Tipasa

Tipasa, Villa aux fresques

Ik heb het voorrecht nogal wat te kunnen reizen. Mijn laatste reis, per trein en bus door Spanje, waas puur vakantie. Maar de meeste reizen maak ik als reisleider en omdat ik ook het programma van zo’n reis maak, kan ik eigenlijk altijd wel iets invoegen dat ik zelf nog nooit heb gezien. Ik denk dat ik bovengemiddeld veel antieke ruïnes en archeologische musea heb bezocht, en ik zou niet goed weten wat ik de allermooiste vind – maar de Algerijnse stad Tipasa scoort hoog, heel hoog.

Het begint natuurlijk bij de locatie: aan de kust. In de hierboven afgebeelde villa moet het heerlijk wonen zijn geweest, met altijd het ruisen van de zee en een achtertuin die ook destijds overging in een bos. Dat was niet overal zo; momenteel zijn er meer bomen dan vroeger, zodat de site iets feeërieks heeft, al is het natuurlijk niet bepaald historisch verantwoord. Ik zei dat Tipasa mooi is, niet dat je er als het ware door een antieke stad wandelde. Daarvoor moet je naar Pompeii.

Lees verder “Tipasa”

Laat-antiek Thracië

Claudius II Gothicus (Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen)

[Dit is het voorlaatste van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

Crisis

Zoals ik in het vorige blogje zei, markeerde de regering van een uit Thracië afkomstige keizer, Maximinus Thrax, het begin van wat bekendstaat als de Crisis van de Derde Eeuw. Het wezenlijkste punt was een geleidelijke klimaatverandering, die de landbouw bemoeilijkte, meer mensen dwong om op het platteland te gaan werken, leidde tot een verkleining van het aantal ambachtslieden en (daarmee samenhangend) een verkleining van de betekenis van de steden. De belastinginkomsten namen af en dus hadden de keizers minder armslag. Er was minder handel en er was een epidemie.

Maar het meest opvallend: vijandelijke volken waren succesvoller dan in de voorafgaande tijd. Dat dwong tot grotere legers, die inflatoir werden gefinancierd. En het hielp simpelweg niet. De Griekse en Romeinse auteurs haalden de naam “Geten” uit de kast om hun tegenstanders te beschrijven: een eeuwenoude term voor de bewoners van wat inmiddels Moesia Inferior heette. Zulk archaïsme was niet ongebruikelijk, maar de keuze kan ook zijn ingegeven doordat een van de groepen invallers zich aanduidde als “Goten”. We lezen ook over Carpi en Sarmaten. We lezen dat Plovdiv – niet langer Moesia maar in het Thracische binnenland – werd geplunderd en dat keizer Decius omkwam in de strijd. Een nog niet zo heel lang geleden ontdekte palimpsest documenteert deze gebeurtenis.

Lees verder “Laat-antiek Thracië”

Romeins Thracië en Moesië

De Via Egnatia in Filippoi

[Dit is het vijfde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]

De Romeinse Republiek

Zoals ik in het vorige blogje al aangaf, kregen de Romeinen, in oorlog met de Macedoniërs, in de eerste helft van de tweede eeuw v.Chr. te maken met de Thraciërs. Komend vanaf de Adriatische Zee bouwden ze de Via Egnatia, die langs Thessaloniki naar het oosten voerde, langs de havensteden die de Grieken eeuwen eerder aan de Thracische zuidkust hadden gebouwd. Op de annexatie van Macedonië (in 146 v.Chr.) volgde de annexatie van het koninkrijk Pergamon, en daarmee was in elk geval de beheersing van het zuiden van Thracië voor Rome van enorm strategisch belang.

Het zou te ver voeren om hier alle conflicten te noemen die Rome in en rond Thracië heeft uitgevochten. Het was in elk geval nooit eenvoudig, zoals wel blijkt uit het feit dat de oorlog tegen de Bessers duurde van 119 tot 107 v.Chr. Al die tijd was de Via Egnatia niet helemaal veilig. Ook in de oorlogen tegen koning Mithridates VI Eupator van Pontus, een van de gevaarlijkste tegenstanders waarmee Rome te maken had in de eerste helft van de eerste eeuw v.Chr., werd gevochten in Bulgarije. Bij een van deze oorlogen moet Spartacus in Romeinse handen zijn gevallen: misschien als krijgsgevangene, misschien als verkochte slaaf.

Lees verder “Romeins Thracië en Moesië”

Het vierkinderenrecht

Reconstructie van het beeld van keizer Augustus uit Primaporta (Allard Pierson-museum, Amsterdam)

De huwelijkswetgeving lag keizer Augustus na aan het hart. We weten niet waarom precies, maar zijn hele regering lang heeft hij geprobeerd de relaties tussen man en vrouw te reguleren. Uit het jaar 18 v.Chr. dateert de Lex Julia de maritandis ordinibus, die bepaalde wie met wie konden trouwen. Vermoedelijk uit hetzelfde jaar dateert de Lex Julia de adulteriis coercendis, ofwel een wet tegen overspel. Wellicht hingen deze wetten samen met de afkondiging van een “nieuwe era” in het daaropvolgende jaar.  We lezen verder over wetgeving de pudicitia, betreffende de openbare zeden.

