
Zoals bekend veroverde een handjevol Arabieren in de zevende eeuw het halve Oost-Romeinse Rijk en het hele Perzische Rijk. Dat betekende echter niet dat de bevolking van al die gebieden nu ineens Arabisch ging spreken of moslim werd. De Arabische veroveraars wilden aanvankelijk liever als Herrenvolk onder elkaar zijn en lieten buitenstaanders node toe tot hun kringen. Nog eeuwenlang waren de meeste bewoners van Syrië en Irak christelijk of joods. Deze groepen werden door de islamitische overheid erkend; theoretisch als tweedeklas-burgers, maar vaak om hun kennis en ervaring toch hoog gewaardeerd. Zoroastriërs werden echter niet erkend en de manicheeërs, die toentertijd bijna een wereldreligie vormden, werden zelfs vervolgd.
Vanaf ca. 800 na Chr. werd er serieus werk gemaakt van zowel de islamisering als de arabisering. Er werd een enorm vertaalproject op touw gezet, waarbij de christenen een belangrijke rol speelden. Zij waren het die de wetenschap van de Grieken en Romeinen overbrachten naar het Abbasidische Rijk (Kalifaat van Bagdad). Hun taal was het Syrisch-Aramees en een intellectuele bovenlaag kende ook Grieks; bovendien waren Griekstaligen makkelijk te vinden in het aangrenzende Oost-Romeinse Rijk. Vrijwel alle wetenschap uit de Oudheid werd in de negende eeuw in het Arabisch vertaald, aanvankelijk met Syrisch als tussentaal, later ook direct uit het Grieks.
Ǧibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī
De auteur over wiens tekst de komende blogjes verder zullen handelen is Ǧibrīl ibn Nūḥ al-Anbārī, een Nestoriaanse christen die in de eerste helft van de negende eeuw leefde in centraal Irak en voortkwam uit het milieu van die intellectuele christenen die het vertaalwerk verrichten. Zijn vader bij voorbeeld studeerde samen met Timoteüs de Grote, de beroemde Nestoriaanse catholicos (dat is iets tussen een patriarch en een paus in) en vertaalde de door hem vervaardigde Syrische vertaling van Aristoteles’ Topica in het Arabisch. Of Ǧibrīl zelf ook vertaald heeft, weten we niet; er is weinig over hem bekend. Alleen een traktaat tegen de manicheeërs wordt nog van hem genoemd, maar dat is niet bewaard gebleven.
De tekst van Ǧibrīl die ik uitgeef, vertaal en van commentaar voorzie is getiteld Kitāb al-Iʿtibār fī al-malakūt, “Lering over [Gods] Majesteit”. Onder elkaar spraken en schreven de christenen Syrisch, maar Ǧibrīl schreef in het Arabisch, kennelijk met het oog op een algemener publiek. Hij biedt een flinke verzameling teleologische godsbewijzen (arguments from design) plus een filosofische beschouwing over de aard van de schepper en over het theodicee.
In zijn boek komt slechts een half Bijbelvers voor, anders dan in andere christelijke werken, die vaak bol staan van de Bijbelcitaten. Ook de benaming God valt zeer zelden; meestal wordt gesproken over de schepper of de ontwerper. De islam, de overheersende godsdienst in het kalifaat, heeft in het boekje geen sporen nagelaten, afgezien van enkele vrome formules van latere kopiisten in de handschriften.
Aan te nemen is dat Ǧibrīl ibn Nūḥ zichzelf als filosoof beschouwde. Hij beoogt aan te tonen dat er één schepper is die het universum heeft ontworpen en geschapen en het onderhoudt, alles tot welzijn van de mens. Hij richt zich niet tot christenen of moslims, die dit alles immers al wisten, maar tot degenen die het niet willen geloven:
Manicheërs …, ongelovige materialisten en zulke misleide mensen meer.
[Wordt vervolgd. Dit was het eerste blogje dat Wim Raven schreef over zijn uitgave van Ǧibrīl ibn Nūḥ. Dank je wel Wim! Wims eigen blog is hier.]
Zelfde tijdvak
De Karolingische Renaissance (3)augustus 21, 2024
Ziryabfebruari 11, 2026
De Limes Tripolitanus: de Late Oudheidjuli 31, 2011

Wat interessant!
“Zij waren het die de wetenschap van de Grieken en Romeinen overbrachten naar het Abbasidische Rijk.”
Het is bovendien interessant dit te vergelijken met de Karolingische Renaissance, die in dezelfde tijd plaatsvond. Het intellectuele zwaartepunt van de Westerse beschaving (waar ik de Arabische en Noord-Afrikaanse variaties ook toe reken) lag, net als in de Oudheid, in het Oostelijk Middellandse Zeegebied. Dit is geen diskwalificatie van West-Europa, noch een argument voor zogenaamde Donkere Middeleeuwen. West-Europa moest van ver komen en eeuwenlange barbaarse invasies (van Gothen tm Noormannen) maakten dat alleen maar moeilijker. Ik vind het des te bewonderenswaardiger wat de scholastici vanaf pakweg 1100 CE presteerden.
Door die opmerking aan het eind kan ik Gibril (ik kan al die accentjes niet maken op mijn mobiel) niet beschouwen als een filosoof. Een filosoof is m.i. namelijk niet iemand die zegt: “jullie zijn misleid en ik zal wel even zeggen hoe het zit.”
Dat is sowieso een hebbelijkheidje van de monotheïstische godsdiensten: die houding van “het is zo en niet anders”. Maar misschien volgt dat wel automatisch uit het idee dat er maar één God is.