
[Het tweede deel van Dieter Verhofstadts artikel over de Romeinse stad Italica, in Andalusië, en de Gravin van Lebrija. Het eerste deel was hier.]
Deze blog over Romeinse kunst in Europa heeft een andere kijk op de rol van de Gravin van Lebrija bij de opgraving van Italica. Als invloedrijke intellectuele kunstminner was ze maar al te goed op de hoogte van het belang van de oude Romeinse stad. Toen de opgravingen tegen het einde van de negentiende eeuw werden geïntensiveerd en de prachtige mozaïekvloeren werden blootgelegd, kocht zij enkele bewakers om, zodat ze een aantal naar haar woning kon verplaatsen. De verantwoordelijke voor de site, de archeoloog De los Ríos, confronteerde de gravin met wat hij als diefstal beschouwde en probeerde haar ertoe te bewegen de mozaïeken terug te geven. In plaats van zijn eis in te willigen, dreigde ze ermee hem te laten ontzetten uit zijn opdracht.
Vrouw in een mannenwereld
Deze versie, waarvan ik geen andere, laat staan officiële of wetenschappelijke, bron terugvind, geeft niet alleen een andere toedracht over de beweegredenen van de gravin, maar weerlegt de algemene teneur in de levensverhalen die men bij de stichting en op de -pedia’s vindt, namelijk dat het voor een vrouw in de negentiende eeuw zeer ongebruikelijk was om invloed uit te oefenen op het publieke leven en dat zij voortdurend moest optornen tegen de door mannen gedomineerde wereld van kunst, wetenschap en politiek. Dat zij een officieel aangestelde, mannelijke wetenschapper zomaar kon afdreigen, past niet in dat plaatje.
Hoewel ik geneigd ben de kwalijke versie te geloven, strookt die ook niet zo goed met het vervolg van haar activiteiten, die wel geofficialiseerd zijn: terwijl ze haar paleis liet afwerken met niet alleen Romeinse vloeren maar ook allerlei andere kunsthistorische voorwerpen, stelde ze het continu open voor onderzoekers die de collectie wilden bestuderen. Hiervoor kreeg ze in 1918 een oorkonde van de Koninklijke Academie der Schone Kunsten van Sevilla. In 1920 betuigde die van Madrid haar dezelfde eer en vanaf 1922 was ze lid van de Commissie voor Historische en Artistieke Monumenten van de provincie Sevilla. Voordien, in 1912, werd ze voornamelijk omwille van haar filantropie door de koning van Spanje in de adel opgenomen, met de voor de gelegenheid heropgeviste titel van Gravin van Lebrija. Ze stierf in 1938 en liet in haar testament minutieus opnemen hoe haar materiële erfgoed beheerd moest worden.
Italica nu
Bij koninklijk besluit van 1912 werd Italica uitgeroepen tot Nationaal Monument, wat mogelijk een antwoord was van de tegenkrachten uit de academische wereld op de eigengereide inspanningen van de Condesa. Toch werden pas in 2001 de archeologische vindplaats van Italica en de beschermingsgebieden duidelijk afgebakend.

Ik bezocht de site een dag na het paleis van Lebrija. Tot mijn verbazing was de toegang gratis. Het is een grote site die althans tijdens de bezoekuren goed bewaakt wordt: één voet op een historische steen en daar klinkt al een fluitje. Toch is de plek makkelijk te betreden vanaf de omringende velden. De mozaïekvloeren zijn bovendien permanent blootgesteld aan weer en wind. Dat pleit dan weer voor de operatie van de gravin. Slechts een klein deel van de stad is overigens opgegraven: het amfitheater, de thermen van Hadrianus, een huizencomplex met aanliggende tabernae en een tempel gewijd aan Trajanus. Pal in het centrum van Santiponce ligt nog een theater, dat niet te bezoeken viel en van buitenaf bekeken ook niet zo goed onderhouden lijkt. Tussen die twee sites in liggen de straten van de stad en daaronder bevindt zich dus nog allerlei, veilig opgeborgen voor de eeuwig verbeterende archeologische technieken. De voorwerpen zijn grotendeels in verzekerde bewaring gebracht in het archeologisch museum van Sevilla, dat helaas vorige week dicht was voor renovatie en dat nog een tijdje zal zijn.
De site is beschreven op Livius.org, dus laat ik vooral daar naar verwijzen in plaats mijn dilettantenlicht te laten schijnen over Italica, het amfitheater, het theater, de museumstukken, het huis van Neptunus, het huis van de vogels en het huis van de planeten.
De gravin van Lebrija: wat nu?
Wat ik nu moet denken over de gravin en bij uitbreiding het tentoonstellen van kunst buiten de oorspronkelijke context, is in flux. Bekeken vanuit haar tijdsgeest, zo ik dat al kan, ben ik geneigd haar het voordeel van de twijfel te geven. Achteraf, nu Italica een beschermde site is maar vele katholieke kloosters verwoest zijn, is het al te simpel haar voor de ontheemde Romeinse restanten te verketteren en inzake de katholieke relieken te bewieroken. Het is mogelijk dat zij toen geen vertrouwen had in de afloop van de publiek georganiseerde opgravingen, gezien de zeer volatiele bescherming die de staat bood aan erfgoed, en een zekerder toekomst zag voor de mozaïeken in haar private bewaring. Zij leefde kort na de Napoleontische tijd, waarin er meer sympathie was voor het oude Rome dan voor de Kerk. Misschien was zij lucide genoeg om te beseffen dat de tijdsgeest zomaar kon omslaan: haar patronaat maakte geen onderscheid tussen culturele of religieuze strekkingen.

