
Het is een gemeenplaats dat het Romeinse Rijk een agrarische wereld was. Je kunt als vuistregel nemen dat negen boeren het eten produceerden voor tien mensen. Als we optimistisch zijn, waren tijdens het Romeins Klimaatoptimum acht boeren genoeg. In een zó agrarische samenleving hebben ook degenen die nooit ploegden en nooit met een kudde op pad gingen, een vanzelfsprekende boerenmentaliteit. Een schatrijke Romeinse senator als Plinius de Jongere stelde groot belang in het verwerven van de juiste gronden en het aantrekken van de juiste pachters. Zelfs de aanleg van een siertuin had zijn aandacht. (Vincent Hunink verzamelde Plinius’ teksten over het landelijk leven in een boekje dat Mijn landhuizen heet. Ik schreef er al eens over.)
Wat is een villa?
Dit betrof dus de landhuizen van iemand aan de top van de maatschappelijke elite van het oude Italië. We noemen die landhuizen vaak villa’s, maar dat is een onhandige term. Het Latijnse woord heeft namelijk de betekenis van “exploitatie-eenheid” en slaat niet zelden op betrekkelijk kleine bedrijven. Bovendien denken wij, eentwintigste-eeuwers, bij een villa aan een rustiek gelegen buitenhuis of een bungalow met een grote tuin. In de Oudheid gaat het toch meer om plantages waar slaven en deelpachters hard werkten om voldoende te produceren. Naast het bedrijfsgedeelte, de pars rustica, was er een woongedeelte, de pars urbana, doorgaans simpel.
En toch. Er waren in Italië prachtige landhuizen. De bouwvorm – dus zeg maar een chique woonhuis op het platteland bij een plantage – is in de Keizertijd geëxporteerd naar de provincies. Dus ook naar de Lage Landen. Ik blogde onlangs al over de villa van de Grand Bon Dieu in Anthée, aan de middenloop van de Maas. Op het lössplateau benoorden de Samber en Maas en in Nederlands Zuid-Limburg stonden honderden van dit soort luxueuze landgoederen. Je herkent het Mediterrane karakter aan de aanwezigheid van vloerverwarmingen, siertuinen, wandschilderingen, glas, mozaïeken, de kruidentuin, nieuwe dieren (zoals de pauw en de kat) en nieuwe gewassen zoals de kersenboom. Denk ook aan metaalwerk, zoals het balsamarium waar ik al eens over schreef.
Expositie
Die Zuid-Limburgse villa’s – en ik bedoel nu: de meest chique landhuizen – zullen het onderwerp zijn van een tentoonstelling die op donderdag 25 april begint in het Rijksmuseum van Oudheden. Voorwerpen die normaalgesproken in (onder meer) het Thermenmuseum en het Limburgs Museum zijn te zien, of die in Heerlen en Venlo in de museumdepots liggen, zullen dan in Leiden zijn. Vondsten uit de villa’s langs Franse en Belgische Maas of de Moezel zijn niet voorzien.

Dat is misschien jammer, maar wel verklaarbaar. Zo’n tentoonstelling dient natuurlijk vooral om u te informeren over het Romeinse verleden, maar heeft tevens een wetenschappelijke functie. De musea proberen hun collecties beter te ontsluiten. Jasper de Bruin, de conservator die expositie organiseert, vertelde me dat er veel oude glasnegatieven waren van oude opgravingen, waar al tientallen jaren niemand naar omkeek. De expositie dient dus ook om de resultaten van oude opgravingen nog eens goed te bekijken, te combineren met recentere vondsten en te analyseren vanuit nieuwe perspectieven.
De “inheemse” villa
Terug naar de villa’s zelf. De landhuizen zijn een zichtbaar aspect van het complexe, slecht gedefinieerde proces dat bekendstaat als romanisering. Het zijn eigenlijk kleine Italiaanse dorpjes in een… eh, … ik had willen schrijven “inheemse context”, maar dat is ook alweer een onhandige uitdrukking. Caesar had een genocide uitgevoerd, vervolgens waren er allerlei nieuwe bewoners gekomen in een door de Romeinen geordend landschap. Feitelijk was niemand inheems en was iedereen immigrant, zowel de deelpachter die het land bewerkte als de landheer die een chique landhuis bouwde in Italische stijl. Het namenbestand van Romeins Limburg toont Latijnse, Germaanse en Gallische namen.
En zo’n villa stond niet op zichzelf. Het was met wegen als de Chaussée Brunehaut verbonden met de Romeinse steden en de legerbases aan de Rijn. De meeste villa’s produceerden graan voor de legioenen. Op de weiden liep vee, dat in het voorjaar naar de zomerweiden werd gebracht en in het najaar terugkeerde. De herders die de kuddes verweidden, namen producten mee, verkochten die elders, keerden met inkopen terug.

