Voor-westerse geschiedenis (12) “cattle culture”

Kastor en Polydeukes komen terug van een veediefstal (Schathuis van Sikyon, Delfi)

Deze reeks over de voor-westerse wereld heet zo omdat ze gaat over de tijd vóór het concept van “het westen” ontstond en omdat ze gaat over de diepere historische structuren en processen – zeg maar aan de omstandigheden die voorafgaan aan de keuzes waarmee individuen geschiedenis maken. Iets minder abstract: deze reeks gaat over een agrarische samenleving. En zoals u weet valt de landbouw uiteen in akkerbouw en veeteelt.

Toen ik onlangs een nog te plaatsen blogje over het jaarritme voorbereidde, realiseerde ik me dat ik het daarin vooral had over de akkerbouw. Herders kwamen alleen in het voor- en najaar aan de orde, als zij de kuddes verplaatsten van een akkerbouwersdorp naar een ongebruikt stuk land en weer terug. Over deze veetelers aan de rand van de samenleving valt wel iets te weten: hoewel het archeologisch bewijs indirect is (textiel, zuivel…), duiken herders regelmatig op in de geschreven bronnen. Naast deze vorm van gemengd bedrijf bestonden er echter ook pure veetelerssamenlevingen, de zogeheten “cattle cultures”, die we eigenlijk alleen kennen door etnografische parallellen.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (12) “cattle culture””

Voor-westerse geschiedenis (11) Oost en West

Zeestromingen (klik=groot)

Dit is niet de plek om u de details van het corioliseffect uit te leggen. U leest het hier maar na. Maar het vormt, afgezien van de wind en de vorm van het land, een deel van de verklaring voor het feit dat het water in de Middellandse Zee tegen de wijzers van de klok beweegt. Omdat er in deze binnenzee meer water verdampt dan er binnenkomt vanuit de Zwarte Zee en de diverse rivieren, vloeit er altijd water binnen door de Straat van Gibraltar. Dat stroomt dan eerst langs de Maghreb en Libië naar Egypte, en keert dan via de Levant, Anatolië, Griekenland en Italië terug naar de Spaanse costa’s. Soortgelijke stromingen zijn er in de Zwarte Zee, in de Kaspische Zee en in de Perzische Golf.

Vanuit Egypte voer een antieke zeeman dus vrij eenvoudig naar Fenicië, maar van Fenicië voer hij minder makkelijk naar Egypte. Hij voer daarom eerst naar Cyprus en daarvandaan naar het zuiden. De lading van het schip dat bij Uluburun verging, verraadt dat het vaartuig een iets grotere cirkel had gemaakt: het was van Griekenland vertrokken, via Kreta overgestoken naar Afrika, daarvandaan op de zeestroom naar Egypte en de Levant gevaren. Aan de zuidkust van Anatolië, op terugvaart naar Griekenland, is het schip gezonken.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (11) Oost en West”

Voor-westerse geschiedenis (10) zeevaart

De bark van koning Khufu

Begin vorig jaar publiceerde ik met classicus Hein van Dolen een vertaling van de fragmenten die we nog hebben van de Fenicische Geschiedenis van Filon van Byblos. Een van die passages, onderdeel van het lange Fragment 2, is een opsomming van uitvindingen waardoor de mens meer mans was geworden. Hier zijn enkele voorbeelden die betrekking hebben op de scheepvaart:

  • Ousoös pakte toen een boom, brak de takken ervan af en waagde zich als allereerste op zee.
  • Een van hen, Chousour, bekwaamde zich in het spreken, bezweren en profeteren. … Hij vond ook vishaak, lokaas, snoer en vlot uit, waarmee hij als eerste mens heeft gezeild.
  • De Tweelingen of Kabeiren, Korybanten of Samothrakiërs waren de uitvinders van het schip.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (10) zeevaart”

Voor-westerse geschiedenis (9) visserij

Vissers bij Basra

Jaren, jaren geleden ben ik eens met drie Griekse vissers, broers, de zee opgegaan om in de vroege ochtend de netten leeg te halen. Hoewel het bootje was voorzien van sonar, had het iets tijdloos. Eeuwenlang zijn mensen in kleine scheepjes de Egeïsche Zee opgegaan, eeuwenlang hebben duikers parels gezocht op de bodem van de Rode Zee en de Perzische Golf, eeuwenlang is gevist in de Zwarte Zee. Nog steeds gebruiken vissers werpnetten, fuiken en hengels – ik blogde er anderhalf jaar geleden eens over. Nog steeds is er werk voor scheepsbouwers en nettenmakers. Natuurlijk zijn er ook allerlei zaken veranderd, maar het is makkelijk voorstelbaar dat een moderne en een antieke Griekse visser elkaar zouden begrijpen als ze spraken over de mogelijkheden en problemen van hun vak.

