Soms zie ik iets dat zó tof is dat ik erover schrijven moet, zoals de museale inrichting rond de zogeheten Grote Basiliek van Plovdiv. Simpel samengevat: alles klopt. En ik ben zo enthousiast dat ik breek met mijn voornemen om, zolang ik in Bulgarije ben, geen blogjes te schrijven. Dit verhaal moet eruit, zo simpel.
Goed, wat is het? Toen ik in 2014 in Plovdiv was, zag ik bij het postkantoor een opgraving, maar ik was te moe om er lang naar te kijken; nu is daar een schitterend museum gebouwd over de grootste van twee basilieken. Die was gebouwd over een oudere tempel voor de keizercultus; elementen uit het oudere gebouw zijn gerecycled in het jongere, dat diende als de kerk van de bisschop van Plovdiv of, zoals de stad destijds heette, Filippopolis.
Een grafmozaïek uit Sétif (Archeologisch museum, Sétif)
De Algerijnse stad Sétif oogt opvallend modern. De trams zijn van hetzelfde type als in Rotterdam, er zijn wolkenkrabbers en er is een uitstekend archeologisch museum. Ik blogde al eens over mijn eerste bezoek. Tot de pronkstukken behoort een verzameling mozaïeken uit twee christelijke basilieken, die zijn opgegraven in 1959, dus midden tijdens de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog (1954-1962). De vloeren van deze godshuizen bestonden uit mozaïeken.
Dat was niet ongebruikelijk, maar deze mozaïeken gaven de plaatsen aan waar in de kerk mensen lagen begraven, en zulke “grafmozaïeken” – bestaat dit woord? – zijn zeldzamer. In de ene basiliek in Sétif waren er twintig, in de andere vijftig. Zulke mozaïeken bestaan altijd uit een mooie rand om wat geometrische figuren en een grafschrift. Een opvallende naam is Adeodatus, een naam waarover ik al eens blogde omdat het de Latijnse vertaling is van het oud-Fenicische Mattan-ba’al, “godsgeschenk”, Dieudonné.
Het bovenstaande Romeinse mozaïek, dat dateert uit de late vierde of vroege vijfde eeuw na Chr., is te zien in het museum van Djemila in Algerije, de antieke stad Cuicul. Het opschriftnoot EDCS-23600210. combineert het Latijnse woord voor ezel, asinus, met de in Latijnse letters geschreven Griekse strijdkreet nika, “win!” Het woord kan ook verwijzen naar de personificatie van de overwinning. De ezel moet dus winnen, of heeft gewonnen, of zal winnen, of overwint – de strekking is duidelijk. De zegevierende ezel was duidelijk iets dat de eigenaar in wiens huis dit is gevonden, en dat de opgravers heel origineel “maison de l’âne” hebben genoemd, na aan het hart lag, want het motief is herhaald. Dus wat betekent het?
Zoals eigenlijk altijd weten we het niet, maar niets weerhoudt ons ervan beredeneerd te gokken. Het is antichristelijke polemiek.
Bezoek aan de dokter (Musée national des antiquités, Algiers)
Zoals u wellicht heeft gemerkt, was ik onlangs in Algerije. Daarover later meer. Maar eerst eens een blogje over een mozaïek dat ik in Algiers zag in het Musée national des antiquités. Het is gevonden in een voorstad van Batna die Ouled Arif heet; in de Oudheid heette de plaats Lambiridi. Het mozaïek vormde de vloer van een familiegraf, waarin drie sarcofagen stonden. De voornaamste was van een zekere Cornelia Urbanilla, die hier rustte na “te zijn gered van een groot gevaar” en een leven van achtentwintig jaar, tien maanden twaalf dagen en negen uur. Dat is vreemd precies, want doorgaans wisten Romeinen niet zo goed hoe oud ze waren.
Het schijnt dat zulke nauwkeurige aanduidingen duiden op horoscoopgebruik, maar ook als dat zo is, is mij niet duidelijk aan welk gevaar Urbanilla is ontkomen. Misschien is het leven zelf wel het bedoelde gevaar. Daarvoor pleit dat links twee pauwen zijn afgebeeld, vogels die in de derde eeuw na Chr., toen dit mozaïek werd gemaakt, een symbool waren voor de wederopstanding en verlossing uit dit ondermaanse tranendal. Maar ja, dat verklaart dan weer niet waarom rechts twee eenden staan.
“Hoe laat is het in de Oudheid?”: dat is de vraag waarmee de Groningse onderzoeker Arjen Bakker op donderdag 4 april in de Groningse synagoge een lezing begon. Hij gebruikte die vraag om aan te geven dat de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. niet alleen een belangrijke datum vormt in de joodse geschiedenis, maar dat die datum tegelijkertijd onderdeel was van een al eerder ingezet proces van nadenken over tijd.
Voor ons begrip vormen de Dode Zee-rollen, met daarin allerlei versies van de joodse Bijbel en tal van andere joodse teksten, ouder dan de gangbare Bijbelse canon, belangrijk bewijsmateriaal Er zijn ook joodse kalenders bekend en – misschien verrassend – er valt informatie te ontlenen aan de mozaïekvloeren van de synagogen.
Het paleis van de gravin van Lebrija, met een mozaïek uit Italica
[Het tweede deel van Dieter Verhofstadts artikel over de Romeinse stad Italica, in Andalusië, en de Gravin van Lebrija. Het eerste deel was hier.]
