Voor-westerse geschiedenis (2): landschap

Bergen aan zee bij het Dalmatische eiland Krk

De regio waarover ik in mijn reeks over de voor-westerse geschiedenis wil schrijven, is ruwweg die van het Middellandse Zee-gebied en het Nabije Oosten, met een open oog voor Noordwest-Europa en Centraal-Eurazië. en de gebieden langs de Rode Zee en Nijl. Dat sluit contact met China, India, Zuid-Arabië, Nubië en de Sao– en Nok-culturen overigens niet uit. De kern ligt echter rond de Middellandse Zee en in het Nabije Oosten en het is moeilijk te ontkennen dat dat een rommelig stukje wereld is.

Het komt allemaal door de tektonische platen. De Afrikaanse plaat schuift elk jaar ruim vijf centimeter naar het noorden, terwijl de Arabische plaat zo’n zestien centimeter naar het noorden schuift. Onderling bewegen deze twee platen van elkaar af, waardoor de Grote Rift-vallei is ontstaan: de Rode Zee, de Dode Zee, de Jordaan, de Bekaavallei. De Afrikaanse en de Arabische platen botsen tegen de Euraziatische Plaat, en zo zijn de Atlas, de Pyreneeën, de Alpen, de Taurus en de Zagros ontstaan. Een vooruitgeschoven deel van de Afrikaanse plaat zorgt voor de enorme kreukel die Sicilië heet, en scheidt de Middellandse Zee in twee bassins.

Lees verder “Voor-westerse geschiedenis (2): landschap”

Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie

Vergelijkingstheorie helpt vaststellen wat deze vier koningen vergelijkbaar maakt.

Vandaag een blogje over een probleem waarmee de oudheidkundige disciplines kampen: de onvoldoende uitgewerkte vergelijkingstheorie. Vóór ik daarop inga, eerst even terug naar vorige week. Toen schreef ik over het historisme: het denkbeeld dat alles een eigen, historisch gevormd karakter heeft. Dit maakt het op het eerste gezicht onmogelijk wetmatige verbanden aan te wijzen. Ik schreef:

Unieke evenementen en volken hebben immers niets gemeenschappelijks waarop zulke wetten gebaseerd kunnen zijn. Negentiende-eeuwse historici zochten bij het verklaren van het verleden dus niet naar algemene patronen, maar lieten zich inspireren door de tekstuitleg, en dan vooral door de psychologiserende hermeneutiek.

Anders geformuleerd, oudheidkundigen probeerden het verleden te verklaren door zich in te leven (ein zu fühlen) in de individuele actoren, wat hand in hand ging met een voorkeur voor grotemannengeschiedenis. Het focus op het individu betekende dat er geen vruchtbare samenwerking kon ontstaan met de in de negentiende eeuw groeiende sociale wetenschappen, die immers zochten naar algemeen-menselijke patronen.

Lees verder “Een oudheidkundig probleem: vergelijkingstheorie”

De Oudheid als eenheid

De Oudheid als eenheid: teksten en archeologische reconstructies bij elkaar

Een opvallend aspect van de bestudering van de Oudheid is haar verdeeldheid. Je hebt allerlei bloedgroepen, waarvan de classici en archeologen het grootst zijn, en die bloedgroepen werken nauwelijks samen. Weliswaar stimuleren subsidieregelingen interdisciplinaire samenwerking, maar zulke prikkels zouden niet nodig zijn als de onderzoekers werkelijk wilden. Ik ben niet op de hoogte van het bestaan van een door de samenwerkende onderzoekscholen opgestelde nota over de vormen van interdisciplinariteit waarvan de samenleving de meeste kenniswinst mag verwachten. De academische reflex om specialisme hoger aan te slaan dan generalisme, zit te diep. Specialisme geldt als normaal.

Voorlichting

En dat terwijl er meer is dat de bloedgroepen verbindt dan scheidt! Om te beginnen de voorlichting. Iedereen die weleens publieksvragen beantwoordt, weet dat mensen inzicht willen in de Oudheid, en geen informatie over de Oudheid met de beperkingen van de materiële cultuur of informatie over de Oudheid vanuit het perspectief van de classicus. In de voorlichting kan niemand zonder informatie uit elke bloedgroep.

Lees verder “De Oudheid als eenheid”

Oudheidkunde is een wetenschap

Dat was grappig. Ik was zondag naar de intocht van Sint-Nikolaas geweest en toen ik thuis kwam lag er voor mijn deur zomaar een doos met daarin vijftien exemplaren van mijn nieuwe boek. Ik verwachtte de auteursexemplaren pas later, dus dit Sinterklaascadeau was een aangename verrassing.

