De Karolingische Renaissance (1)

Een Exodus-manuscript; het onderste deel is geschreven in Karolingische minuskels die tijdens de Karolingische Renaissance werden geïntroduceerd.

In eerdere blogjes heb ik het gehad over mensen als Cassiodorus en de Ierse monniken die, in de tijd na de desintegratie van het Romeinse staatsapparaat in West-Europa, antieke teksten bleven kopiëren. Er is een beeldspraak – ik weet niet van wie – dat zij bij de stadspoort stonden en de West-Europese mensen, die de Oudheid verlieten en op reis gingen naar de Middeleeuwen, nog iets te lezen meegaven. Ik heb dat altijd een mooi beeld gevonden. Het stond me voor de geest toen ik LiviusOrg maakte.

Hoe ging het verder? Ik schreef al over de Europese monniken die de door Cassiodorus en de Ierse monniken begonnen kopieeractiviteit voortzetten. Eigenlijk is dat de culturele analogie van de wetgevingsactiviteit van de post-Romeinse vorsten. Voor een koning was het uitvaardigen van wetten core business; het overschrijven van teksten was dat niet en werd overgelaten aan de kerk. Dat begon te veranderen met de “Karolingische Renaissance”.

Karolingische Renaissance

Karel de Grote begreep het belang van oude boeken. Hij zorgde ervoor dat kopiisten het voor de cultuuroverdracht noodzakelijke kopieerwerk konden voortzetten op een schaal die voordien ondenkbaar was. Er zijn 1865 codices bekend uit het halve millennium vóór 800 (gemiddeld 373 per eeuw) en dat is nogal wat minder dan de 7000 codices uit de negende eeuw.

Niet alleen het aantal boeken nam toe, de bestaande titels kregen ook een bredere verspreiding. Karel had de koninkrijken van de Franken en de Langobarden verenigd, zodat het eenvoudiger werd manuscripten die voordien uitsluitend in Italië aanwezig waren geweest, te kopiëren en in Gallië te bestuderen, en vice versa. Toen de Saksen waren verslagen, liet Karel in hun land abdijen stichten, waardoor de geschriften een nog verdere verspreiding konden krijgen.

Een belangrijke innovatie was dat de kopiisten zich gingen bedienen van een nieuw lettertype, de Karolingische minuskel. De aanleiding was dat de antieke cursieve handschriften soms moeilijk leesbaar waren, wat de kans op fouten vergrootte. Daaraan zou, zo hoopten de Karolingische geleerden, een einde komen.

Het was zeker urgent. De teksten van de (doorgaans in het Latijn vertaalde) bijbels waren gecorrumpeerd geraakt. Het zegt veel over de ambities van Karel en zijn tijdgenoten dat ze op zoek gingen naar de beste tekst. Daarbij verklaarden ze niet zo maar één tekst normatief, maar verzamelden en vergeleken ze handschriften uit alle windstreken. Verschillende geleerde hovelingen waren bij deze onderneming betrokken, zoals bisschop Theodulphus van Orleans en Karels wetenschappelijk adviseur Alcuinus. Uiteindelijk stelden ze een nieuwe tekst vast, gezuiverd van fouten en vergissingen.

Wat verloren ging

De nieuwe bijbels waren dus geschreven in de nieuwe letter. Deze vernieuwing had behalve positieve echter ook negatieve gevolgen. Oudere handschriften, die nog in de oude letters waren geschreven, werden ontoegankelijker voor degenen die gewend waren aan de heldere nieuwe letters. Wie voortaan een oud boek moest afschrijven, gebruikte als voorbeeld het liefst handschriften in de vertrouwde minuskels. Oudere manuscripten werden dus niet meer gelezen en raakten vergeten.

Helden

Dat er door de invoering van de Karolingische minuskel ook teksten verloren zijn gegaan, laat onverlet dat de kopiisten, of het nu gaat om West-Europa, Byzantium, Armenië, Syrië of Koptisch Egypte, nooit voldoende geprezen kunnen zijn. Ze verrichtten hun werk onder vaak moeilijke omstandigheden. Bibliotheken waren immers geliefde verblijfplaatsen voor muizen en ander ongedierte. Brand kon in een paar uur de resultaten van eeuwen werk tenietdoen. Omdat het maken van grote glazen ruiten nog niet mogelijk was, hadden de schrijfzalen kleine, open ramen; soms werd de lichtval verbeterd door de ramen groter te maken, maar in de winter was het dan vaak te koud.

Het open raam van een schrijfzaal (Tatev-klooster, Armenië)

Aantekeningen uit de marge van de manuscripten maken duidelijk waardoor de monniken zoal werden gekweld:

O, mijn borst.
Ik heb het zo koud.
Mijn hand doet pijn.
De nacht valt: etenstijd.
Dit is een moeilijke bladzijde uit een langdradig boek.
Het perkament is slecht, de inkt is slecht. Ik stop ermee.

Aan de middeleeuwse kopiisten hebben we te danken dat we niet alleen de Vroege Middeleeuwen nog kunnen bestuderen, maar ook de Oudheid. Zonder hun inzet zou heel veel antieke poëzie en proza voor ons verloren zijn, christelijk én heidens.

Wat is gered

De niet-christelijke literatuur profiteerde namelijk mee. Het is veelzeggend dat onder de titels die vóór de Karolingische Renaissance zijn gekopieerd in wat nu Frankrijk heet, zich niet één niet-christelijk werk bevindt. Het gaat alleen om bijbels, liturgische teksten, de geschriften van de kerkvaders Hieronymus en Augustinus, de preken van paus Gregorius de Grote en het wetboek dat bekendstaat als Codex Theodosianus. Uit Italië en het Overrijnse zijn wel enkele teksten van heidense auteurs bekend en op de Britse eilanden is hun aantal nog iets groter, maar over het algemeen kopieerde men voor 800 weinig antieke bellettrie.

Dankzij Karel de Grote veranderde dit. Alle Romeinse poëzie die we over hebben, is bewaard gebleven dankzij de Karolingische klerken. De enige uitzonderingen op deze regel vormen de gedichten van Catullus, Tibullus, Propertius en Silius Italicus, de tragedies van Seneca en een handvol gedeelten van Statius: hiervan zijn alleen kopieën uit de Late Middeleeuwen bekend, die zijn afgeschreven van antieke voorbeelden. Daarnaast geldt voor het proza van de Romeinen dat wat we tegenwoordig nog kunnen lezen, is overgeleverd door de negende-eeuwse kopiisten. De uitzonderingen die deze regel bevestigen zijn Varro, Tacitus en Apuleius.

Toch moet worden benadrukt dat het overleveren van de heidense letteren bijzaak bleef. De geleerden en de kopiisten van de Karolingische Renaissance vonden de religieuze teksten van veel groter belang. Slechts weinig negende-eeuwse auteurs citeren een dichter als Vergilius, die bij de kerkvaders nog heel populair was geweest. Alleen Theodulphus van Orléans stelde bewijsbaar belang in de antieke letteren, want hij citeert een enkele keer de Metamorfosen van Ovidius.

[wordt morgen vervolgd]


Asturië

augustus 3, 2025

Museum Dorestad

juli 14, 2025
Deel dit:

2 gedachtes over “De Karolingische Renaissance (1)

  1. Frans Buijs

    Het is dat ik alle Kuifjes gelezen heb, anders had je me kunnen wijsmaken dat Karolingische minuskel een scheldwoord van kapitein Haddock is.

Reacties zijn gesloten.