Problemen

Tot de problemen behoorde dat de diverse bekkens van de Middellandse Zee eigenlijk niet zo geschikt zijn voor de visserij. (Had ik al gezegd dat het verkreukelde Middellandse Zee-gebied het de bewoners lastig maakt?) Wat je als visser het liefste hebt, is een ondiepe zee vol plankton, zoals de Doggersbank, maar de voor-westerse wereld kende die niet. Verder wil je stevig wat doorstroming, zodat het water zich ververst, maar dat is eigenlijk alleen aan de Bosporus en bij Bizerte (Hippo Diarrhytus) het geval. Die zijn dan ook beroemd om de visvangst.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (9) visserij”

Voor-westerse geschiedenis (7) het “image of limited good”

Alles wat kracht kostte, was te herleiden tot spierkracht (Louvre, Parijs)

Toen ik deze reeks “voor-westers” doopte, was dat enerzijds om aan te geven dat het gaat over een wereld die er was vóórdat het idee van West-Europa ontstond en anderzijds omdat ik het heb over iets wat voorafgaat aan de historische gebeurtenissen – noem het de voorwaarden, de factoren of de omstandigheden die het menselijk handelen beperken en beïnvloeden. Er is nog een derde reden om de periode af te bakenen van de algemene geschiedenis van de westerse wereld: het energiebeheer. Simpel geformuleerd was vrijwel alle energie in de voor-westerse wereld te herleiden tot voedsel. En dat is hoogst problematisch.

Onoverkomelijke grenzen

Neem het geval van de boer die meer wil produceren, dus meer land moet bewerken en dus meer zal moeten ploegen. Dat vergt extra energie en die energie zal de boer moeten halen uit zijn voedsel. Hij zou die beperking kunnen oplossen door een rund of dromedaris voor de ploeg te spannen, maar ook dat dier zal eten. Een aanzienlijk deel van wat méér geproduceerd zou kunnen worden, verdwijnt dus in het arbeidsproces.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (7) het “image of limited good””

Voor-westerse geschiedenis (6) herders

Herders in de Zagros

Wie door het Midden-Oosten reist, stuit vroeg of laat onvermijdelijk op herders die hun kuddes verplaatsen van de zomer- naar de winterweiden en terug. Ze trekken daar wat meer de aandacht dan in Griekenland of Italië, hoewel ook daar nog altijd herders zijn die met geiten en runderen heen en weer trekken. In Spanje zijn de cañadas, de wegen waarlangs herders hun kuddes verweidden, niet meer wat ze zijn geweest, en dat geldt ook voor de drailles uit het zuiden van Frankrijk, maar de aloude levenswijze is niet verdwenen. Ik zag vorige maand ergens bij Murcia nog een verkeersbord dat automobilisten attendeerde op grote kuddes.

Ook in onze eigen contreien benutten boeren nog altijd winter- en zomerweides. Ik herinner me uit mijn Veluwse jeugd dat de koeien met vrachtwagens naar Friesland gingen. De winter- en zomerweiden hoeven overigens niet zo ver uit elkaar te liggen: in Zwitserland bestaat Almwirtschaft, waarbij de kuddes van het dal naar – je raadt het nooit – de alm worden verplaatst. En weer terug natuurlijk. Het moge duidelijk zijn: veeteelt beperkt zich niet tot ’n grasveldje met wat prikkeldraad erom.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (6) herders”

Voor-westerse geschiedenis (5) de eerste boeren

Akkerbouw lijkt zo logisch maar was dat in de voor-westerse wereld allerminst. Ik wees er al op dat het landschap in het Midden-Oosten en rond de Middellandse Zee weliswaar heel gevarieerd is maar zelden gastvrij. In een ander blogje vertelde ik dat de regens vallen op het verkeerde moment. Waar bergen zijn – en waar was dat eigenlijk niet? – is weinig ruimte voor akkerbouw. De rivier- en kustvlakten zijn doorgaans klein, als ze niet onleefbaar waren door de eeuwenlang alom aanwezige malaria. Het is logisch dat de akkerbouw doorbrak op de grote vlakte van Mesopotamië, al is dat, zoals we nog zullen zien, niet waar deze activiteit is ontstaan.

De rivieren waren namelijk bepaald niet behulpzaam voor de eerste boeren. De Eufraat en Tigris, gevoed door de in het voorjaar smeltende sneeuw van Armenië, traden namelijk buiten hun oevers op het moment waarop de gewassen ontkiemden. Dat dwong de akkerbouwers in deze regio om dammen, dijken en cisternen te bouwen. De extra inspanning gold blijkbaar als een acceptabele prijs om te betalen voor het jaarlijks afgezette laagje vruchtbare klei, de aanwezigheid van vis en de mogelijkheid van eenvoudig transport.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (5) de eerste boeren”

