De Notre-Dame: muziek

Sculptuur van de Notre-Dame van Parijs

[Dit is het tweede van vier door Hans Overduin geschreven blogjes over de Notre-Dame van Parijs. Het eerste was hier.]

Vijf jaar geleden, onmiddellijk na de brand van de Notre-Dame, vatte de Grieks-Nederlandse componiste Calliope Tsoupaki de betekenis van de Parijse kathedraal voor de kerkmuziek samen:

De brand was een grote ramp. Terecht is veel geschreven over de waarde van de kerk voor het christendom, de architectuur en de kunst. Maar ook voor de muziek is de kathedraal een symbool. In de Notre-Dame is de eerste meerstemmige muziek gecomponeerd. De overweldigende ruimte en de grootse akoestiek inspireerden de koormeesters rond 1200 om het eenstemmige gregoriaans te verrijken met extra stemmen en muzikale ornamenten. Dat was een ongekende revolutie. De Notre-Dame is de wieg van onze westerse muziek. Gelijk na de brand ben ik begonnen met het componeren van Pour Notre-Dame: voor Onze-Lieve-Vrouw, voor de kerk en voor de muziek die ons allemaal verbindt.

De oudste christelijke kerkmuziek stamt af van de joodse synagogale muziek en was eenstemmig. Dat gold in West-Europa voor het Gregoriaans en zijn varianten: mozarabisch in het Emiraat van Córdoba, Ambrosiaans in m.n. Milaan, het Gallisch en het Keltisch. Rond 800 na Chr. kwam daarin verandering. Enerzijds door het toevoegen van de zogeheten bourdontonen (denk hierbij aan een doedelzak die naast een melodie een lage continu klinkende grondtoon laat horen) en de zogeheten parallelle octaven: gelijktijdig dezelfde melodie laten klinken, maar nu een octaaf hoger of lager gezongen.

Ars Antiqua

Deze primitieve meerstemmigheid culmineerde rond 1160 in wat de “Notre-Dame School” zou gaan heten, het begin van de periode der Ars Antiqua (c.1160-c.1320). Niet alleen ontwikkelde zich hierbij een echte meerstemmigheid (polyfonie), uitgedrukt in de vormen conductus, organum en motetus, maar ook een muzieknotatie die niet alleen toonhoogte maar ook het exacte ritme aangaf. Het motetus evolueerde echter tot een dermate onontwarbare kluwen van simultane melodieën en teksten, dat paus Johannes XXII het in 1325 door verbood als liturgisch onverantwoord. Er zijn ons slechts twee namen van componisten uit de Notre-Dame School bekend: Leoninus (c.1150-1201) en zijn jongere tijdgenoot Perotinus.

Ars Nova

Uit de Notre-Dame School (Ars Antiqua) ontwikkelde zich – je verzint het niet – de Ars Nova (c.1320-1400) met als belangrijkste componist Guillaume de Machault met zijn Messe de Nostre Dame, de eerste toonzetting van het Romeinse ordinarium (Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus/Benedictus en Agnus Dei) dat als één complete compositie werd geschreven.

De Ars Nova verschilt van de meer statische Ars Antiqua doordat de stemmen van de polyfonie in gelijke maar complexe ritmen voortschrijden. Via de daaropvolgende Engelse School en de diverse Nederlandse Scholen (zoals Josquin des Prez) evolueerde de polyfone kerkmuziek via de Romeinse School van met name Giovanni Pierluigi da Palestrina en de vroegbarokke muziek van Claudio Monteverdi tot het barokke eind- en hoogtepunt Johann Sebastian Bach. Met andere woorden: zonder Notre-Dame geen Matthäus.

[wordt vervolgd; dit stuk van Hans Overduin verscheen oorspronkelijk op de nieuwssite Sargasso.]

Deel dit: