Een beker van fluoriet

Beker van fluoriet (British Museum, Londen)

Sommige mineralen kunnen, als ik het goed begrijp, energie opnemen als er ultraviolet licht op valt en dat weer uitstralen. Dit betekent dat ze soms licht lijken te geven. Dat noemen we fluorescentie. Een van die mineralen staat bekend als fluoriet ofwel vloeispaat ofwel calciumfluoride.

Dat kun je natuurlijk gebruiken om een mooie beker van te maken, al heb je daarvoor wel een voldoende groot stuk gesteente nodig. Het helpt niet dat het spul soms wat breekbaar is. Niettemin: in het huidige Iran vond men zulke brokken en daar maakte men dus bekers van. De Romeinse elite was er maar wat blij mee. Volgens de Romeinse encyclopedist Plinius de Oudere betaalde keizer Nero ooit een miljoen sestertiën voor zo’n beker; ik schreef er hier al eens over. Ik meen dat dat het jaarinkomen van een senator was, maar ik zit in de trein en ga het nu niet controleren. In elk geval: veel geld. Heel veel geld.

Ik lees dat men het broze materiaal graag wat verstevigde door er verwarmd hars langs te strijken, bijvoorbeeld van de cipres of de Libanese ceder. In feite drong (als ik het goed begrijp) zo een soort lijm door in de poriën van het gesteente. Het voordeel was dat alle wijn zo automatisch ging smaken als retsina.

Bovenstaande beker van fluoriet komt uit de collectie van het British Museum in Londen, dateert uit de tweede helft van de eerste eeuw n.Chr., lijkt gemaakt in Cilicië en was onlangs te zien in het Gallo-Romeins Museum in Tongeren.

[Dit was het 419e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

2 gedachtes over “Een beker van fluoriet

  1. FrankB

    “Dit betekent dat ze soms licht lijken te geven.”
    Effe zeuren: dit lijkt niet zo, ze geven daadwerkelijk licht. Er is geen sprake van gezichtsbedrog of zo. TL-buizen en spaarlampen maken ook gebruik van fluorescentie. Fluoriet is een bona fide directe lichtbron.
    Ik zou zo’n beker ook wel in huis willen hebben.

  2. “Ik meen dat dat het jaarinkomen van een senator was, maar ik zit in de trein en ga het nu niet controleren.”

    Nee, dat was het minimum aan vermogen dat men nodig had om senator te mogen worden.
    Schiedel en Friesen schatten dat de gemiddelde senator een vermogen van 95 miljoen sestertiën bezaten en ‘slechts’ een jaarlijks inkomen van 300.000 sestertiën binnenharkten.
    In hun schatting besloegen senatoren 1.7% van de bevolking en bezaten ze 20% van het vermogen.

Reacties zijn gesloten.