Populariseren en annoteren

Kort na the Thousand Days That Built the Future (om eens een verouderde naam te gebruiken voor de doorbraak van het internet), begon ik, eerst op een homepage bij Planet Internet, met de website die nu Livius.org heet. Niet veel later werd ik benaderd door vier Amerikaanse universiteiten, die me vroegen of ik alsjeblieft geen annotatie wilde aanbrengen, omdat studenten mijn teksten gebruikten als werkstukken. Blij te kunnen helpen, deed ik dat.

Na enige tijd realiseerde ik me dat dit erg onverstandig was. Het grote probleem, dat de oudheidkundige wetenschappen momenteel aan het doden is, is dat mensen informatie zoeken op het internet en daar oncontroleerbare informatie vinden. Het sprookje dat Archimedes met brandspiegels schepen in brand zou hebben gestoken, is daarvan een mooi voorbeeld: wie met Google naar informatie zoekt, ontdekt dat menigeen zich afvraagt hoe ’ie ’t ’m flikte, terwijl niemand verwijst naar de bronnen. Dat kan ook niet, want die zijn er niet, maar de informatie circuleert ongecontroleerd eindeloos rond. Ongeannoteerde informatie dient te worden bestreden en ik baal er verschrikkelijk van dat ik een grote website heb gebouwd waarmee ik uiteindelijk “went over to the dark side”.

Ik heb me zelden meer opgelaten gevoeld dan toe de Nederlandse onderzoeksschool Oikos me een prijs toekende voor onder meer die website. Daarmee gaven de leden mijns inziens vooral aan dat ze niet begrepen waar het bij de overdracht van wetenschappelijke informatie om draait. Mijn website schendt de zo’n beetje allerbelangrijkste basisregel die er voor de popularisator is. Dat verdient geen prijs en ik heb vrij lang gespeeld met de gedachte de eer af te slaan, tot ik een uitnodiging kreeg om voor Oikos te spreken over dit soort zaken.

Ik vind zelf dat een wetenschapsjournalist zijn informatie enigszins moet specificeren. Ongeveer zoals het gebeurt in de bekende tijdschriften, zoals voor mijn vakterrein Hermeneus en Archeologie Magazine, waarin aan het einde een literatuurlijstje volgt. Je hoeft niet elke specifieke bewering te staven, om de doodeenvoudige reden dat mensen die zich willen verdiepen in de materie, eerst die boeken zullen moeten lezen en, als ze dat eenmaal hebben gedaan, het oorspronkelijke artikel achter zich hebben gelaten. Publieksartikelen zijn, om de metafoor van Schopenhauer/Wittgenstein maar weer eens aan te halen, ladders die je na gebruik kunt wegwerpen.

Niet iedereen is het daarmee eens. Op mijn artikel over de Herodiaanse dynastie kreeg ik een reactie van iemand die vond dat ik zijn pas verschenen studie had moeten noemen. Die heb ik gekocht en gelezen, en ik heb het boek ook genoemd. Andere onderzoekers menen dat ik ook hun baanbrekende publicatie had moeten noemen, sturen me dan vriendelijk een overdrukje, en krijgen dan van mij te horen dat ik het te gespecialiseerd vind voor het grote publiek maar dat ik er zelf plezier aan heb beleefd. Dat vinden ze dan eigenlijk wel redelijk en ik heb er meer vrienden dan vijanden mee gemaakt.

Toch wringt het. Hoeveel annotatie moet nu? De Nederlandse universiteiten vinden dus dat het helemaal niet hoeft. Anderen vinden dat het zeer gedetailleerd moet. Wetenschapsjournalisten zoeken een middenweg, waarbij ze rekening houden met het niveau van de doelgroep (Archeologie magazine is toch iets anders dan de Archeobrief), of de aard van de tekst. Dat lijkt de oplossing, maar het leidt toch tot misverstanden. Om De klad in de klassieken niet te overladen met gewichtigdoenerige voetnoterij, heb ik wel verwezen naar geschiedtheoretische publicaties – het is immers een theorieboek – maar niet naar beweringen over antieke feiten (het is immers geen geschiedenisboek). Tenminste één recensent heeft dat niet begrepen, en bekritiseerde me. Daarvan kun je dan zeggen dat die onterecht is, maar het is toch onbevredigend.

