
Dat opgravers in het verleden nogal driest te werk zijn gegaan, met goede of kwade bedoelingen, is algemeen bekend. Van de andere kant: we mogen opgravers en exposanten uit het verleden niet zomaar beoordelen aan de hand van de huidige inzichten. Toen ik vorige maand Sevilla bezocht, stuitte ik op een interessant voorbeeld.
Italica
De bron van alle oudheidkundige moois dat is opgegraven en vertoond in Sevilla, is Italica. Die voormalige Romeinse stad ligt zo’n tien kilometer noordwestwaarts, in het huidige plaatsje Santiponce. Het was de vermoedelijke geboorteplaats van de Romeinse keizer Trajanus en misschien ook van zijn opvolger Hadrianus. In de derde eeuw raakte Italica in verval, mogelijk doordat de Guadalquivir zijn loop verlegde.
De site was als dusdanig bekend bij geschiedkundigen en andere intellectuelen, zoals de reisauteurs Henry Swinburne (Travels through Spain in the years 1775 and 1776) en Richard Ford (A Handbook for Travellers in Spain – 1855). Zij beschreven en illustreerden hun bevindingen ter plekke, waarbij ze hun wanhoop uitdrukten over de verwaarlozing van zo’n belangrijke historische site. Het ging verder dan dat: in 1740 gaf de stad Sevilla opdracht tot de sloop van de muren van het amfitheater om een dam op de Guadalquivir te bouwen, en in 1796 werden stukken van de oude stad gebruikt voor de aanleg van de nieuwe Camino Real de Extremadura.
De eerste opgravingen
Opgravingen waren al eens van start gegaan in 1781. Ze werden echter zelden volgehouden en gebeurden niet volgens de huidige regels van de kunst. Napoleon zorgde eventjes voor een beter beheer, zoals hij overal waar hij kwam een sterke administratie doorvoerde. Mogelijk was zijn bewondering voor het Romeinse Rijk een motivatie – het behoud van kerkelijke kunst was hem minder een zorg. De eerste beschermingswet voor de site werd in 1810 van kracht, waarbij de oude naam Italica werd hersteld en een jaarlijks budget werd toegewezen voor regelmatige opgravingen.

Toen zijn oudere broer Joseph Bonaparte in 1813 Spanje werd uitgedreven, verdween de bescherming van Italica echter met hem. De Britse textielhandelaar en amateur-opgraver Nathan Wetherell, die destijds in Sevilla woonde, ontdekte in de jaren 1820 in de buurt van Italica een tiental Romeinse inscripties die hij schonk aan het British Museum. In 1839-1840 was er een korte heropleving onder leiding van de archeoloog Ibo de la Cortina y Roprto. Aan het einde van de negentiende eeuw werden de werkzaamheden flink hervat, ditmaal onder auspiciën van Rodrigo Amador de los Rios. Het was in die periode dat de (anti-)heldin van mijn verhaal haar opwachting maakte: de Gravin van Lebrija, die zich toen nog gewoon Regla Manjón liet noemen.
De gravin van Lebrija
María Regla Manjón y Mergelina werd in 1851 geboren te Sanlúcar nabij Cadíz, in een familie van landeigenaren en wijnboeren. Haar vader was Pedro Manjón y Fernández de Valdespino, een vooraanstaand nationaal politicus. In 1895 trouwde ze – dan al 44 – met de zeven jaar oudere Federico Sánchez Bedoya, een gefortuneerde notabele uit haar eigen streek. Het paar verhuisde naar Sevilla. Drie jaar later overleed hij.
Kinderloos gebleven, wijdde zij zich aan de kunst en de filantropie. Ze werd voorzitter van het vondelingenhuis en gaf grote sommen uit aan de strijd tegen tuberculose. Toen ook haar moeder stierf, kreeg het ganse familiefortuin ter beschikking. In 1901 verwierf ze het huidige naar haar genoemde paleis, een huis in de Calle de Cuna. Over haar handelen in de kwestie Italica heb ik twee verschillende bronnen, met een sterk uiteenlopende visie.

Toen ik afgelopen woensdag het Palacio de Condesa Lebrija bezocht, in de wetenschap dat daar mozaïeken uit Italica lagen, was mijn eerste idee bij de aanblik van de formidabele vloeren: roofkunst! Die boze gedachte werd meteen bijgesteld door de uitstekende gids van de stichting die het paleis uitbaat. Het verhaal van die gids wilde dat de boeren op hun landerijen rondom Italica de bodem afgroeven op zoek naar betere grond en daarbij stootten op de mozaïekvloeren, die ze dan maar aan stukken sloegen. De gravin, die bekendstond om haar zorg voor lokale kunst, werd hiervan verwittigd. Zij liet de vloeren verslepen naar een aanbouw aan haar woning, die ze zo liet ontwerpen dat de vloeren erin pasten.
***
Deze gastbijdrage van Dieter Verhofstadt wordt straks vervolgd. Dank je wel Dieter!
Zelfde tijdvak
Fort Batticeaugustus 15, 2019
Monet in Amsterdam (1)april 14, 2018
Gustave Flaubert in de Libanonoktober 1, 2024

“.. was mijn eerste idee bij de aanblik van de formidabele vloeren: roofkunst”
Waarom? Als je lokale vondsten niet eens meer lokaal mag tentoonstellen, moeten we dan alle musea maar gaan afbreken als de stukken niet in situ tentoongesteld worden?
OK, never mind, in deel II lees ik de reden van de gedachte 😉