Hoe belangrijk dit thema was voor Augustus, blijkt wel uit het feit dat hij niet alleen het burgerlijk recht maar ook het strafrecht inzette. Bovendien bleef hij erop terugkomen: alsof drie wetten nog niet genoeg waren, herhaalde hij de wetgeving het in 9 na Chr., al liet hij het indienen toen over aan de twee consuls. Deze wet staat bekend als de Lex Papia et Poppaea, die de maatregelen uit de eerstgenoemde wet aanvulde en aanscherpte.

Lees verder “Het vierkinderenrecht”

Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)

Afgelopen zaterdag werd in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden het boek Rome en de Lage Landen van de Belgische historicus, archeoloog en museumdirecteur Robert Nouwen ten doop gehouden. Dat is een heel belangrijk boek: de eerste synthese over dit onderwerp in een halve eeuw. Ik heb vorig jaar opgetreden als meelezer van het manuscript, en mocht bij de presentatie een toespraakje houden. Uiteraard deed ik dat maar wat graag. Dit is wat je noemt: de eer hebben iets te mogen doen.

Maar er was een probleem. Al vóór de presentatie waren verschillende mensen verbijsterd over het bescheiden karakter van de presentatie. Iemand noemde de locatie een “derderangszaaltje”, en inderdaad: de Tempelzaal in het museum had meer voor de hand gelegen dan de Trajanuszaal. We hadden ook kunnen uitwijken naar de Waalse Kerk. Bij een zo belangrijk boek beleg je een symposium met een dozijn hoogleraren uit binnen- en buitenland. Je nodigt het NOS-journaal uit en de koning, die immers de bekendste historicus van Nederland is, en die ook het eerste exemplaar aannam van de Wereldgeschiedenis van Nederland. Wij oudheidkundigen zijn toch niet minder dan andere historici?

Lees verder “Robert Nouwen, Rome & de Lage Landen (1)”

Het joodse tweegodendom

Als een Perzische koning een vizier had en als een Romeinse keizer een praetoriaanse prefect had, dan was het alleen maar logisch dat God zelf eveneens beschikte over een rechterhand. Het antieke jodendom kende dus een tweede, jongere of lagere godheid. Dat denkbeeld past niet goed bij het moderne idee dat de joden monotheïsten waren, maar het tweegodendom is goed gedocumenteerd: in het land van Israël en daarbuiten, bij diverse joodse stromingen, vanaf de tweede eeuw v.Chr. tot in de Vroege Middeleeuwen. Tweegodendom was destijds zeker niet verwaarloosbaar.

Over dit onderwerp publiceerde de Duitse godsdiensthistoricus Peter Schäfer in 2017 Zwei Götter im Himmel. Ik las vorige maand de drie jaar later verschenen Engelse vertaling, Two Gods in Heaven, waarin hij ook ingaat op kritiek op het oorspronkelijke boek. Schäfer biedt een overzicht van het tweegodendom, waarbij hij zich beperkt tot de joodse receptie vanaf het Bijbelboek Daniël tot en met de laatantieke mystiek en de Babylonische Talmoed. De christelijke receptie, dat Jezus van Nazaret die tweede godheid was, behandelt hij slechts zijdelings.

Lees verder “Het joodse tweegodendom”

XXX Ulpia Victrix

Ere-inschrift voor een bestuurder die ook diende in XXX Ulpia Victrix (Capitolijnse Musea, Rome)

Met het legioen dat bekendstaat als XXX Ulpia Victrix hebben we een regiment te pakken dat diende in onze eigen contreien. Het was eeuwenlang gestationeerd in Xanten. De bijnamen vertellen ons weinig: Victrix betekent “zegevierend” en het zou een raar legioen zijn geweest als het iets anders had geclaimd, Ulpia verwijst naar de oprichter van deze eenheid, keizer Marcus Ulpius Trajanus. Hij formeerde XXX Ulpia Victrix samen met II Traiana Fortis in 105, tijdens de oorlog die hij voerde tegen de Daciërs. Het rangnummer Dertig bewijst dat het Romeinse leger op dat moment dertig legioenen had.

XXX Ulpia Victrix was aanvankelijk gestationeerd in Brigetio (Szöny) in Pannonië, dat tot dan toe had gediend als basis van XI Claudia. Enkele onderafdelingen van het nieuwe legioen namen deel aan de oorlog tegen de Daciërs en vermoedelijk nam het regiment enkele jaren later ook deel aan Trajanus’ campagne tegen het Parthische Rijk (115-117).

