De verloren zoon

De peulen van een Johannesbroodboom

Omdat het Vaderdag is, leek het me aardig in mijn reeks over het Nieuwe Testament een stukje over vaderschap te plaatsen. Vandaar: Lukas 15.11-32 ofwel de parabel van de Verloren Zoon, die helemaal niet gaat over een kind dat niet wil deugen. Hier is ’ie, in de vorig jaar aangepaste Nieuwe Bijbelvertaling.

Iemand had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader, geef mij het deel van uw bezit waarop ik recht heb.” De vader verdeelde zijn vermogen onder hen. Na enkele dagen verzilverde de jongste zoon zijn bezit …

Zie ik het goed, dan is de pointe niet het vragen van de erfenis. De economische eenheid was en bleef dezelfde: de familie. Het deed er weinig toe wie wat bewerkte. Als er bijvoorbeeld één trekdier was, kon iedereen er gebruik van maken, ongeacht wie welke akker in gebruik had dan wel bezat. De angel zit in het verzilveren. De jongste zoon breekt de economische eenheid op. Hij breekt met zijn familie en bracht schande over zijn dorp. En niet zo’n beetje ook.

… en reisde af naar een ver land, waar hij een losbandig leven leidde en zijn vermogen verkwistte. Toen hij alles had uitgegeven, werd dat land getroffen door een zware hongersnood, en begon hij gebrek te lijden. Hij trok eropuit en verhuurde zich aan een van de inwoners van dat land, die hem op het veld zijn varkens liet hoeden.

De verloren zoon heeft al het land van Israël verlaten en daalt nog verder af. Als herder plaatst hij zich – in meer dan één betekenis – aan de marge van de antieke wereld. Meer dan dat: als varkenshoeder laat hij zich in met onreine dieren. Hij heeft zich buiten het Verbond geplaatst.

Hij had graag zijn maag willen vullen met de peulen die de varkens te eten kregen, maar niemand gaf ze hem.

Wat hier als “peul” wordt vertaald, het Griekse woord κεράτιον, verwijst naar de peulen van de Johannesbroodboon (zie de foto hierboven). De schillen waren een gangbaar voedsel voor dieren.

Toen kwam hij tot zichzelf en dacht: De dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed, en ik kom hier om van de honger.

Slavernij was in de Oudheid een normaal verschijnsel. Het  was mensonterend als je werd veroordeeld tot slavernij in een steengroeve of werd ingezet bij de fosforwinning. Maar de slaven op een boerderij behoorden bij wat Otto Brunner aanduidde als “das ganze Haus” (familia). De meester had een zorgplicht. De echte pechvogels waren de dagloners, die aanvullend werk deden. Ze moesten maar hopen dat iemand ze voor een dag in dienst nam. Zo niet, dan was er niemand die voor ze zorgde. En zelfs de dagloners in dienst van de vader van de verloren zoon waren beter af.

Ik zal naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegen u, ik ben het niet meer waard uw zoon genoemd te worden; behandel mij als een van uw dagloners.”

Dit is de eerste keer dat ik een omissie constateer in de toelichting die de NBV21 biedt. Meestal staan parallelpassages aangegeven maar hier hebben de samenstellers er een gemist of vergeten. De verloren zoon zegt hier hetzelfde als de farao, die tegenover Mozes erkent: “Ik heb gezondigd tegen de Heer, uw god, en tegen u” (Exodus 10.16). Aangezien de farao later op zijn bekentenis terug kwam en met strijdwagens en al de Hebreeën achterna ging, impliceert Lukas hier dat het berouw van de verloren zoon niet oprecht is.

En nu wordt het spannend.