Vandaar dat ik er destijds bij Oikos voor pleitte dat ze de overdracht serieuzer namen. Het is immers een wettelijke taak van de universiteiten. Als bijvoorbeeld astronomen een charter hebben, waarom kunnen de Nederlandse oudheidkundigen dan niets eens wat aanwijzingen geven hoe informatie de wetenschap het beste dient? Waarom is er niet een vraagbaak, waar journalisten terechtkunnen om te vragen wat men moet denken van het berichtje dat er een snipper tekst is gevonden die de echtgenote van Jezus vermeldt?

Kortom, waarom niet een charter voor de oudheidkunde? Geen dwingende regels, maar wel met wat algemene gedachten. Over annotatie bijvoorbeeld, maar ook over andere zaken, zoals hoor- en wederhoor, alsmede de grenzen die daaraan zijn. (Door eindeloos wederhoor, geven wetenschapsjournalisten kwakhistorici en pseudowetenschappers een platform.) Ik vind zelf dat een academicus die een boek produceert waarin echte onzin staat – denk aan het boek met 253 feitelijke onjuistheden dat ik wel eens noem – dat moet terugnemen. Ik denk ook dat het verspreiden van pseudowetenschap (dus het opschorten van de natuurwetten) aanleiding moet zijn voor het instellen van een begeleidingscommissie. De mantel der liefde kan niet álles bedekken.

Voor de oudheidkunde bestaat momenteel geen enkel beleid. Daarbij is niemand gebaat.

5 gedachtes over “Populariseren en annoteren

  1. H.J.Vrielink

    Over annotatie gesproken, in Leiden, in elk geval bij de Faculteit Geschiedenis der Geesteswetenschappen, wordt nog steeds Zoeken en Schrijven (het Leidsche systeem) aangeleerd aan studenten. Dit in tegenstelling tot de wetenschappers, die regelmatig het Sociale Wetenschappen systeem hanteren, dat deels eenvoudiger is, maar ten dele ook zeer irritant (Auteursnaam, 20012 p.p. 1 ff)
    Er bestaat dus geen gestandaardiseerd systeem.
    Natuurlijk is annotatie, zeker voor wetenschappelijke journalisten, een must. Helaas laat het format van dagbladen en populair- wetenschappelijke magazines dit vaak niet toe. En dat is jammer aangezien dan beweringen op papier worden gezet die niet te controleren zijn. Hetzelfde geldt voor blogs.

  2. MNb

    Kent u het Lexicon van Hardnekkige Misverstanden avan Krämer en Trenkler? Zo nee, dan moet u het te pakken zien te krijgen. Zij hadden met hetzelfde probleem van annotatie te maken.
    Archimedes en de (niet zijn) brandspiegels komen er ook in voor.

  3. Niveau en detail van annotatie is volgens mij gelinkt aan het doel van de publicatie – zoals hierboven al aangegeven. Een breed publiek heeft weinig behoefte aan een 1200 woorden verhaal met in elke zin drie genummerde verwijzingen naar een notenapparaat.

    Ik snap dat onderzoekers het liefst als oorspronkelijke bron worden aangehaald, dan indirect via een verzamelwerk of synthese van een vakgebied. Maar veel publicaties zijn er niet om onderzoekers te eren, maar kennis te verspreiden. En dat is wat anders dan het toe-eigenen van andermans intellectuele eigendommen (een impliciet verwijt dat onderzoekers wel eens maken als ze zuinigjes constateren dat ‘ze niet genoemd worden’.

    Toch denk ik dat er meer mogelijk is, met verschillende uitgeefvormen. Hetzelfde artikel dat op papier met een literatuurlijst verschijnt, kan in pdf of online direct linken / verwijzen naar een gedetailleerder body of evidence.

    Overigens kan de journalistiek daarin nog heel veel stappen maken. http://www.denieuwereporter.nl/2007/02/wat-de-journalistiek-kan-leren-van-de-wetenschap/

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s