Lees verder “XXX Ulpia Victrix”

De Thuringers

Germaans graf uit Reuden (Landesmuseum für Vorgeschichte, Halle)

Voor de oudheidkundige vormen de Germanen een probleem. Hij beschikt over de archeologische vondsten van onder meer de Jastorf-cultuur, die een IJzertijdcultuur documenteren die, in materieel opzicht, eenvoudiger was dan de aangrenzende La Tène-cultuur (“de Kelten”). Hij beschikt over Germaanse teksten, maar die zijn ontzettend laat. Ze documenteren vooral laatantieke visies op een verleden dat niet alleen legendarisch is maar ook destijds al gold als hypothetisch. En de oudheidkundige beschikt over Griekse en Romeinse bronnen, die altijd datgene weergeven wat de auteurs zelf wilden vertellen, en niet per se een compleet of zelfs maar representatief beeld bieden. Kortom, de Germanen zijn leuk.

Woonplaats

Eén van de problemen is de landkaart. Uit diverse auteurs kennen oudheidkundigen de namen van enkele stammen uit het land ten oosten van de Rijn en ten noorden van de Donau. De wereldkaart van de Grieks-Romeinse geograaf Ptolemaios van Alexandrië biedt de coördinaten van enkele plaatsen, en de geografische breedte is doorgaans redelijk accuraat, maar de lengte is dat niet. Belangrijker echter is dat de de verzameling namen verwijst naar diverse tijdstippen en bovendien vrijwel zeker incompleet is. Als een archeoloog dus beweert

deze vondsten zijn van de Thuringers,

bedoelt hij eigenlijk

deze vondsten zijn gedaan in een gebied waarvan we feitelijk niet weten wie er woonden maar waarop we vooralsnog het etiket “Thuringers” plakken omdat die naam nu eenmaal beschikbaar is en omdat in de buurt een Duitse regio ligt die sinds de Middeleeuwen “Thüringen” heet.

Het cruciale woord in de voorgaande volzin is “vooralsnog”: de uitspraak is ad hoc, zoals alle oudheidkundige kennis. Het is de beste hypothese om van de onvolledige en ambigue informatie chocola te maken. Aan vondsten die uit zichzelf niet zeggen aan wie ze toebehoorden, koppelen we een naam uit de verzameling waarover we beschikken. Het is weinig méér.

Lees verder “De Thuringers”

Een vaas die fluit

Een fluit in de vorm van twee kruikjes, versierd met een panfluitist; Vicus-cultuur (Musée du Quai Branly, Parijs)

De trouwe lezers van deze blog weten dat ik een groeiende belangstelling heb voor Precolumbiaans Amerika, dus de Nieuwe Wereld vóór Columbus. Natuurlijk is dat eigenlijk dezelfde interesse als mijn belangstelling voor de Oudheid of het Midden-Oosten: een andere wereld die je dwingt na te denken over de wereld waarin je zelf woont. Mijn groeiende belangstelling voor Precolumbiaans Amerika is echter ongestructureerd. Ik lees weleens wat, maar ik ben nooit in Mexico of Peru geweest, en moet het vooral doen met wat ik oppik in volkenkundige musea.

In het Musée du Quai Branly in Parijs zag ik voorwerpen die ik maar zal aanduiden als fluitende vazen. Ze bestaan uit twee kruikjes, waarvan de een open is en de ander gesloten, zij het dat die uitloopt op een fluit. Die is vaak versierd en kan dan bijvoorbeeld de vorm hebben van een mannetje of een vogel of iets anders. De twee vaasjes zijn verbonden door een buisje. Als je nu water giet in het open vaasje, loopt het door het buisje naar het andere kruikje, waar het de lucht wegperst door de fluit. Je kunt die fluitende vazen ook een beetje schudden, dan maken ze (denk ik) korte piepgeluiden.

Lees verder “Een vaas die fluit”

Naar de dokter

Bezoek aan de dokter (Musée national des antiquités, Algiers)

Zoals u wellicht heeft gemerkt, was ik onlangs in Algerije. Daarover later meer. Maar eerst eens een blogje over een mozaïek dat ik in Algiers zag in het Musée national des antiquités. Het is gevonden in een voorstad van Batna die Ouled Arif heet; in de Oudheid heette de plaats Lambiridi. Het mozaïek vormde de vloer van een familiegraf, waarin drie sarcofagen stonden. De voornaamste was van een zekere Cornelia Urbanilla, die hier rustte na “te zijn gered van een groot gevaar” en een leven van achtentwintig jaar, tien maanden twaalf dagen en negen uur. Dat is vreemd precies, want doorgaans wisten Romeinen niet zo goed hoe oud ze waren.

Het schijnt dat zulke nauwkeurige aanduidingen duiden op horoscoopgebruik, maar ook als dat zo is, is mij niet duidelijk aan welk gevaar Urbanilla is ontkomen. Misschien is het leven zelf wel het bedoelde gevaar. Daarvoor pleit dat links twee pauwen zijn afgebeeld, vogels die in de derde eeuw na Chr., toen dit mozaïek werd gemaakt, een symbool waren voor de wederopstanding en verlossing uit dit ondermaanse tranendal. Maar ja, dat verklaart dan weer niet waarom rechts twee eenden staan.

Lees verder “Naar de dokter”