Voor-westerse geschiedenis (4) flora

Olijfboom

De bovenstaande olijfboom stond een kwart eeuw geleden in Agrigento op Sicilië. Vermoedelijk staat ’ie er nog, want olijfbomen zijn taai. Net als steeneiken, johannesbroodbomen, Aleppo-dennen, acacia’s, ceders, vijgenbomen en andere oer-Mediterrane gewassen. Ze weten zich op harde grond te wortelen en kunnen tegen een stootje. Dat geldt ook voor de palmboom, die oorspronkelijk wat oostelijker groeide, in de eeuwen vóór het begin van onze jaartelling naar het westen oprukte en in de eerste eeuw v.Chr. nog voldoende zeldzaam was om het opschieten van zo’n boom te beschouwen als een voorteken – ik blogde daar al eens over. In de Arabische tijd werd de palmteelt echt serieus groot en de palmboomgaard van het Spaanse stadje Elche, in het westen van de oude wereld, geldt als werelderfgoed.

Van oost naar west

De dadelpalm representeert, om zo te zeggen, de grote flora-beweging in de oude wereld: oosterse gewassen kwamen naar het westen. Westwaarts kwam ook de bananenpalm, die in de zesde eeuw v.Chr. vanuit het Verre Oosten de Indusvallei bereikte en daarvandaan verder naar het westen reisde. De sinaasappelboom en de kersenboom kwamen al langer voor het Nabije Oosten en bereikten eveneens de Mediterrane wereld. Van de laatstgenoemde boom is dankzij Plinius de Oudere bekend dat de Romeinse generaal Lucullus hem rond 70 v.Chr. aantrof in Anatolië en meenam naar Italië, waarna andere Romeinen de kersenboom overbrachten naar Gallië. Net als de wijnrank overigens; de Moezelwijn is een Romeinse innovatie. De Perzen brachten als eersten suikerriet vanuit de Indusvallei naar Khuzestan (volksetymologie: “suikerland”), de hellenistische vorsten exporteerden de plant verder naar het westen, al werd het pas echt wat in de Late Oudheid. Idemdito katoen.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (4) flora”

Voor-westerse geschiedenis (3): klimaat

Windgod (Musée de Mariemont, Morlanwelz)

Mijn vorige blogje in de reeks over de voor-westerse geschiedenis rondde ik af met de constatering dat het landschap het de bewoners niet makkelijk maakt. Overal waren en zijn bergen, die reiken tot aan de zee. Daarop zijn natuurlijk uitzonderingen. De noordkust wordt hier en daar onderbroken door de moerassige gebieden bij riviermondingen. Dat het Romeinse Rijk zich uitbreidde naar Gallië, kwam doordat de Rhône dat noordwetselijke gebied verbond met de Middellandse Zee, maar ook dan nog is die stroom een lange gleuf tussen het Massif Central en de West-Alpen. Eigenlijk ligt het landschap alleen tussen de Nijldelta en Byzacene (in Tunesië) open naar het achterland.

Het opent zich daar echter naar een droge steppe, die verder naar het zuiden plaats maakt voor de woestijn. Dat geldt ook voor Mesopotamië: reis naar het westen of zuiden, en er is woestijn; reis naar de oostelijke bergen, en op de Iraanse Hoogvlakte groeit ook niet al te veel. Hoewel daar langs de schaarse artesische bronnen en oases een Zijderoute zou ontstaan, blokkeert de woestijn feitelijk de weg naar India en Centraal-Eurazië. Wat de vraag oproept waarom er zoveel woestijn ligt.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (3): klimaat”

Voor-westerse geschiedenis (2): landschap

Bergen aan zee bij het Dalmatische eiland Krk

De regio waarover ik in mijn reeks over de voor-westerse geschiedenis wil schrijven, is ruwweg die van het Middellandse Zee-gebied en het Nabije Oosten, met een open oog voor Noordwest-Europa en Centraal-Eurazië. en de gebieden langs de Rode Zee en Nijl. Dat sluit contact met China, India, Zuid-Arabië, Nubië en de Sao– en Nok-culturen overigens niet uit. De kern ligt echter rond de Middellandse Zee en in het Nabije Oosten en het is moeilijk te ontkennen dat dat een rommelig stukje wereld is.

Het komt allemaal door de tektonische platen. De Afrikaanse plaat schuift elk jaar ruim vijf centimeter naar het noorden, terwijl de Arabische plaat zo’n zestien centimeter naar het noorden schuift. Onderling bewegen deze twee platen van elkaar af, waardoor de Grote Rift-vallei is ontstaan: de Rode Zee, de Dode Zee, de Jordaan, de Bekaavallei. De Afrikaanse en de Arabische platen botsen tegen de Euraziatische Plaat, en zo zijn de Atlas, de Pyreneeën, de Alpen, de Taurus en de Zagros ontstaan. Een vooruitgeschoven deel van de Afrikaanse plaat zorgt voor de enorme kreukel die Sicilië heet, en scheidt de Middellandse Zee in twee bassins.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (2): landschap”