Griekse goden

Goden op het Schathuis van de Sifniërs (Delfi)

De Griekse religie behoort tot de beroemdste delen van de antieke cultuur. De namen van de goden en hun beleidsterreinen zijn algemeen bekend. Om die reden begrijp ik niet goed waarom het eerstejaars-handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, een overzichtstabel bevat. Wie heeft die nodig? Wie een letterenstudie gaat doen, weet wel dat Artemis gaat over de jacht en dat de zee ressorteert onder Poseidon. Een eerstejaars-handboek, dat dus wordt gebruikt in het onderwijs, dat het desondanks uitlegt, onderschat het niveau van de lezer. Dat is jammer. De didactische handeling komt er immers op neer dat je, als je iemand niet net bóven zijn niveau aanspreekt, dan toch aanspreekt óp zijn niveau.

Ter zake. De enorme bekendheid is wat problematisch. Althans, ik ervaar het als ingewikkeld. Naarmate ik langer met de Oudheid bezig ben, begrijp ik minder van de antieke religies. Vandaag dus een stukje over onduidelijkheden en onzekerheden, vooral ingegeven doordat ik almaar niet los kom van dat algemeen bekende standaardbeeld.

Lees verder “Griekse goden”

De tyran

Periandros (Vaticaanse Musea, Rome)

Lange tijd was het bestuur van de Griekse stadstaten in handen van aristocraten. Ze claimden niet zelden af te stammen van de door Homeros bezongen helden. Mede doordat de interregionale in de Archaïsche Periode herleefde, ontstond er een klasse van nouveaux riches. Dat waren niet per se kooplieden. De Blois en Van der Spek wijzen er in het handboek Een kennismaking met de oude wereld op dat het ook kan gaan om mensen die in staat waren geweest profijtelijker gewassen te gaan verbouwen.

Van aristocratie naar oligarchie

De traditionele, aristocratische bestuursklasse kreeg dus concurrentie van nieuwe rijken. Evengoed dienden beide groepen als hoplieten in de stedelijke legers. Dat leidde tot de wrange situatie dat de nouveaux riches wel mochten sneuvelen voor het vaderland maar geen stem hadden in de besluitvorming die tot oorlog leidde. Dat leidde tot ergernis. Omgekeerd waren er ook aristocraten die niets moesten hebben van die kapsoneslijders met hun nieuwe geld. De poëzie van Theognis, in het Nederlands vertaald door Hugo Koning, biedt nog altijd een venster op een mentaliteit die totaal anders is dan de onze.

Lees verder “De tyran”

Griekse leeuw

Aardewerk uit Chios (Archeologisch Museum van Thessaloniki)

De donderdag gebruik ik vaak om een stukje te schrijver over Een kennismaking met de oude wereld, het handboek van Bert van der Spek en Luuk de Blois waarmee ik ooit oude geschiedenis leerde. Ik wandel, zoals de trouwe lezers weten, de laatste herdruk door om te zien of mijn kennis erg is verouderd. En om zo nu en dan een aanvulling te geven.

Vandaag wijk ik een beetje af van die aanpak door een kunstvoorwerp te behandelen uit de Griekse Archaïsche Periode, het tijdperk waar we waren aangekomen. Hierboven ziet u een op Chios gemaakte en in Thessaloniki teruggevonden beker met een mooi leeuwtje erop. Vladimir Stissi vertelt me dat het zo tussen 575 en 550 v.Chr. is te dateren. Ruwweg even oud als de Apollo van Tenea.

Lees verder “Griekse leeuw”

Griekse politicologie

Een beautycase (“pyxis”) versierd met paarden: een typisch aristocratisch voorwerp (Agoramuseum, Athene)

Bert van der Spek, samen met Luuk de Blois auteur van het handboek dat wij inmiddels zo goed kennen, wil nog weleens benadrukken dat Griekenland en Rome dienen te worden bestudeerd met het Nabije Oosten. Het is helaas nodig dit te benadrukken. De bijdragen van de Akkadisch- en Arabischsprekende culturen aan de westerse cultuur zijn nog altijd onderschat. Terwijl de Griekse creativiteit wordt overschat.

Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat er nooit iets origineels gebeurde in Griekenland. Van der Spek attendeerde me er bijvoorbeeld eens op dat er nergens in de spijkerschriftliteratuur iets is gepubliceerd dat in de verte leek op de Politika van Aristoteles. Of, iets algemener, op het Griekse denken over staatsvormen. Zeg maar de politicologie.

