Vlakbij het hotel waar ik vannacht sliep, staat dit monumentje, met daarop de namen van de mensen die om het leven zijn gekomen bij hun werkzaamheden voor UNIFIL, de VN-strijdmacht die de rust aan de grens tussen Israël en Libanon moet garanderen.
Alleen 209 namen. Geen strijdbare opschriften die van alles roepen. De namen zijn genoeg om de betekenis te laten inzinken. De rest is franje.
De Libanese Burgeroorlogen (1975-1990) kenden vooral verliezers. De maronieten bijvoorbeeld, die hun dominantie over het land ten einde zagen komen. De Palestijnse vluchtelingen die, onbeschermd door de PLO en in de steek gelaten door de internationale gemeenschap, het zwaarst werden getroffen. De Libanese bevolking, die zich ondanks alles wonderbaarlijk weerbaar hield. Aan het einde was iedereen oorlogsmoe en kreeg de Syrische president, de oude Hafez al-Assad, het land van de oude president Bush min of meer cadeau, in ruil voor Syrische steun bij de bevrijding van Koeweit.
De wederopbouw is daarna snel gegaan. Toen de Britse schrijver William Dalrymple in 1996 Beiroet bezocht, verwachtte hij een ruïnestad maar was hij verbaasd over de moderne architectuur en de alomtegenwoordige modewinkels. Hij verwachtte armageddon maar vond Armani (meer). De investeerders waren landen als Saoedi-Arabië en de Golfstaten, de man die het geld loskreeg was de Libanees-Saoedische miljardair Rafiq Hariri, de organisatie die de herbouw organiseerde heette Solidere, en als ik u zeg dat Hariri 10% van de aandelen daarvan bezat én premier van Libanon was, dan zult u begrijpen dat het geen heilige was.
[Dit is het zevende deel van een serie van dertien artikelen. In het voorafgaande beschreef ik de eerste ronde van de burgeroorlog, die leidde tot de Syrische bezetting. Het eerste deel is hier.]
In het voorjaar van 1978 slaagden Palestijnse strijders erin bij Haifa in Israël aan land te gaan, een paar toeristen op het strand te doden, een bus te kapen en de passagiers dood te schieten. In totaal kwamen zevenendertig Israëli’s om. Dat bracht Israël ertoe om een veiligheidszone in het zuiden van Libanon in te stellen, die zich uitstrekte tot aan de rivier de Litani, die tien kilometer ten noorden van Tyrus uitmondt in zee.
Portret van een gesneuvelde. De bloeddruppelachtige tulp linksonder is een symbool van het martelaarschap.
[Achtste verslag van een vakantie in Libanon; deel één is hier.]
Onze laatste dag in Libanon brachten we door in Tyrus. De stad is minstens vier millennia oud en was de moederstad van menige Fenicische kolonie, waarvan Karthago het beroemdste is. De Grieken wisten dat Europa hier door Zeus was geschaakt, Herodotos bezocht de tempel van Melqart en Alexander besteedde de eerste zeven maanden van 332 aan de belegering van de stad, die voor een deel was gelegen op een eiland.
De aanleiding was Alexanders verzoek te mogen offeren in de Melqarttempel, want de Macedonische koning meende dat de godheid identiek was aan zijn voorvader Herakles. In de Semitische culturen mogen echter alleen mensen uit bepaalde families de offers opdragen, en de Tyriërs wezen het godslasterlijke verzoek af. Pas toen Alexander een vloot had, kon hij de stad blokkeren en innemen; de beroemde dam die hij liet bouwen, lijkt bij de bestorming geen rol te hebben gespeeld en kan heel goed pas later zijn voltooid.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.