Klassieke literatuur (7a): Plinius de Oudere

Portret van een Romein uit de tijd van Plinius de Oudere (Louvre, Parijs)

[Bij mijn mail zat een tijdje geleden de vraag welke klassieke teksten en vertalingen ik mensen zou aanraden. In deze onregelmatig verschijnende reeks zal ik een persoonlijk antwoord geven, waarbij leesplezier voorop staat. Wie zich er echt in wil verdiepen, kan het beste aan een universiteit bij een cursus aanschuiven, zoals deze. Voor de Latijnse literatuur is er Piet Gerbrandy’s Het feest van Saturnus. Voor de Griekse en christelijke literatuur is zo’n boek er niet. Vandaag behandel ik de antieke wetenschappelijke literatuur.]

Wie begint met de lectuur van antiek wetenschappelijk proza, loopt tegen een dijk van een probleem aan. Wij weten meer dan de oude Grieken en Romeinen. Dat is ook logisch, want wetenschappers bouwen in principe voort op hun voorgangers, corrigeren hun fouten en bouwen het corpus van betrouwbare informatie geleidelijk uit. De huidige problemen – het corpus is te groot, mensen moeten selecteren en zijn manipuleerbaar voor desinformatie, wetenschappers die onvoldoende weten wat ze niet weten – doen er niet aan af dat we nu meer weten dan in de Oudheid en verder zien dan de reuzen op wier schouders we staan, zodat ons oog meteen valt op hun vergissingen.

Neem de encyclopedie van Plinius de Oudere, in het Nederlands vertaald onder de titel De wereld. De man had de ambitie een overzicht te geven van alle beschikbare informatie. Hij vat eindeloos veel zijns inziens nuttige Griekse auteurs samen in zijn eigen taal, het Latijn. Dat levert een thematisch geordende tekst op waar mensen nog eeuwenlang profijt van hebben gehad – ja, de hedendaagse bestudering van de klassieke kunst is nog altijd ondenkbaar zonder de laatste delen van Plinius’ encyclopedie.

Er gebeurt hier echter meer dan alleen informatieoverdracht: Plinius maakt Romeins wat Grieks was. Achter deze culturele toe-eigening zit de cultuurvisie dat Romeinen en Grieken deelgenoten waren van dezelfde cultuur. Eén klassieke beschaving, gedragen door twee volken. De toenadering kwam van beide kanten: één generatie later schreef de Griek Ploutarchos dubbelbiografieën waarin hij Grieken en Romeinen als gelijkwaardig presenteerde, weer een generatie later presenteerde de Griekse auteur Arrianus de Romeinen als “wij”.

Plinius biedt leuke informatie en vaak denk je dat het wel klopt. Ik heb al eens geblogd over zijn beschrijving van de terpen en wierden, die hij zelf had gezien. Als hij het heeft over de ganzen die vanuit Picardië naar Rome worden gebracht, en als hij heeft verteld hoe de kooplieden de snelste ganzen steeds achteraan plaatsen opdat ze de tragere naar voren duwen, is zijn commentaar dat het wonderlijk is dat dieren die toch vleugels hebben naar Rome komen lopen. Dit zal ook wel kloppen: hij heeft dit werkelijk gezien, vermoed ik.

Om de waarheid van een bewering vast te stellen, beroept Plinius zich, als hij het niet zelf heeft gezien, op erkende autoriteiten. Althans dat zegt hij, maar hij blijft kritisch. Zowel de door de Romeinen hoog aangeslagen Cicero als de even gezaghebbende Varro meenden dat er een man had bestaan die een schip kon zien op 135 mijl afstand, maar Plinius gelooft er niets van. Hij is dus kritischer dan hij zelf zegt.

Voorbeeldig is ook Plinius’ behandeling van twijfelgevallen. Hij denkt dat er mensen zijn die 130 jaar oud kunnen worden en kent een voorbeeld uit Bologna. Kritische geest die hij is, twijfelt hij echter ook en anticipeert hij op scepsis: hij stelt de argwanende lezer en zichzelf gerust door te vertellen dat het was bewezen door ’s mans belastingaangifte.

Ik heb erom gelachen, natuurlijk, maar we zien hier een serieuze man aan het werk, iemand die je geloven wil: autopsie, zoeken naar goede autoriteiten maar niet alles geloven, extra bewijs waar hij zelf ook aarzelt.

En toch weet Plinius ook dat een bevalling makkelijker verloopt als de vader zijn gordel losmaakt en bij de vrouw om de buik bindt. Ook vermeldt hij ergens – met droge ogen, zo te zien – mensen met hondenkoppen. Al zijn kritische zin ten spijt is dit natuurlijk kul.