Lees verder “Griekse politicologie”

De Griekse kolonisatie

Een strijdwagen met twee paarden: een typisch aristocratisch attribuut (Archeologisch Museum van Syracuse)

Een van de kenmerken van de Archaïsche Periode is de Griekse kolonisatie. Dat is eigenlijk een draak van term. Ik noemde al een scenario waaruit dit blijkt. Stel, een kleine groep Griekse kooplieden vestigt zich aan een vreemde kust; mensen uit de omgeving komen bij hen wonen; zij nemen de Griekse levenswijze over; en zo ontstaat een Grieks-ogende nederzetting – is zoiets dan een kolonie? Of moeten we daarvoor de term “zelfvergrieksing” verzinnen? En verder: een kolonie is doorgaans afhankelijk van het moederland, maar dat was met de Griekse apoikia niet het geval. Het waren (zoals Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek correct constateert) zelfstandige poleis, die alleen in tijden van crisis in het moederland vroegen om een generaal, een nieuwe wetgever of een scheidsrechter.

Los daarvan is het woord “kolonie” ook bekend uit de Europese geschiedenis. Dan heeft het te maken met handel en exploitatie. Nu speelden die ook in de Griekse kolonisatiefase een rol, maar door te spreken van “de Griekse kolonisatie” duw je de interpretatie van het antieke verschijnsel wel in een bepaalde, niet per se correcte richting. De Europese kolonies waren bijvoorbeeld projecten van een overheid (of iets dat er tegenaan schurkte, zoals de VOC of koning Leopold). Dat is van de apoikia moeilijk vol te houden.

Lees verder “De Griekse kolonisatie”

De stad: een onbruikbaar concept

De Wetten van Gortyn (Louvre, Parijs)

Eén van de grote thema’s van de Archaïsche Periode is de opkomst van de polis. Maar wat is dat? Een definitie is moeilijk te geven. In het handboek waarover ik geregeld schrijf, Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek, lees ik dat veel nederzettingen uit de Vroege IJzertijd zich ontwikkelden tot “zelfstandige, autonome stadstaten”. Maar wat is dan een staat, wat is een vroege staat, wat is een stad? En zo we die laatste konden definiëren, wat is dan een polis?

Ik ben niet de eerste die de vraag stelt. De Amerikaans-Britse historicus Moses Finley probeerde eens een analyse aan de hand van de ideaaltypische vormen van gezag die Max Weber had geformuleerd. De polis, constateerde Finley, was geen belichaming van charismatisch, van traditioneel of van legaal gezag. Ik ga het probleem vandaag ook niet oplossen. Ik denk dat ik wel een deelprobleem kan benoemen: onze fixatie op steden, Romeins of Grieks of anders.

Civitas, colonia, municipium?

Er zijn twee moeilijkheden. De eerste is onze notie dat een stad betrekkelijk groot moet zijn en een belangrijke sociaal-economische functie moet hebben. De tweede moeilijkheid is dat ergens de notie blijft meespelen van de middeleeuwse stad. Die

  1. valt concreet op de landkaart aan te wijzen (bijvoorbeeld omdat ze een stadsmuur had),
  2. had een juridische status die voor het ommeland niet gold en
  3. bracht op één plek religieuze, politieke, culturele en economische functies samen.

Lees verder “De stad: een onbruikbaar concept”

De Archaïsche Periode

Vier kouroi tonen de verbeterde beheersing van de anatomie: v.l.n.r. uit Tenea (ca. 560 v.Chr.), uit een onbekende plaats in Griekenland (ca. 540), uit Anavyssos (ca. 530) en uit Agrigrento (ca. 480 v.Chr.).

In Griekenland heet de tweede helft van de IJzertijd (pakweg 800-480 v.Chr.) de Archaïsche Periode. Die naam gaat bij mijn weten terug op de grote Winckelmann, die de klassieke kunst enorm bewonderde en de aanloop daarheen aanduidde als archaïsch. Het idee dat de periode tussen pakweg Homeros en Marathon een aanloop was naar de klassieken, duikt nog altijd weleens op, bijvoorbeeld omdat beeldhouwers steeds beter in staat waren de menselijke anatomie weer te geven. Zo rond 490 lijken ze het volledig in de vingers te hebben gekregen en vanaf dan noemen we het klassiek. Een beroemd boek, Archaic Greece van Anthony Snodgrass, dat probeert de Archaïsche Periode wat meer recht te doen, ontkomt er ook niet helemaal aan de drie eeuwen te typeren als een “age of experiment” voor de latere bloeitijd.

Het is een aantrekkelijk verhaal. Dat beeldhouwers zochten naar de perfecte anatomie is gewoon wáár. Maar de eigenlijke geschiedenis zal niet naar zo’n doel hebben gewerkt. Misschien is het wel beter de tweede helft van de IJzertijd aan te duiden als de tweede helft van de IJzertijd. Die naam vertelt immers iets over Griekenlands technologisch niveau, wat op zijn beurt weer iets vertelt over het potentieel van een samenleving.