Waarschijnlijk was de bewaarengel in haar niet gespeend van bezitsdrang, maar opnieuw kan dat deel uitgemaakt hebben van de visie dat “noblesse oblige”. Vandaag is de tijdsgeest er een waar persoonlijk mecenaat schever bekeken wordt dan subsidiëring. Wij vertrouwen de staat ons patrimonium toe en willen dat het publiek daarvan kan genieten tegen een kleine bijdrage . Toch zien we dat aan dat vertrouwen tegenwoordig geknaagd wordt: als de wetenschap ervoor pleit zoveel mogelijk onder de grond te laten zitten, of in een andere context de natuur terug te geven aan de natuur en de wandelaar te verbieden de kwetsbare natuur te betreden, zal de sympathie van vele kunst- en andere liefhebbers uitgaan naar (private) instellingen die het publieke goed toch naar het publiek doen terugvloeien in plaats van naar een onpersoonlijke belanghebbende.
Literatuur
In 2023 verscheen het boek ‘Regla Manjón Mergelina, de gravin van Lebrija. Kunst, filantropie en macht in Sevilla (1851-1938)‘, door María Mercedes Fernández Martín en Magdalena Illán Martín. De titel doet een evenwichtige behandeling van het onderwerp vermoeden. Op ResearchGate vond ik een positieve recensie door Aurora Gordo Martins van de Universiteit van Sevilla, die me echter weinig bijbracht. Martins schreef ook al over het museum zelf. Die tekst heb ik opgevraagd bij ResearchGate – niet alles zit achter een betaalmuur. De biografie lezen zal er vermoedelijk niet van komen, of ik zou een mecenas moeten vinden die mij alle tijd geeft van de wereldgeschiedenis.

Mina Kruseman
Sint-Charbel
Zamzam
“Hoewel ik geneigd ben de kwalijke versie te geloven …”
Opmerkelijk, want u doet niet anders dan betogen dat ze te goeder trouw was.
Het één spreekt het ander niet tegen. Ze kan best te goeder trouw kwalijk gehandeld hebben, iets wat ons allemaal overkomt.
Zo onwaarschijnlijk vind ik dat niet dat ze de mannelijke wetenschapper kon afdreigen. Haar geslacht werd mogelijk ruimschoots gecompenseerd door geld en connecties.
“dreigde ze ermee hem te laten ontzetten uit zijn opdracht”
Het is mij onduidelijk hoe dit te combineren is met “te goeder trouw”.
Fraai is dat inderdaad niet en het duidt op machtsmisbruik of toch minstens afdreiging. Het probleem is dat ik maar één bron heb voor die aantijging, een hedendaagse, die zelf geen vermelding maakt van een bron. Op zich is die bron even betrouwbaar als de gids in het paleis die de gravin voorstelde als een verlichte geest, de enige die de mozaïeken naar waarde schatte en hen redde van het houweel.
In mijn stuk heb ik beide versies naast elkaar gelegd en vooral proberen passen in het totaalbeeld van de gravin. De archeologische geschiedenis van Italica pleit tegen de versie van de stichting. Voor haar pleit dat ze de mozaïeken niet louter heeft ingepalmd voor eigen gebruik maar haar paleis voortdurend openstelde voor onderzoek, van die mozaïeken maar ook van andere voorwerpen.
Mijn synthese is dat ze authentieke bedoelingen had om het patrimonium veilig te stellen maar dat ze alleen maar op zichzelf vertrouwde om dat te doen. Vond ze dat de archeologen zelf onzorgvuldig omsprongen met het materiaal? Dacht ze – niet ten onrechte – over een tijdje stopt dat hier en gaat de staat met die stenen weer een of ander publiek bouwwerk neerzetten … Of was het een doekje voor bloedende hebzucht? We weten het niet en het staat ieder vrij met de schaarse gegevens een beeld te vormen ten goede of ten kwade.
Bedankt voor je reactie!
En nog vergeten te vermelden: heel boeiend stukje! Bedankt!
Heel interessant stuk. Dank hiervoor!
“De verantwoordelijke voor de site, de archeoloog De los Ríos, confronteerde de gravin met wat hij als diefstal beschouwde ”
Wat is nu de officiële versie? Wat ik van het verhaal begrijp is dat de mozaïeken in de open lucht lagen, dat de boeren ze kapot sloegen maar dat er ook bewakers waren. Die werden omgekocht mar desondanks kreeg de gravin een beloning voor haar acties.
Beide versies samen kan niet, dus als u de officiële versie gelooft, dan toch wederom mijn vraag: waarom direct ‘roofkunst!’ gedacht? Wij hebben blijkbaar geen enkel inzicht in de details van haar beweegredenen (geen brieven uit die tijd aan anderen?), dus valt daar wegens speculatie ook geen zinnig woord over te zeggen.
Misschien was die opgraver (archeoloog is voor die tijd een te mooi woord) ook wel uit op eigen gewin – men vroeg in die tijd vaak kijkgeld aan bezoekers.
Misschien wilde de gravin mooie vloeren en kreeg ze later vrindjes zover om dat te legaliseren.
Het verhaal is net zo vaag als vele andere uit die tijd, waarbij eigendom en bezit vaak heel grijze gebieden waren.
We weten het niet.