De crux is dat in zijn tijd – hij overleed in het jaar 79 n.Chr. toen hij te dicht bij de uitbarstende Vesuvius kwam – systematisch onderzoek zeldzaam was en ook heel kritische mensen niet goed wisten welke zaken in strijd waren met de natuurwetten. Daardoor behoorden wonderen tot het normale repertoire. Plinius wilde kritisch zijn, maar miste domweg de middelen die wij hebben om een en ander te toetsen.

Moet u dit lezen? Ja, ja en nog eens ja. Is het niet de Nederlandse vertaling, neem dan de Engelse Penguin-versie. Ze zijn beide incompleet, maar álle boeken lezen, inclusief de eindeloze opsommingen van plaatsnamen aan het begin, daar zou ik niet aan beginnen. Dat is teveel van het goede. Al bieden juist die boeken een mooi beeld van de ambitie van Plinius in woorden de hele wereld te vangen.

18 gedachtes over “Klassieke literatuur (7a): Plinius de Oudere

  1. FrankB

    “Ik heb erom gelachen, natuurlijk”
    Ik niet. Onlangs las ik over een dame die in de jaren 1930 de plaats van haar overleden moeder had ingenomen en zo in de jaren 1990 de status van oudste mens ter wereld bereikte. Dat moet in de Oudheid nog veel gemakkelijker zijn geweest.

    “ook heel kritische mensen niet goed wisten welke zaken in strijd waren met de natuurwetten”
    Dat weten we nog steeds niet en dat zullen we wel nooit weten ook. Ja, mensen met hondekoppen, daar trapt niemand meer in. Maar er zijn nog allerlei natuurwetten die we niet hebben opgespoord.

    “loopt tegen een dijk van een probleem aan”
    Wat is het probleem nou eigenlijk? Onze neiging neer te kijken op de domheid van toen? Dat zegt vooral iets over onszelf – onze eigen domheid.

    1. jan kroeze

      @frankb: mee eens,ook nu worden mensen ouder dan ze zijn door fraude, denk aan japanners.
      Over die natuurwetten: precies geformuleerd.
      Over domheid: het is meestal subjectief, lastig te definieren.

    2. Roger van Bever

      Inderdaad, iemand heeft ooit gezegd dat we niet intelligent genoeg zijn om onze eigen domheid te begrijpen! Matthijs van Boxel houdt zich al decennia bezig met het bestuderen van de domheid. Zijn Encyclopedie van de domheid is een buitengewoon boek. Denk verder aan Yomanda, Klazina uit Zalk, Ratelband, enz.
      Een auteur die de domheid goed in beeld heeft gebracht is Gustave Flaubert met zijn roman ‘Bouvard et Pécuchet’. Ook in ‘Madame Bovary’ brengt hij de domheid op een ironische manier in beeld. Er is zelfs een term voor bedacht: het ‘bovarysme’.

  2. jacob krekel

    Ik neem aan dat het probleem is dat we onvoldoende appreciëren wat men in de oudheid geestelijk tot stand heeft gebracht. Dat hoeft helemaal niet. Ik ben een boek aan het lezen van Carlo Rovelli, over kwantumzwaartekracht – een vrij nieuw en totaal onbegrijpbaar concept – en die grijpt telkens terug op denkers uit de oudheid. Hij heeft zelfs een monografie over Anaximander geschreven. Dus dit probleem valt misschien wel mee.
    Ik vroeg me af of het hele werk van Plinius de strijd om prioriteit bij het copiëren heeft gewonnen, maw of dat nu nog beschikbaar is. Als dat zo is, dan moeten mensen het de moeite van het copiëren waard hebben gevonden, en dat kan alleen als hij geen zonderling was, maar als er een brede maatschappelijke belangstelling voor zo’n overzicht van alle kennis bestond, en dat niet alleen als modegril in een bepaalde tijd.

    1. Anna Minis

      U bedoelt wrsch. ”Reality is not what it seems” door Carlo Rovelli. Ik heb het doorgebladerd en ga het zeker lezen.
      Mijn oog viel op ”Parmenides had explored an avenue to truth via pure reason alone (…) (p.13). Hierover wordt door met name Peter Kingsley anders gedacht. Eigenlijk had Rovelli de recente interpretaties van de Presocratici eens kunnen doornemen, of hij heeft dat gedaan, want in zijn boek over Anaximander zegt hij het te betreuren dat de interpretaties de mystieke kant op gaan (als ik mij goed herinner). Het boek van Maria Sassi geeft een prachtig overzicht.
      Hoe dan ook, mystiek of rationeel, de denkkracht van de Presocratici verdient respect. In de Oudheid was men niet dom, of naief, of onwetend.

