Martelaarschap

Papyrus met een hymne voor de christelijke martelaren (zesde of zevende eeuw; Neues Museum, Berlijn)

Elke veldslag is te gruwelijk voor woorden, maar in zijn absurditeit tart die aan de IJzer echt alles. Toen de Duitsers in 1914 België binnenvielen, bood het Belgische leger bij dit riviertje weerstand en duizenden Vlaamse jongens lieten het leven. Het hadden er minder kunnen zijn als de officieren hun bevelen in het Nederlands hadden gegeven, maar het waren Walen die niet keken op een dooie Vlaming meer of minder. Althans, dat zegt men.

In feite waren de Waalse officieren niet incompetenter dan hun collega’s in andere legers, maar de Vlaamse nationalisten namen het niet zo nauw met de waarheid. Het oorlogsmonument, de IJzertoren bij Diksmuide, werd een bedevaartcentrum van de Vlaamse beweging. Het opschrift liegt er niet om:

Hier liggen hun lijken als zaden in ’t zand.
Hoop op de oogst, o Vlaanderland.

De auteur van dit kreupele rijm is de priester Cyriel Verschaeve (1876-1949), en we hoeven niet lang te zoeken naar zijn inspiratiebron: de kerkvader Tertullianus (ca.150-229), die in zijn Apologeticum de christenvervolgingen beschrijft en stelt dat het bloed der martelaren het zaad is van de kerk. Hij had gelijk. Geen weldenkend mens sympathiseert met een beul en maar weinigen kunnen onbewogen toekijken als een ander het bij zijn executie uitgilt van pijn. Dat was in de Oudheid niet anders en sympathie voor de martelaren was destijds een van de redenen om je te bekeren tot het christendom.

Dat is lang geleden, maar het door Tertullianus beschreven mechanisme bestaat nog steeds. Bovendien vormt het, zo wil ik aantonen, een probleem. De waarheid hult zich in grijs, maar Tertullianus’ sjabloon kent alleen zwart en wit. En het is even simpel als invloedrijk.

Alvorens een tour d’ horizon te maken eerst nog iets over de christenvervolgingen. De meeste geëxecuteerden waren onschuldig aan een ernstiger vergrijp dan het lidmaatschap van een organisatie waarvan de straatarme leden elkaar maatschappelijk ondersteunden. Maar onder hen waren ook fanaten die de Romeinse godsdienstige gevoelens bruuskeerden en het martelaarschap opzochten. Ook de bisschoppen konden weinig uitrichten tegen overachievers als de man die zichzelf in 303 aangaf bij de gouverneur van Palestina en eiste voor de leeuwen te worden gegooid. Tot opluchting van de kerkelijke autoriteiten werd hij vrijgesproken door de genadeloze heiden.

Die had het patroon begrepen. Wij kennen het uit de martelarenkronieken, waarin steeds enkele duidelijke stappen te onderscheiden zijn.

  • (b) Iemand zoekt het martelaarschap en provoceert het religieuze establishment;
  • (c) hij (vaak: zij) krijgt de gelegenheid zich te verdedigen en legt getuigenis af van zijn opvattingen (het woord martyr betekent “getuige”);
  • (d) de rechter probeert de verdachte op andere gedachten te brengen, de aspirant-martelaar wijst ’s mans wereldse wijsheid af en de rechter verliest zijn geduld;
  • (e) de christen sterft onder gruwelijke omstandigheden.

Stap (a) wordt meestal niet aangegeven: iets doet een gelovige besluiten op ramkoers te gaan. En dat zijn lang niet altijd religieuze motieven. Een zekere Callixtus was in moeilijkheden gekomen toen was ontdekt dat hij geld had verduisterd. Hopend op een lynchpartij stormde hij een synagoge binnen, roepend dat Christus de messias was en de joden godsmoordenaars waren. (Het mocht niet baten, overigens. Callixtus kwam voor de rechter, verrichtte enkele jaren dwangarbeid, keerde terug naar Rome, stichtte de catacombe die naar hem is genoemd en bracht het nog tot paus.)

Het cruciale punt is (c): het getuigenis. De martelaar zegt het leven als zinloos te beschouwen als hij zijn idealen moet opgeven en typeert die idealen als onschuldig. Dit ideaal gaat terug op Sokrates, die de gifbeker aanvaardde, maar we zien het ook bij andere heidense denkers (zoals Seneca).Het is dus niet specifiek christelijk.

De auteurs van de christelijke martelarenkronieken hebben echter wel veel invloed gehad. Ze presenteren de christen daarmee als een lelieblanke held en suggereren dat degene die zich niet door het onschuldige ideaal laat overtuigen, willens en wetens kiest voor Het Kwaad. Er is in deze beschrijvingen alleen zwart en wit, nooit grijs. De wereldse wijsheid van de Romeinse magistraten is alleen relevant als de laatste hindernis die de gelovige moet overwinnen op weg naar zijn glorieuze dood.

