
[Dit is het derde van vier door Hans Overduin geschreven blogjes over de Notre-Dame van Parijs. Het eerste was hier.]
Een blog over de Notre-Dame zou incompleet zijn zonder een paar opmerkingen over de spookverhalen in en rond de Parijse kathedraal. Ter zake dus, en dan beginnen we met het boek dat (mede) aanleiding was tot alle gespook.
Quasimodo
Rond 1830 verkeerde de kerk in een dermate deplorabele staat – vooral het interieur – dat de Parijzenaars overwogen de kerk maar af te breken. Met de publicatie van de roman Notre-Dame de Paris (1831) van Victor Hugo, in de Nederlandse vertaling bekend onder de titel De klokkenluider van de Notre Dame, kwam de kerk echter dermate in het middelpunt van de belangstelling te staan dat koning Louis Philippe besloot de kathedraal te laten restaureren.
Het overbekende boek biedt een accuraat portret van het middeleeuwse Parijs, zoals men zich dat voor de geest haalde in de vroege negentiende eeuw. Met verwijzingen naar de eigen tijd. Het is namelijk aannemelijk dat het fictieve personage van Quasimodo is geïnspireerd op een gebochelde steenhouwer die rond 1820 werkzaamheden aan de kathedraal zou hebben verricht en die Hugo persoonlijk gekend zou hebben. De man zou als kluizenaar hebben geleefd en bekend hebben gestaan als Monsieur Le Bossu, “de gebochelde”.
Spokende smeden
Het is deels aan Hugo’s roman te danken dat de Notre-Dame een wat geheimzinnig, “gothic” imago heeft. Sinds zijn tijd staat de kathedraal dan ook bovenaan de Parijse lijst van gebouwen met geestverschijningen. Met name vroegere priesters, monniken, bisschoppen en pausen lijken maar geen afscheid van hun kathedraal te kunnen nemen en worden (naar zeggen) nog regelmatig gespot. En ook personen die het op een akkoordje hebben gegooid met Gods tegenpartij dwalen er voor eeuwig rond.
Zo is er het verhaal van de middeleeuwse sleutelsmid die de opdracht had aangenomen alle belangrijke deuren van de kathedraal van sloten en bijpassende sleutels te voorzien. De man kwam er na verloop van tijd achter dat hij te veel hooi op zijn vork had genomen en in plaats van een aantal onderaannemers in te huren gooide hij het op aan faustiaans akkoordje met de duivel. Het werk was op tijd klaar, maar drie dagen daarna stierf de sleutelmaker en sindsdien spookt zijn geest door de kathedraal, uiteraard met een rammelende sleutelbos in zijn hand.
Een verwante sage is die van Biscornet. Hij was één van de bekendste siersmeden van zijn tijd en kreeg in de veertiende eeuw de opdracht de grote zijdeuren van de kerk te voorzien van ijzeren siersmeedwerk. Biscornet was erg trots op deze opdracht, die hij zag als definitieve erkenning van zijn vakmanschap. Hij ging er dus vol tegenaan. Ook hij kreeg na verloop van tijd echter last van een burn-out en betwijfelde of hij het werk wel aankon. Daarom begon hij assistentie te zoeken, maar niemand van zijn collega’s durfde de uitdaging aan. Biscornet kreeg het werk op tijd af, maar stierf na drie dagen.
Toen niet veel later de deuren voor het eerst plechtig geopend zouden worden, bleken ze muurvast te zitten. Een priester kwam op het idee de deuren met wijwater te besprenkelen, en dat hielp. Als snel staken geruchten de kop op dat Biscornet bij de uitvoering van zijn werk geholpen was door de duivel en sommigen beweerden zelfs dat de duivel zelf de gedaante van de smid had aangenomen en dat het sierwerk dus gemaakt was door de duivel zelf. Het wijwater waarmee de deuren besprenkeld waren zou ook Biscornet uit de greep van de duivel verlost hebben. Niettemin zweeft zijn geest nog steeds door de kerk.
[wordt vervolgd; dit stuk van Hans Overduin verscheen oorspronkelijk op de nieuwssite Sargasso.]
Zelfde tijdvak
Hattinjuli 23, 2016
De Renaissance van de Twaalfde Eeuw (1)september 27, 2023
Een oorkonde van Lodewijk de Heiligeoktober 24, 2024

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.