Kort Libanees (7): Oriëntaals oriëntalisme

Tot de dingen die ik in het buitenland altijd leuk vind om te zien behoren oude ambachten. In Peshawar heb ik bijvoorbeeld toegekeken hoe een smid metaal bewerkte, in Shiraz heb ik gesproken met een inktmaker en deze week heb ik in Tyrus even staan kijken hoe de kiel van een schip werd gelegd. Wie mijn foto’s zou bekijken, vindt afbeeldingen van slash-and-burn-landbouw, van een primitieve bronsoven, van een ganzendrijver en van een perkamentrek. Je zou makkelijk kunnen concluderen dat ik in het Midden-Oosten vooral ben geïnteresseerd in een wereld die ouder en anders is dan de westerse.

Die houding wordt wel “oriëntalisme” genoemd. Het gaat er dan om dat je alleen kijkt naar het exotische, het oosterse, en dat je het nieuwe (dat mijn fotografische belangstelling niet heeft maar waarover ik wel schrijf) niet herkent. In de negentiende en vroege twintigste eeuw was dit regelrechte mode. Dichters, schilders: iedereen leek mee te doen.

Het omgekeerde zie je in het Midden-Oosten: mensen die zich presenteren als westerlingen. Het schoolvoorbeeld is natuurlijk Kemal Atatürk, die oosterse kleding zoals een fez verbood en eiste dat de Turken zich westers zouden kleden. Het gaat hierbij lang niet altijd om staatsingrijpen. Er waren in de twintigste eeuw voldoende mensen in het Midden-Oosten die koketteerden met alles wat Europees was.

In Libanon heb ik nu al een paar keer gezien dat de Arabische bevolking in zijn liefde voor alles wat westers was, de in Europa bestaande oriëntaliserende mode volgde. Zowel het Beit ed- Din-paleis van Bachir II als het Sursock-museum zijn geconstrueerd door bouwmeesters die hadden gekeken naar de oriëntaliserende architectuur. De schilderijen hierboven, die ik fotografeerde in een restaurant in Tripoli, zijn een ander voorbeeld: de Levant, die naar zichzelf is gaan kijken met een niet-Levantijnse blik en zo in feite haar eigen cliché is geworden.

5 gedachtes over “Kort Libanees (7): Oriëntaals oriëntalisme

      1. eduard

        Ik denk toch dat het iets anders is om uit winstbejag troep voor toeristen te maken waar je zelf nog niet dood mee zou willen worden gevonden, dan om de clichébeelden die een koloniale overheerser van je heeft geproduceerd vervolgens ook zelf weer over te nemen. Meest verdrietige voorbeeld waren wel de Afrikaanse schrijvers die collegae bekritiseerden om hun gebrek aan “négritude”, een post-koloniale identiteit waarin alle afschuwelijke koloniale vooroordelen over “de neger” in een positief daglicht werden geherkauwd.

Reacties zijn gesloten.