Het christendom kent ook rationelere visies op de relatie tussen goed en kwaad. We zullen er nog op terugkomen.

Het opmerkelijke is dat het martelarensjabloon in de vijftiende eeuw ineens sterk won aan populariteit. De boekdrukkunst was ontstaan en had het mogelijk gemaakt dat mensen die tot dan toe niets hadden kunnen publiceren, wél hun mening konden bekendmaken. Daarbij waren ook mensen zonder jarenlange universitaire training in rationeel denken, wier meningen waren gevormd door de verhalen over de martelaren. Hun publicaties zetten de toon in een nieuwe vorm van debat en hun zwart-wit-denkwijze bestaat nog steeds.

En dus ging de Reformatie gepaard met een publiciteitsoffensief zoals de wereld nog nooit had gezien. In een reeks pamfletten werden zuivere protestantse martelaren gepresenteerd als slachtoffers van even verblinde als wrede katholieke beulen. Het bekendste voorbeeld is de Spaanse Inquisitie. Die heeft weliswaar bestaan, maar de meeste gruwelverhalen zijn, sinds de archieven van de Inquisitie na de dood van Franco open zijn gegaan, door moderne historici ontmaskerd als verzinsels. Maar zelfs als ze waar zouden zijn, dan volgt uit de wreedheid der inquisiteurs nog niet dat de protestanten het religieuze gelijk aan hun zijde zouden hebben – wat we van de pamfletschrijvers wel moeten geloven.

Vanzelfsprekend sloeg de katholieke kerk met hetzelfde beproefde wapen terug. Dat ook de calvinisten wel eens andersdenkenden executeerden, werd breed uitgemeten. De martelaren van Gorkum zijn een bekend voorbeeld.

We slaan een paar eeuwen over en keren terug bij het grafschrift op de IJzertoren, dat het bloed van de gevallen soldaten presenteert als zaad van de Vlaamse beweging. We zullen in het midden laten of de stervende soldaten werkelijk dachten aan de gelijkberechtiging van het Nederlandse taalgebied en het laten bij de constatering dat het opmerkelijk is dat de Walen de rol kregen van boosdoener en niet de Duitsers.

Inmiddels hebben we de overstap gemaakt van religieuze naar politieke propaganda. President Bush sprak over de “martelaren in het World Trade Center”, verdeelde de wereld in twee kampen, merkte op dat “de duisternis het licht niet zal overmeesteren” en verklaarde dat wie niet mét hem was tegen hem was. Dat bemoeilijkte op voorhand elke dialoog met neutrale maar andersdenkende islamitische groepen. Een land als Iran, dat kort voor de aanslag nog het Amerikaanse nationale voetbalteam had ontvangen en zich opmaakte de banden met de V.S. aan te halen, werd diep en nodeloos gebruuskeerd. Het gevolg was dat de ultraorthodoxen in Iran de wind in de zeilen kregen.

Niet dat Bush de enige is die zich door het bloed der martelaren laat inspireren en kiest voor een zwart-wit-benadering. Zestien eeuwen christendom laten zich niet uitvlakken, en het zijn niet alleen mensen uit de (voorheen) christelijke wereld die bezwijken voor de verleiding van dit simpele schema. Toen tijdens een demonstratie in Gaza een Palestijnse baby door kogels omkwam, was de verontwaardiging over het botte optreden van het Israëlische leger zó groot dat een veel logischer conclusie achterwege bleef, namelijk dat een vader die een baby meeneemt naar een straatgevecht als de bliksem moet worden ontzet uit de ouderlijke macht.

Het is niet alleen in de religie en politiek dat het zwart-wit-beeld een funeste rol speelt. Ook in wetenschappelijke discussies belemmert dit irrationele model de zoektocht naar de waarheid. Een mooi voorbeeld is de Galilei-legende, die is gegroeid in de tijd van de Verlichting. Er werd destijds stevig gediscussieerd over de grondslagen van de natuurwetenschap en de propagandisten van de nieuwe methode benutten alle middelen. En passant vonden ze de populair-wetenschappelijke literatuur uit, maar ook irrationele argumenten werden niet geschuwd. Dus werd alles gedaan om Galileo Galilei (1562-1642) te presenteren als martelaar voor de vrije wetenschap en zo het Vaticaan te dwingen in de schurkenrol.

