De theodicee volgens Ǧibrīl ibn Nūḥ

Voor Ǧibrīl ibn Nūḥ waren zelfs sprinkhaanplagen een godsbewijs

In de vorige vier aflevering (de eerste was hier) vertelde Wim Raven dat de Arabische geleerde Ǧibrīl ibn Nūḥ allerlei op de Grieks-Romeinse traditie gebaseerde godsbewijzen presenteerde, die de perfectie en doelmatigheid van de schepping veronderstelden.

Theodicee

Maar als een almachtige, goede schepper ons alles geeft wat wij nodig hebben, hoe kan er dan zoveel gebrek bestaan? Immers, bestaansonzekerheid maakt deel uit van het menselijk lot; de mens moet hard ploeteren en dan nog mislukt vaak de oogst. Maar, aldus Ǧibrīl ibn Nūḥ, als de mens altijd kon rekenen op een goede oogst of alles cadeau kreeg zou hij zich overeten en lui, verwaand en zondig worden.

Neem bij voorbeeld een man die opgroeit in weelde en luxe en kijk waarheen comfort en overvloed hem leiden. Als de mens niet werd gekweld door pijn en smart, hoe zou hij dan ooit van schanddaden worden afgehouden?

Ook dieren moeten “werken”: vogels mogen graantjes pikken, maar omdat ieder graantje goed verpakt zit in een kafje gaat dat niet al te gemakkelijk, zodat ze zich niet overeten en misselijk worden. De schepper is almachtig genoeg om álles te kunnen geven: bergen van goud en zilver heeft hij immers in de aarde verborgen, maar die liggen bepaald niet voor het grijpen. Zo voorkomt hij zelfgenoegzaamheid en inflatie. Om dezelfde reden kan de mens ook zelf geen goud of zilver maken; hoogstens messing.

Bestaansonzekerheid is dus door de schepper gewild, en dat geldt ook voor echte rampen, zoals aardbevingen, overstromingen, orkanen, sprinkhanenplagen en dergelijke. Naar Ǧibrīls opvatting tolereert de schepper het lijden niet alleen, hij veroorzaakt het ook. Voor hem is er geen andere bron van het lijden dan de schepper zelf, zoals te verwachten was van de felle bestrijder van de dualistische manicheeërs die hij was. Op een aantal plaatsen bespreekt Ǧibrīl het lijden en zijn antwoord komt altijd op hetzelfde neer: het is niet werkelijk kwaad, want alles in de schepping, ook de genoemde rampen, zijn voor de mensen hun bestwil en kunnen hen in zedelijk opzicht beter maken.

Aardbevingen en dergelijke zijn een vermaning en een manier om mensen te intimideren, zodat zij afzien van ongehoorzaamheid.

Hetzelfde geldt voor de verschrikkelijke zeedraak (die in werkelijkheid een tornado is), een monster dat geschapen is om angst aan te jagen en om soms als exemplarische straf te dienen. Ook de koningen der aarde stellen immers af en toe een voorbeeld.

Het is als een zweep die aan de muur van een huis hangt om de bewoners angst aan te jagen en af en toe een les te leren.

Voor ziekten en lichamelijke gebreken geldt hetzelfde; bovendien krijgen mensen die daaronder lijden in het hiernamaals een extra beloning. Over zware misdragingen van de mens jegens zijn medemens (kindermisbruik, foltering, uitbuiting een dergelijke) spreekt Ǧibrīl niet. Na een welhaast verpletterende hoeveelheid godsbewijzen gaf Ǧibrīl in dat laatste hoofdstuk dus nog de manicheeërs hun vet. Eén schepper, geen twee, en anders dan zij beweerden: op het werk van de schepper is niets aan te merken; integendeel.

Wie las Ǧibrīl ibn Nūḥ?

Hoe de tekst van Ǧibrīl ibn Nūḥ in zijn eigen tijd werd ontvangen is niet bekend. Wel is duidelijk dat na enkele eeuwen een licht geïslamiseerde, soennitische bewerking op de markt kwam, toegeschreven aan Ǧāḥiẓ (776-868), die ruime verbreiding vond, en nog later een sjiïetische, toegeschreven aan Mufaḍḍal al-Ǧuʿfī (gest. ca 790). In het internet worden deze ook tegenwoordig volop vermenigvuldigd en geciteerd. Daarbij wordt echter het auteurschap van Ǧibrīl ibn Nūḥ nooit erkend. In de sjiïtische versie is zelfs iedere verwijzing naar de Oudheid of naar christenen zorgvuldig verwijderd.

[Dank je wel Wim! Voor wie meer wil weten: Wims eigen blog is daar.]

Deel dit:

4 gedachtes over “De theodicee volgens Ǧibrīl ibn Nūḥ

  1. Robbert

    “Hoe de tekst van Ǧibrīl ibn Nūḥ in zijn eigen tijd werd ontvangen is niet bekend”.

    Zoals meestal moeten we er een slag naar slaan. Bij mij kwam op:
    Zouden deze bemoedigende filosofieen de zendingsarbeid van de Nestorianen bevorderd hebben?

  2. Frans Buijs

    Tja. Als ik dit vergelijk met de filosofen die Kees Alders heeft besproken, vind ik het niveau op zijn zachtst gezegd kinderlijk naief. Als onze voeten achterstevoren hadden gestaan, had Gibril er nog een godsbewijs in gezien omdat we dan kunnen zien waar we gelopen hebben. Dat krijg je als je uitgangspunt niet is “hoe zit het?”, maar “het zit zo”.

    1. FrankB

      Dat geldt voor de meeste apologeten. Het is zelfs de definitie van het vak: beginnen met de conclusie en er dan argumenten bij zoeken. Niettemin is het nuttig zulke “argumenten” te bestuderen, want de meeste hedendaagse politici doen precies hetzelfde. Zo af en toe resulteert dat in ongelooflijke en zeer schadelijke blunders.

Reacties zijn gesloten.