Oudheidkunde is een wetenschap

Oudheidkunde is een wetenschap gaat over dat wat de oudheidkundige wetenschappen maakt tot wetenschappen. Ik sprak erover met een stuk of veertig onderzoekers uit Nederland, België en Duitsland. In het boek leg ik eerst uit dat het tijdperk tussen 3000 v.Chr. en 650 na Chr. een eigen karakter heeft waar het centrale kentheoretische probleem, dataschaarste, als automatisch uit voortvloeit. Ik vertel verder dat de dagelijkse wetenschappelijke praktijk reageert op het heden en dus steeds nieuwe vragen stelt en nieuwe inzichten biedt. In diezelfde dagelijkse praktijk groeit het databestand. Soms spectaculair, al hebben we zelfs dan te weinig data.

Lees verder “Oudheidkunde is een wetenschap”

De visualisering van samenhang

In deze reeks over het handboek van De Blois en Van der Spek, Een kennismaking met de oude wereld, blogde ik tot nu toe vooral over de politieke geschiedenis van het antieke Nabije Oosten. Daarover gaan immers de eerste hoofdstukken, culminerend in de gestage groei naar eenheid tijdens de IJzertijd. Lang leek het alsof Assyrië de wereld zou verenigen, maar na een Babylonisch intermezzo waren het de Perzische koningen Cyrus, Kambyses en Darius die het Nabije Oosten omsmeedden tot één vroege staat. Op dit punt aangekomen onderbreken De Blois en Van der Spek de politieke geschiedenis met drie hoofdstukken over religie, economie en staatsbestuur.

Je kunt dit drietal en het politieke verhaal beschouwen als vier aspecten van het verleden. Of als vier manieren om over geschiedenis te vertellen: politieke geschiedenis, godsdienstgeschiedenis, sociaal-economische geschiedenis, institutionele geschiedenis. Door ze te scheiden, zoals onvermijdelijk is, doe je echter tekort aan hun onderlinge samenhang.

Lees verder “De visualisering van samenhang”

1. De periferie en het centrum

Sculptuur uit Oud-Termez

[Vandaag bestaat de Mainzer Beobachter tien jaar en daarom maak ik een persoonlijke balans op. De trouwe lezers van de blog zullen weinig nieuws tegenkomen, maar het is goed eens te kijken of mijn ambities overeenkomen met de praktijk. Dit is het tweede van twaalf stukjes; het eerste was hier.]

Oud-Termez is ontstaan rond 200 v.Chr., zoveel maakt de archeologie wel duidelijk, maar veel meer weten we niet. Dat de bouwheer een hellenistische koning Demetrios de Onoverwonnene was die de stad naar zichzelf vernoemde, is maar één hypothese over de stichting. De vondsten bieden geen uitsluitsel, al is het plaatselijke museum aardig genoeg: de gebruikelijke collectie aardewerk en munten en ook wat sculptuur. Daaronder is een kapiteel, gedecoreerd met palmetten, guirlandes en een afbeelding van een gespierde, naakte man met over zijn hoofd een leeuwenhuid. Herakles, zou je zeggen.

Termez ligt echter in Baktrië, op de grens van Oezbekistan en Afghanistan, en het kapiteel is gevonden in een boeddhistisch klooster. De makers hebben, toen ze Boeddha wilden afbeelden, gekozen voor een Grieks voorbeeld. Andere vroege Boeddha’s zijn gebaseerd op westerse afbeeldingen van de god Apollo.

Lees verder “1. De periferie en het centrum”

De grenzen van de Oudheid

Ik had een reeks beloofd over handboekkennis. Na die belofte en wat gefantaseer over hoe mijn eigen handboek eruit zou zien, neem ik vandaag de Inleiding ter hand van Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek. De auteurs geven daarin aan dat de Oudheid op zichzelf een boeiend onderdeel van de menselijke geschiedenis is. De Oudheid is gewoon leuk en dat is volgens mij voldoende rechtvaardiging om je ermee bezig te houden. (Vanzelfsprekend geldt dit niet voor de financiering. We willen allemaal wel betaald krijgen om leuke dingen te doen.)

