Ilias

Fragment uit de Ilias (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)
Fragment uit de Ilias (Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis)

Tot de uitvinding van de boekdrukkunst door Laurens Janszoon Coster Johannes Gutenberg konden teksten alleen worden vermenigvuldigd door ze met de hand over te schrijven. De simpele gevolgtrekking is dat wij antieke teksten dan en slechts dan kennen als er middeleeuwse kopiisten waren.

De flessenhals zit in de zesde, zevende en achtste eeuw. We weten dat allerlei belangrijke teksten in de Late Oudheid nog in omloop waren. In de late vierde eeuw was er zelfs een enorme kopieeractiviteit. Tot in de vijfde eeuw was het corpus van antieke letteren daardoor nog min of meer intact.

Met de val van het West-Romeinse Rijk kwam de klad er in, hoewel Cassiodorus in de teen van Italië zijn best deed te bewaren wat er was door monniken opdracht te geven zoveel mogelijk antieke handschriften te kopiëren. Hij is wel vergeleken met een poortwachter die iedereen die van de Oudheid naar de Middeleeuwen ging, nog iets meegaf om te lezen. Ook op de Britse eilanden en in de stad Constantinopel was nog kopieeractiviteit.

De teen van Italië. De Britse eilanden. Constantinopel. Dat was alles. Pas rond 800 gelastte Karel de Grote een systematischer aanpak en sindsdien had elke abdij een scriptorium. Veel moeten we ons daar niet bij voorstellen – zeker geen Naam van de Roos-achtige bibliotheken – maar het was beter dan niets. In Constantinopel ging men wat voortvarender te werk en kon men voortbouwen op eerdere activiteit, maar ook hier gold: in de zesde, zevende en achtste eeuw werd beduidend minder overgeschreven dan in de tijd daarvoor en daarna. De simpele conclusie is dat als een tekst uit pakweg het jaar 500 via kopiisten het jaar 800 haalde, er een redelijke kans is dat wij die nog hebben, maar dat de drie tussenliggende eeuwen precair waren. Een flessenhals.

Lange tijd was onze kennis van de oude teksten zo goed als de kopiisten tussen 500 en 800 toestonden. Inmiddels zijn daar de papyri bij gekomen: duizenden en duizenden teksten, geschreven in de Oudheid en variërend van simpele briefjes via boekhoudingen tot filosofische traktaten. Helaas zijn ze fragmentarisch maar ze bevestigen dat de middeleeuwse kopiisten vakwerk hebben geleverd: natuurlijk zijn er wel eens verschillen, maar grosso modo kloppen de teksten wel.

Hierboven is een papyrus te zien. Ik maakte er een foto van in de Brusselse Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Dit is wat er staat:

ΑΛΛ ΟΡΣΕΥ ΠΟΛ- … -ΟΣ- …
ΤΟΝ Δ ΑΥΤ Ε-… -ΡΗ- …
ΑΤΡΕΙΔΗ ΜΑΛΑ ΜΕΝ ΤΟΙ ΕΓΩΝ …
ΕΣΣΟΜΑΙ ΩΣ ΤΟ ΠΡΩΤΟΝ ΥΠΕΣ-…
ΑΛΛ .-ΛΛΟΥΣ ΟΤΡΥΝΕ ΚΑΡΗ ΚΟ-…
ΟΦ-.. ΤΑΧΙΣΤΑ ΜΑΧΩΜΕΘ …
ΤΡ-..-Σ ΤΟΙΣΙΝ Δ ΑΥ ΘΑΝΑΤΟΣ ΚΑΙ …
ΕΣ ..-ΕΤ ΕΠΙ ΠΡΟΤΕΡΟΙ ΠΕΡ ΟΚΙ…
ΩΣ ..-ΑΤ ΑΤΡΕΙΔΗΣ ΔΕ ΠΑΡΩΧΕ-…
ΗΛΘ-.. ΕΠ ΑΙ-..-ΕΣΣΙ …
ΤΩ ..-ΟΡΥΣΕΣΘΗ-

Hoewel het rechter deel is afgesneden, levert de tekst weinig problemen op. Classici kunnen het moeiteloos aanvullen, want dit is een fragment uit de Ilias (4.264-274) van Homeros. Hier is de standaardtekst, gebaseerd op de middeleeuwse manuscripten.