Lees verder “De Archaïsche Periode”

De gedichten van Homeros

Homeros (Museo Barracco, Rome)

Vandaag begint de Week van de Klassieken. Het woord “klassiek” is zo’n term waar iedereen een eigen betekenis aan geven kan. Voor sommigen is het een aanduiding voor iets dat hen inspireert, voor anderen duidt het op een maatstaf, voor weer anderen slaat het op Griekenland en Rome, en ook zijn er mensen die het associëren met een oorsprong. Het een sluit het ander niet uit en het is allemaal waar voor Homeros. Talloze auteurs hebben aansluiting gezocht bij de Griekse dichter; het ethos van de homerische helden heeft gegolden als maatstaf voor adeldom; en de dichter staat aan het begin van de Griekse literatuur.

Het afgezaagde grapje dat die Griekse literatuur begon op een hoogtepunt en dat het sindsdien alleen maar minder is geworden, is natuurlijk onzin. Er spreekt echter erkenning uit dat Homeros iets bijzonders heeft gemaakt. Alle reden om het, bij het begin van de Week van de Klassieken, eens over hem te hebben. Het komt dan goed uit dat ik in mijn reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, deze week het korte achtste hoofdstuk kan behandelen, dat is gewijd aan de Griekse “dark ages” ofwel de Vroege IJzertijd ofwel de periode tussen 1200 en 800 v.Chr.

Lees verder “De gedichten van Homeros”

Oud-oosterse maatschappelijke verhoudingen

Twee Assyrische paleisbedienden (Tell Ahmar; Louvre, Parijs)

Tijd om het te hebben over de maatschappelijke verhoudingen in het oude Nabije Oosten. In de eerste plaats slavernij. Je hoeft niet heel Bijbelvast te zijn om de verhalen te kennen over de vreselijke slavenarbeid van de Hebreeën in Egypte en de deportatie van de Joden naar Babylonië. Onvrije arbeid was destijds doodnormaal. De vrijheid van de een was mogelijk door de onvrijheid van de ander, zo simpel. In de oud-oosterse samenlevingen bestond dus een onderscheid tussen degenen die eigen baas waren en degenen die andermans bezit waren.

Dat was maar één manier om de toenmalige maatschappij onder te verdelen. De maatschappelijke verhoudingen waren zo complex als je bij vijfentwintig eeuwen geschiedenis mag verwachten. Rijkdom was een ander onderscheid, net als iemands plaats in de economie: boer, soldaat, ambachtsman. Voor ons niet zo goed te begrijpen is de positie binnen of buiten de twee grote organisaties, d.w.z. paleis en tempel. Tempelpersoneel en hovelingen kregen voor hun diensten betaald door de redistributie van de opbrengsten van het land. Dat maakte hen opvallend geprivilegieerd.

Lees verder “Oud-oosterse maatschappelijke verhoudingen”

De uitvinding van het geld

Torques uit Luristan (Archeologisch Museum van Azerbaijan, Tabriz)

Schreef ik gisteren dat munten in de Griekse wereld weliswaar leken op ons geld, maar niet helemaal hetzelfde functioneerden, vandaag heb ik in zekere zin een vervolg: betaalmiddelen in het oude Nabije Oosten. Het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, attendeert erop dat betaalmiddelen het antwoord vormen op een specifiek probleem. Ruilhandel is op zich een vrij natuurlijk proces, dat archeologen al in de Steentijd kunnen documenteren, maar er zit een addertje onder het gras: de wensen van de partijen, die verschillende dingen aanleveren en nodig hebben, zijn asymmetrisch. Hoe worden ze het eens over de waarde?

Waardebepaling

Op gezag van een Karthaagse bron geeft Herodotos van Halikarnassos een beschrijving van de handel aan de Afrikaanse westkust.

Eerst halen de Karthagers hun handelswaren van boord en stallen de spullen netjes op het strand uit. Vervolgens gaan ze weer naar hun schip en geven met rook signalen. Als de inboorlingen dat zien, dalen ze naar de kust af en leggen naast de goederen een hoeveelheid goud bij wijze van tegenwaarde neer. Daarna blijven ze op een afstand van de koopwaar staan. De Karthagers komen hierop van boord en bekijken het goud. Wanneer het naar hun idee voldoende is, varen ze ermee naar huis, maar is dit niet het geval, dan klimmen ze weer aan boord en wachten geduldig af tot de inboorlingen meer goud zijn komen brengen. Dat gaat zo door totdat de Karthagers tevreden zijn. Het is een kwestie van wederzijds vertrouwen, want het goud wordt pas gepakt wanneer het de waarde van de goederen lijkt te dekken en de inboorlingen raken de koopwaar niet aan voordat het goud door de anderen is meegenomen. (4.196; vert. Hein van Dolen)

Lees verder “De uitvinding van het geld”