De Oudheid als bakermat

Maar wat is die Oudheid nou? Vrij simpel: de periode tussen pakweg 3000 v.Chr. en 650 à 800 na Chr. Daarvóór hebben we alleen archeologische data, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om echt geschiedenis te schrijven. De Oudheid is de tussenfase: wel bronnen maar onvoldoende. Dataschaarste is hét centrale thema.

De auteurs noemen deze periode “de bakermat van de Europese en islamitische beschavingen” en spreken van

de landen rondom de Middellandse Zee, en in het bijzonder de cultuurcentra van het oude Nabije Oosten enerzijds en de antieke Grieken en Romeinen anderzijds.

Hier zouden zaken zijn ontstaan die de westerse en islamitische culturen bepalen. Bepalen. We zijn in het land van de sociale wetenschappen.

Lees verder “De grenzen van de Oudheid”

Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (1)

Klassieke façade, maar de structuur is gewoon staalbouw

Een van de vaste gasten op deze blog, Martin, stelde onlangs verontwaardigd de vraag hoe mensen toch konden denken iets van de westerse cultuur te begrijpen zonder kennis van de klassieke Oudheid. En hij voegde toe dat er onder het mom van het postmoderne een hoop slechte educatie en een hoop oppervlakkig gewauwel schuilgaat.

Ik houd van dit soort opmerkingen omdat het uiteindelijk gaat om wat je met een concept bedoelt: Oudheid, klassiek, postmodern.

Oudheid

Eerst maar even of we kunnen zonder kennis van de Oudheid. Daar kunnen we kort over zijn: je kunt prima zonder. Het idee dat de Mediterrane wereld vóór pakweg 500 na Chr. belangrijk voor ons zou zijn, is gewoon kant en klare kullekoek. Het zou belangrijk zijn als er destijds iets zou zijn ontstaan dat ons nu nog bewijsbaar beïnvloedt. Voor je zoiets kunt beweren, moet je vier dingen bepalen. Ik behandelde ze ook in Vergeten erfenis en Xerxes in Griekenland.

Lees verder “Hoe belangrijk is die Oudheid nou? (1)”

Nepklassieken

Zoals de trouwe lezers van deze blog weten, was ik dit voorjaar in Albanië en omdat we de reis eindigden in het uiterste zuiden van dat wonderschone land, was het eenvoudiger terug te vliegen vanaf Korfu dan vanuit Tirana. Op de luchthaven zag ik bovenstaande kalender. Die is fout op zó veel manieren.

Om te beginnen de selectie, waaraan vrouwen ontbreken, terwijl een Sapfo toch niet de geringste bewoner der Parnassos is geweest. “Maar we hebben van haar slechts enkele gedichten en fragmenten!” zou de kalendermaker kunnen tegenwerpen, en dat is waar. Maar weet u, van Sokrates hebben we helemaal niets, zelfs geen fragmenten, en die krijgt wel een plek. “Maar Sokrates had enorme invloed!” Ja, maar als invloed het criterium is, dan moet je toch eerder Sapfo opstellen dan Pindaros. Ik zou dan ook een Archimedes hebben verwacht. Je zou bovendien kunnen denken aan de evangelisten, de meest gelezen en vaakst vertaalde Griekse auteurs aller tijden.

Lees verder “Nepklassieken”

Romeinse klimaatcrises

De ondergang van het Romeinse Rijk vormt welhaast een eigen literair genre. Steeds herkent een auteur in de Late Oudheid een bezorgdheid uit zijn eigen tijd en dist hij daarover een dramatisch verhaal op. Dat kruidt hij vervolgens met wat citaten van Edward Gibbon, wiens Decline and Fall (1776-1788) het beroemdste voorbeeld is van dit genre. Tot slot serveert de auteur het resultaat met een saus van apocalyptiek, want de tijdgenoten mochten de waarschuwing toch eens missen.

Het kan niet mislukken. De oudheidkundige beschikt immers over weinig bronnen – laten we zeggen twee boekenkasten vol literaire teksten en drie kasten inscripties en papyri – terwijl het archeologisch materiaal vaak ambigu is. In de Late Oudheid is het nóg minder: vooral bronnen over het christendom; weinig inscripties, munten of papyri; een afname van de archeologische vondsten. Dat is jammer, want hoe schaarser de data, hoe makkelijker ze in elke gewenste richting zijn te redeneren. De transitie van Oudheid naar Middeleeuwen heeft bovendien lang geduurd, zodat er altijd wel een periode is waarin de auteur zijn bezorgdheid ziet weerspiegeld.

Lees verder “Romeinse klimaatcrises”