Deze blog over Romeinse kunst in Europa heeft een andere kijk op de rol van de Gravin van Lebrija bij de opgraving van Italica. Als invloedrijke intellectuele kunstminner was ze maar al te goed op de hoogte van het belang van de oude Romeinse stad. Toen de opgravingen tegen het einde van de negentiende eeuw werden geïntensiveerd en de prachtige mozaïekvloeren werden blootgelegd, kocht zij enkele bewakers om, zodat ze een aantal naar haar woning kon verplaatsen. De verantwoordelijke voor de site, de archeoloog De los Ríos, confronteerde de gravin met wat hij als diefstal beschouwde en probeerde haar ertoe te bewegen de mozaïeken terug te geven. In plaats van zijn eis in te willigen, dreigde ze ermee hem te laten ontzetten uit zijn opdracht.
Vrouw in een mannenwereld
Deze versie, waarvan ik geen andere, laat staan officiële of wetenschappelijke, bron terugvind, geeft niet alleen een andere toedracht over de beweegredenen van de gravin, maar weerlegt de algemene teneur in de levensverhalen die men bij de stichting en op de -pedia’s vindt, namelijk dat het voor een vrouw in de negentiende eeuw zeer ongebruikelijk was om invloed uit te oefenen op het publieke leven en dat zij voortdurend moest optornen tegen de door mannen gedomineerde wereld van kunst, wetenschap en politiek. Dat zij een officieel aangestelde, mannelijke wetenschapper zomaar kon afdreigen, past niet in dat plaatje.
Dat opgravers in het verleden nogal driest te werk zijn gegaan, met goede of kwade bedoelingen, is algemeen bekend. Van de andere kant: we mogen opgravers en exposanten uit het verleden niet zomaar beoordelen aan de hand van de huidige inzichten. Toen ik vorige maand Sevilla bezocht, stuitte ik op een interessant voorbeeld.
Italica
De bron van alle oudheidkundige moois dat is opgegraven en vertoond in Sevilla, is Italica. Die voormalige Romeinse stad ligt zo’n tien kilometer noordwestwaarts, in het huidige plaatsje Santiponce. Het was de vermoedelijke geboorteplaats van de Romeinse keizer Trajanus en misschien ook van zijn opvolger Hadrianus. In de derde eeuw raakte Italica in verval, mogelijk doordat de Guadalquivir zijn loop verlegde.
Vissers op een mozaïek uit Hadrumetum (Museum van Sousse)
Omdat het vandaag de Internationale Dag van de Visserij is, even een stukje over vis, vissers en vistechnieken. En ook over mozaïeken. Meer precies, een groot mozaïek dat ik enkele keren heb gezien in het museum van de Tunesische stad Sousse, het antieke Hadrumetum. Het museum identificeert het als funerary mosaic maar ik heb geen idee waarom. Wat ik weer wel weet is dat het dateert uit het laatste kwart van de tweede eeuw na Chr. en dat er diverse vistechnieken zijn afgebeeld.
Hierboven twee vissers die een sleepnet binnenhalen. Hieronder twee mannen die hengelen. (“Het heng’len is een schone zaak en geeft het mensdom veel vermaak.”)
Hengelaars op een mozaïek uit Hadrumetum (Museum van Sousse)
Prachtig hè, dit mozaïek. Ik fotografeerde het in het museum in Kyrene in noordoostelijk Libië. Kijk eens hoe mooi het paard is en hoe schattig de hond. Het is een en al actie: de jager galoppeert naar huis, de deur staat al open, de boom strekt zich verwelkomend naar hem uit. De moedertijger heeft echter de achtervolging ingezet om de jachtbuit, haar jong, terug te krijgen. De plant tussen haar en de jager buigt naar links en voegt toe aan de dynamiek.
Vraag één: wat is dit van dier? Gestreept, dus een tijgerin. Maar tijgers komen niet voor in Afrika. Bovendien is dit dier grauw en zijn tijgers geelbruin. Luipaarden kwamen wel voor in Libië, maar die hebben een gevlekte huid en zijn ook al niet grauw. Ik houd het tot nader order op een tijgerin, maar voor wie verstand heeft van katachtigen staan de reageerpanelen open.
Alsof ik het de laatste weken nog niet genoeg heb gehad over Libanon, waag ik er nog maar eens een stukje aan. Het bovenstaande mozaïek zag ik namelijk in Byblos, toen ik van de kerk van Johannes Marcus afdaalde naar het noordelijke haventje. Het zat gewoon in een muurtje ingemetseld.
Ik kan er nergens informatie over vinden. Het is, zo verzekerde mijn Libanese vriendin en collega Françoise me, niet opgenomen in Nada Helou’s Les mosaiques protobyzantines du Liban (2019), wat zou kunnen betekenen dat het een zeer recente vondst is of een moderne namaak. Dat laatste kan natuurlijk. Maar toch: je zou van iemand die een leuke decoratie laat maken, verwachten dat hij kiest voor iets onbeschadigds. Het eerste kan ook. Ondanks alle ellende is er nog archeologisch onderzoek in Libanon en een door mij geraadpleegde archeoloog herkende zo snel geen sporen die duidden op vervalsing. Ik heb inmiddels wel horen vertellen dat het in een huis is gevonden, maar dat kan ook een valse provenance zijn.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.