“ἀλλ’ ὄρσευ πόλεμον δ’ οἷος πάρος εὔχεαι εἶναι!”
τὸν δ’ αὖτ’ Ἰδομενεὺς Κρητῶν ἀγὸς ἀντίον ηὔδα:
“Ἀτρεί̈δη μάλα μέν τοι ἐγὼν ἐρίηρος ἑταῖρος
ἔσσομαι, ὡς τὸ πρῶτον ὑπέστην καὶ κατένευσα:
ἀλλ’ ἄλλους ὄτρυνε κάρη κομόωντας Ἀχαιοὺς
ὄφρα τάχιστα μαχώμεθ’, ἐπεὶ σύν γ’ ὅρκι’ ἔχευαν
Τρῶες: τοῖσιν δ’ αὖ θάνατος καὶ κήδε’ ὀπίσσω
ἔσσετ’ ἐπεὶ πρότεροι ὑπὲρ ὅρκια δηλήσαντο!”
ὣς ἔφατ’. Ἀτρεί̈δης δὲ παρῴχετο γηθόσυνος κῆρ:
ἦλθε δ’ ἐπ’ Αἰάντεσσι κιὼν ἀνὰ οὐλαμὸν ἀνδρῶν:
τὼ δὲ κορυσσέσθην, ἅμα δὲ νέφος εἵπετο πεζῶν.

Mocht u de verschillen willen zien:

  • in de tweede regel is de eerste letter van de naam Idomeneus in de handschriftversie een i en in de papyrusversie een e of ei;
  • in de achtste regel van de handschriftversie is het tweede woord epei, terwijl er in de papyrusversie epi staat;
  • het vijfde woord is in de handschriftversie orkia terwijl er in de papyrusversie okia staat;
  • in de papyrusversie van de laatste regel wordt het derde woord, korussesthen, met een s minder geschreven.

Het derde voorbeeld is echt een verschrijving, de drie andere afwijkingen zijn alleen maar verschillende spellingen van hetzelfde woord. (Dit is immers een tekst uit een cultuur die het moest stellen zonder de verlichte inzichten van ons Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005.) Deze papyrus bevestigt dus dat de handschrifttraditie alleszins nauwkeurig is.

En tot slot: wat staat er nu? In de eerste regel is Agamemnon, de zoon van Atreus, aan het woord, die de Kretenzische soldaten aanspoort:

“… maar nu ten strijde, zo dapper als ge beweert te zijn.”
Idomeneus, de vorst der Kretenzen gaf hem ten antwoord:
“Atreus’ zoon, wees gerust, ik zal een trouw kameraad
zijn, zoals ik eenmaal heb beloofd en verzekerd.
Moedig de andere langhaardragende Grieken
dadelijk aan tot de strijd, nu de Trojanen hun eden
verbraken. Hun deel zal dood en leed
zijn, want zij zijn begonnen het verdrag te breken.”
Zo sprak hij. De Atreïde vervolgde verheugd zijn weg.
Door het gewemel der mannen kwam hij bij de Aianten:
zij rustten zich beide ten strijde, door een wolk van voetvolk gevolgd.

Dit was, iets aangepast, de vertaling van M.A. Schwartz. En ik weet niet hoe het u vergaat, maar ik vind dit buitengewoon mooi.

En o ja: in de depots van de musea liggen duizenden en duizenden onuitgegeven papyri.

[Met dank aan Simone Mooij. Dit was de eenentachtigste aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

5 gedachtes over “Ilias

  1. JL:

    (Dit is immers een tekst uit een cultuur die het moest stellen zonder de verlichte inzichten van ons Besluit bekendmaking spellingvoorschriften 2005.)

    Ontwaar ik daar een zweem van honende spotternij? 😉

    Wat betreft de boekdrukkunst. Gutenberg heeft die natuurlijk ook niet ex nihilo uitgevonden, dat is meer geleidelijk gegaan. Maar dat weet je.

    Waar ik me altijd over heb verbaasd is dat het drukken niet veel eerder al op enig niveau werd gepraktiseerd. Eeuwenlang is de mensheid niet veel verder gekomen dan wat stempelen en blokdrukken maken. En tegelijk maar manuscripten overpennen. Terwijl ik denk (verbeter me als ik er ver naast zit) dat de drukmethoden van de renaissance toch ook binnen de technologische mogelijkheden van bijv. de antieke Romeinen en diverse tijdgenoten hebben moeten liggen.

    Maar misschien hadden die er helemaal geen behoefte aan, dat kan natuurlijk ook nog. Er zijn op de wereld tenslotte ook hoogontwikkelde culturen geweest die het überhaupt niet eens nodig vonden om er een geschreven taal op na te houden (bijv. de Inca’s). Dat die niet zo nodig hoefden te drukken, dat is dan wel weer logisch.

  2. Nog een vraag over de genoemde flessehals: Heeft de verwoesting/ondergang van de bibliotheek van Alexandrië daar nog iets mee te maken?

    1. Nee niet echt. Opgemelde bibliotheek is gewoon aan haar eigen omvang bezweken: om 400.000 boekrollen (de laagste schatting) toegankelijk te houden, zijn vele honderden klerken nodig. Meer dan financieel haalbaar was.

  3. Emgert

    De gebruikelijke inhoud van flessen past in zijn geheel door de hals. Een betere metafoor is dan ook zeef, pace de Angelsaksische bedenker.

Reacties zijn gesloten.