepen in het staatsbestel het verval van de Ottomaanse staat (Devlet) eerder versterkte dan afremde. Interessant is ook wat Wikipedia aangeeft:

Lees verder “Turkse TV (12) Abdulhamid II”

Maurice Barrès in Beiroet

Zonsondergang in Beiroet

De conservatieve, nationalistische Franse schrijver Maurice Barrès bezocht Libanon kort voordat de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij vond Beiroet een prettige stad, waar hij zijn Franse hart kon ophalen, want de maronitische christenen waren Fransgezind en slaagden erin zelfs de hemel – waar net de Franse piloot Jules Védrines langs was komen vliegen, te associëren met Frankrijk.

In het onderstaande fragment, genomen uit Une enquête aux pays du Levant (1923), is sprake van een meneer Tobia. Dat was in Amchit de gastheer van de grote geleerde Ernest Renan, de vader van de fenicologie.

Lees verder “Maurice Barrès in Beiroet”

De Armeense genocide: De Jonge Turken

Talaat Pasha (Wikimedia Commons)

[Tweede deel van een serie van zes; het eerste is hier.]

Tegen het einde van de negentiende eeuw groeide in het Ottomaanse Rijk de kritiek op de sultan. In het noorden en westen waren gebieden verloren gegaan, het bestuursapparaat functioneerde slecht, er was corruptie en vriendjespolitiek. Op de militaire, medische en bestuurlijke academies stelden de “Jonge Turken” zich een andere vorm van bestuur voor, gebaseerd op de idealen van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. De Grondwet van 1876 moest weer van kracht worden. De Armeense intelligentsia kon hier wel enige sympathie voor opbrengen.

In 1908 grepen de Jonge Turken de macht. In juli werd de grondwet weer van kracht, het Ottomaanse Rijk herkreeg zijn parlement en de sultan bleef alleen aan als staatshoofd en kalief. Al heel snel liepen de nieuwe machthebbers echter aan tegen de vraag die zich ook na de Franse Revolutie en daarop geënte omwentelingen had aangediend: wie vormden het volk? De Nieuwe Turken benadrukten eenheid – en bedoelden daarmee niet de aloude eenheid van een rijk waarin ook soennieten van Koerdische en Arabische komaf, Armeense christenen, Palestijnse en Europese joden, Egyptische kopten en Cypriotische orthodoxen woonden, om nog maar te zwijgen over de lappendeken Libanon. Het ging de Jonge Turken vooral om de eenheid van alle Turken, ook degenen die verderop naar het oosten leefden, richting Turkestan (het huidige Oezbekistan en Turkmenistan). Ik stipte het jadidisme al eens aan.

Lees verder “De Armeense genocide: De Jonge Turken”