En met succes. Hoewel inmiddels algemeen bekend is dat Galilei nooit is gemarteld en ook geen getuigenis van zijn wetenschappelijke credo heeft uitgesproken (“en toch draait ze”), geldt de grote geleerde nog altijd als lelieblank, waarheidlievend slachtoffer van een intolerante en kortzichtige kerk. De waarheid is genuanceerder. Tot de steeds weer vergeten grijsnuances behoort bijvoorbeeld dat de pauselijke astronoom Clavius al een halve eeuw vóór de zaak-Galilei had opgemerkt dat de aarde best om de zon kon draaien. En ook in de tijd van het proces had de geestelijkheid niet zoveel moeite met Galilei’s waarnemingen (ze staan bijvoorbeeld afgebeeld op een fresco in de Maria Maggiore). Het heliocentrisme interesseerde de kerk nauwelijks. Het is immers irrelevant voor de heilsleer.

Het probleem was veel meer dat de Florentijnse geleerde in zijn Dialogo uitspraken had gedaan over het aristotelianisme, en dat dit de in aristoteliaanse termen verwoorde kerkelijke leer bedreigde. Het proces ging niet over wetenschap maar over theologie, Galilei was niet de martelaar voor de vrije wetenschap die latere generaties van hem maakten, en de kerk had wel een beetje gelijk toen ze van de Toscaanse hofmathematicus eisten dat hij het theologiseren zou overlaten aan theologen. (Wat niet wegneemt dat de kerk hem wel wat minder hardhandig had mogen aanpakken.) Het beproefde sjabloon waarmee de nieuwe methode werd gepropageerd leverde overigens kostelijke museumstukken op: het charmante Florentijnse museum van wetenschapsgeschiedenis exposeert een van Galileis vingerkootjes in een reliekhouder.

Het is een algemeen patroon. Als iemand eenmaal als martelaar wordt gepresenteerd, schakelen we makkelijk onze kritische vermogens uit en bezwijken we snel voor een simplistisch zwart-wit-model. De tegenstanders van het slachtoffer kunnen in feite hun verhaal niet meer doen en wát de martelaar ook heeft uitgevreten, het wordt op voorhand vergeven. Dat is een heel menselijke reactie. Alleen Mr. Spock is altijd rationeel, maar die is dan ook afkomstig van een andere planeet.

Maar alle menselijkheid ten spijt: dit model deugt niet. Het blokkeert een eerlijke kijk op de feiten, belet de dialoog en schept hysterie. Als zodanig behoort de zwart-wit-visie op de natuur van het kwaad tot het slechtste wat het christendom uit de Grieks-Romeinse wereld heeft doorgegeven aan de westerse beschaving. Goddank zijn er alternatieve visies op de relatie tussen goed en kwaad. Ze zijn even oud als de martelarenkronieken en het christendom heeft ook deze theorieën in zijn filosofische bagage.

Wie bijvoorbeeld, zoals de Grieks-Romeinse filosoof Plotinos (204-270), stelt dat het goede, schone, ware, zijnde en goddelijke één zijn, ontkomt er niet aan te concluderen dat het kwade (ofwel het niet-goede) identiek is aan het niet-zijnde. Het kwaad bestaat dus niet; dat we het ervaren is uitsluitend te wijten aan het feit dat we mensen zijn met een tekortschietend verstand. De kerkvader Ambrosius (ca.340-397) zag wel iets in deze opvatting, maar de moderne lezer zal er weinig mee kunnen.

Een mijns inziens wel actuele opvatting is de tragische, waarin het kwaad het gevolg is van de botsing van twee op zichzelf goede strevens. Het klassieke voorbeeld – hoewel hierover heel wat discussie bestaat – is de Antigone van de Atheense tragicus Sofokles (496-406). Een koning verbiedt zijn onderdanen het lijk van een gesneuvelde vijand te begraven omdat de staat veiliger zal zijn na het stellen van zo’n afschrikwekkend voorbeeld. Antigone is de zus van de dode en weet dat ze haar broer wél moet begraven. Twee op zich verdedigbare standpunten zijn in conflict en wat het meisje ook kiest, ze zal ten gronde gaan.

De moraal is dat je tegenstander óók gelijk heeft. “Het is een goddelijke plicht van je vijanden te leren”, noteerde de Romeinse dichter Ovidius (43 v.Chr. – 17 n.Chr.), en zijn jongere tijdgenoot Jezus van Nazaret zei het hem na toen hij zijn volgelingen voorhield dat ze ook hun vijanden lief moesten hebben. Dat is het intrappen van een open deur, zou je zeggen, en een kwestie van elementair respect. Maar het gemak waarmee mensen de dialoog inruilen voor zwart-wit-schema’s stemt somber, en maakt dat deze open deur niet vaak genoeg kan worden ingetrapt.

Vandaar dit stuk.

[In 2005 verschenen op Frontaal Naakt.]

2 gedachtes over “Martelaarschap

  1. Niets ten nadele van dit doorwrochte stuk denkwerk, maar…. Dokter Spock was een opvoedingstherapeut; Mr. Spock de alien…
    Ergens ligt een verkeerde link in ons collectief geheugen 😉

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s