Vragen
Zoals gezegd begint de expositie op donderdag 25 april. Ik ben zelf heel benieuwd naar de wijdere context. Hoe toont een museum de wijdere wereld waarin de villa’s functioneerden? Op welke manier leg je uit dat de hereboer produceerde voor én zichzelf én de markt, in een duale economie? Hoe toon je dat een Mediterraan model van economische exploitatie, herkenbaar aan een gebouwtype, is geëxporteerd naar de Lage Landen? Welke aanpassingen waren er aan de niet-Mediterrane omstandigheden? Hoe toon je het verweiden van de kuddes? Wat toon je over de agrarische cyclus die elk facet bepaalde van het villaleven? Hoe toon je de verdwijning van een exploitatietype, dat er dan dus niet langer is en dat je niet tonen kunt? En ook: zijn er dwarsverbanden met de gelijktijdige expositie over de Italische stad Paestum? Hoe zagen de villa’s eruit waarin de Paestumers rozen teelden?
Vragen te over. Ik zal de komende tijd nog weleens over deze expositie bloggen. Ik ben erg nieuwsgierig!
Zelfde tijdvak
Was het Woord “een” god?oktober 6, 2024
De messiaanse maaltijdjanuari 23, 2022
De limes aan de Beneden-Donauseptember 8, 2014

Er komt vast een catolagus
Inderdaad, het woord “Villa” is voor mij in die context ook enigszins verwarrend, al was het maar omwille van het moderne begrip van deze term. Maar uit de lessen Latijn herinner ik me nog de term “Latifundium”; is deze niet toepasbaar op zo een grote exploitatie-eenheid, of vergis ik me?
Latifundium is geen echt Latijn, maar is inderdaad een meer nauwkeurige aanduiding voor het type boerderij waar de expositie om draait: een luxe landhuis, gekoppeld aan een plantage met duale economie en slaven of deelpachters.
Waarom zou het geen echt Latijn zijn? Het is uit twee Latijnse woorden samengesteld en Seneca, Petronius en Plinius Maior gebruiken het. Het is niet zo vaak geattesteerd dat het de officiële term voor dit soort landerijen zal zijn geweest.
” Caesar had een genocide uitgevoerd, vervolgens waren er allerlei nieuwe bewoners gekomen in een door de Romeinen geordend landschap. Feitelijk was niemand inheems en was iedereen immigrant”
Ik weet dat Caesar hierover pocht, maar bestaat er eigenlijk een bevestiging vanuit de archeologie? Ik denk dan aan op grote schaal verlaten of verkleinde nederzettingen?
Want dit beeld van een verwoest en ontvolkt Gallië vol met migranten strookt niet met de informatie over de grote invloed van Gallische leenwoorden in latere tijden, of het beeld van de 5de-eeuwse Sidonius Appolinaris van grote groepen provincialen die nog steeds Gallissch spreken.
Ik weet het Jona, je mag JC niet en hij heeft vreselijke zaken gedaan (ook in de ogen van zijn tijdgenoten), maar overdrijven is ook een vak, inclusief voor JC.
Ja, er is bewijs. Uit pollenonderzoek blijkt dat bijvoorbeeld bij Jülich de oude akkers plaats maakten voor bossen. Dat duidt echt op de verdwijning van de boeren. Ook zijn er muntschatten die scherp te dateren zijn naar precies dit jaar.
Er zullen natuurlijk overlevenden zijn geweest, want er is continuïteit in een paar plaatsnamen (zoals Atuatuca). Maar toen Agrippa hier aankwam, kon hij het land geheel naar eigen inzicht inrichten. Tongeren is op maagdelijke bodem gebouwd: er was geen oudere nederzetting waar hij rekening mee moest houden.
Zin in!
In het midden en zuiden van Gallië viel het misschien meer mee met de ontvolking?
Iedere dode is twee doden te veel, maar het lijkt er wel op dat de Romeinen in het noorden feller tekeer zijn gegaan dan in centraal- en zuidelijk Gallië. Er is wel beweerd dat de Romeinse strategie feitelijk bestond uit het annexeren van een regio en het leeg maken van het grensgebied. Misschien was het feitelijk minder cynisch, vrijwel zeker hadden de Romeinen niet één strategie, maar rücksichtlos waren ze zeker.