      1. Roger van Bever

        Helemaal mee eens! Domheid is van alle tijden! M.i. moet domheid afgemeten worden aan de bestaande kennis op dat moment.

    2. FrankB

      “die grijpt telkens terug op denkers uit de oudheid”
      Dat verbaast mij niet erg, want ook kwantumzwaartekracht is een poging vragen te beantwoorden die slimmeriken destijds al stelden. Die vragen zijn dan ook niet echt veranderd sinds toen.

  3. jacob krekel

    Ik bedoel La Realtà non è como ci appare: la struttura elementare……, waarvan ik een Nederlandse vertaling heb en u kennelijk een Engelse. Het gaat er mij niet om of zijn weergave van Democritos, Parmenides etc juist is, het ging er mij alleen om op te merken dat ook een moderne natuurkundige heel goed zijn respect voor antieke denkers kan verwoorden, zodat die “dijk van een probleem” wel meevalt.
    Er zijn vast wel mensen die ook weer anders denken dan Kingsley, stel je voor dat er maar twee opvattingen waren, dat zou toch de dood in de pot zijn.

    1. Anna Minis

      Zeker, juist over de Presocratici zijn er veel verschillende opvattingen. Maar toch gaat het m.i. niet aan om de verschillen te negeren. Vooral niet over zo’n belangrijk punt.
      Maar goed, dat boek van Rovelli gaat niet over wat de viri docti zeggen over de Presocratici, daar heeft u gelijk in.

  4. Dirk

    Voor de Griekse literatuur kan je al een eindje op weg met “Muze, zeg me…” (Patrick Lateur, Davidsfonds, 1993).

  5. Anna Minis

    Ook Ilja Leonard Pfeijffer “”De Antieken, een korte literatuurgeschiedenis” (De Arbeiderspers 2000) (Griekse en Latijnse lit.) is een goed boek. Misschien niet meer te krijgen.

    1. Roger van Bever

      Jawel, het is nog te verkrijgen bij bol.com digitaal voor 7,99 euro en tweedehands als papieren boek.

  6. Roger van Bever

    Bedankt voor de tips, Jona. Gerbrandy vind ik het meest interessant, omdat hij zijn persoonlijke ervaringen met de klassieke literatuur goed en duidelijk laat doorklinken. Het doet mij ook een beetje denken aan de eigenzinnige ‘Geschiedenis van de Russische literatuur’ van Karel van het Reve!

    Tijdens mijn humanioratijd heb ik de twee Prismadeeltjes van Van Ijzeren stuk gelezen en ik heb ze nog steeds. (Ijzeren, Dr. J. van : Geschiedenis de Klassieke literatuur – Prisma 329-330)
    Die zul je ook wel kennen. Voor zover ik mij herinner was het meer een opsomming net zoals trouwens het boek van G. J. M. Bartelink. Ik vind beide boeken niet slecht, maar te veel ‘opsommerig’ (als dat woord bestaat). Wat vind jij van deze boeken?

    ja, de hedendaagse bestudering van de klassieke kunst is nog altijd ondenkbaar zonder de laatste delen van Plinius’ encyclopedie.

    Ik ben het eens dat Plinius’ werk een encyclopedie genoemd mag worden, zeker in die tijd. Een interessant probleem is hoe de opvattingen over encyclopedieën in de loop der tijden gewijzigd zijn: hierbij een link naar een recent symposiumverslag hierover met de opvattingen over ‘l’encyclopédisme’ vanaf de oudheid tot nu (PDF-downloadbaar). Misschien vind je dit leuk?

  7. Pauline Montfoort

    “Ook vermeldt hij ergens – met droge ogen, zo te zien – mensen met hondenkoppen.”

    Ik leerde dat in de Griekse oudheid hondenkop een scheldwoord was, Kυνώπιδος: hondogige of schaamteloze. Zou Plinius dat overdrachtelijk bedoeld kunnen hebben?

    De uitdrukking is me bijgebleven omdat Helena, de allermooiste aller vrouwen, dat van zichzelf zegt in de Odysseia (4.145). Ik vond het zo’n typisch vrouwelijk trekje.;-)

  8. Harm-Jan

    Nee, dat bedoelt Plinius niet, want hij noemt een volk ‘caninis capitibus’ (6.195) ‘met hondenkoppen’. Overigens komen zulke wezens al voor bij Herodotus en Aeschylus, en elders, bijvoorbeeld blaffende diermensen in India bij de historicus Ktesias.

Reacties zijn gesloten.