Winckelmann in Dresden

Winckelmann (Japanisches Palast, Dresden)

Genieën worden gewoon geboren, net als iedereen. Ze worden pas geniaal als ze een onderwerp hebben waarop ze hun genialiteit kunnen uitleven. Dat geldt ook voor de kunsthistoricus Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), die een heel arme jeugd heeft gehad. Toen hij eenmaal wat geld verdienen kon met het geven van bijles, moest hij de helft afstaan aan zijn ouders in het armenhuis. Hij kon echter een Latijnse school bezoeken en wist genoeg te sparen om twee jaar te studeren in Halle en twee jaar in Jena. Evengoed leefde hij van de bedeling. Een baan als huisleraar volgde, en een betrekking als conrector van een Latijnse school was de volgende stap. Het was een leven van hard werken en roofbouw op zijn gezondheid, maar hij ontgroeide de armoede.

Bibliotheekmedewerker

Alles veranderde in 1748, toen hij als bibliotheekmedewerker in dienst trad van graaf Heinrich von Bünau. Deze had zich drie jaar eerder teruggetrokken uit het openbare leven en leefde nu in kasteel Nöthnitz op een anderhalf uur wandelen van de barokstad Dresden. Daar werkte hij aan een Genaue und umständliche teutsche Kayser- und Reichshistorie, waarvan al vier banden waren verschenen. Nu hij alle tijd had, wilde hij het geschiedwerk afronden en hij was inmiddels bezig met de geschiedenis van de in de tiende eeuw aangetreden Ottoonse Dynastie. Veel succes heeft hij niet gehad bij die arbeid, want er is geen nieuw deel van de Reichshistorie meer verschenen.

Friedrich August II (Zwinger, Dresden)

Winckelmann, dertig jaar oud, solliciteerde in juni 1748 bij de geleerde edelmannoot Een door Hein van Dolen en Eric Moormann gemaakte vertaling van de sollicitatiebrief is opgenomen in Johann Joachim Winckelmann. Een portret in brieven (1993). en werd aangenomen. In de ochtend gaf de graaf zijn bibliothecarissen – de twee andere waren de oudheidkundige Christian Gottlob Heyne en de boekwetenschapper Johann Michael Francke – opdracht om bepaalde gegevens te controleren, waar ze enige tijd mee bezig waren. Bovendien kreeg Winckelmann in 1751 opdracht de bibliotheek, niet minder dan 42.000 boeken, te inventariseren. Hoewel er geen vijfde deel van de Reichshistorie is verschenen, beschikken we wel over de door Winckelmann uitgeschreven aantekeningen, zodat we weten wat Von Bünau over de Ottonen heeft willen vertellen. De aantekeningen zijn gedigitaliseerd en hier te vinden.

Ik ben momenteel in Dresden. De stad was rond het midden van de achttiende eeuw een van de grootste culturele centra van Europa; de schilderijen van Bernardo Bellotto (Canaletto II) documenteren hoe het eruitzag op dat moment. Het is niet moeilijk te begrijpen dat Winckelmann er inspiratie kon opdoen. 42.000 boeken in het kasteel, en deur keurvorstelijke verzameling antieke sculptuur (inclusief de “Herkulanerinnen”) op anderhalf uur wandelen. Ik heb zelf geprobeerd naar Nöthnitz te komen, maar fietsen is hier niet makkelijk: je moet vaak over de stoep rijden, zodat je moet letten op voetgangers en afvalbakken, waardoor je niet op je route kunt letten. Na twee keer te zijn verdwaald was mijn humeur niet meer bestand tegen ook nog de beklimming van een forse heuvel en vond ik het welletjes. Ik ben hier niet om aan sport te doen.

Theobald von Oer, “Winckelmann in Nöthnitz” (1874)

Toekomstplannen

Terug naar Winckelmann in Nöthnitz. Hij maakte er kennis met het werk van Voltaire en, nog belangrijker, met de cultuurhistorische benadering van Montesquieu. Hij bezocht de Gemäldegalerie en zag de sculpturen van de Antikensammlung, en nam tekenlessen bij de schilder Adam Friedrich Oeser. Die liet Winckelmann kennismaken met de wereld van cameeën en gemmen. Ook ontmoette hij de pauselijke nuntius, die Dresden een verschrikkelijk oord vond maar in Winckelmann een prettige gesprekspartner herkende.

De pauselijke gezant deed Winckelmann een aanbod: hij kon een betrekking krijgen in Rome, waar een kardinaal een bibliothecaris zocht voor een bibliotheek die zeven keer zo groot was als die van graaf Von Bünau. De enige voorwaarde was dat de Lutherse Winckelmann katholiek moest worden; hij werd op in de zomer van 1754 herdoopt. Dat betekende tevens het einde van zijn werkzaamheden in Nöthnitz; Winckelmanns excuusbrief aan de graaf, geschreven in september, vormt onprettige lectuur.noot Eveneens opgenomen in Hein van Dolen en Eric Moormann, Johann Joachim Winckelmann. Een portret in brieven (1993).

Winckelmanns debuut

Winckelmann trok een maand later in bij de schilder Oeser, die leefde in wat toen de Frauengaße was en nu de Frauenstraße heet. Die is in de Tweede Wereldoorlog weggebombardeerd, maar ze is herbouwd, en enkele huizen zien er opnieuw uit zoals in Winckelmanns tijd: vlak voor de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) een einde maakte aan de bloeiperiode van het keurvorstendom Saksen. In het Dresdense stadsmuseum is een maquette van de omgeving van de Frauenkirche in de achttiende eeuw, waarop een deel van deze straat is te zien.

Frauenstrasse, Dresden

In de Frauengaße schreef Winckelmann zijn eerste werk: Gedancken über die Nachahmung der Griechischen Wercke in der Mahlerey und Bildhauer-Kunst. De oplage van het vierenveertig bladzijden lange traktaatje bedroeg vijftig exemplaren, en Winckelmann legde hierin uit dat en waarom de Griekse kunst – en dus niet de Romeinse – volmaakt was geweest en dat de enige hoop voor de huidige generatie kunstenaars was de Grieken na te volgen. Je vraagt je af of hoe Winckelmanns voorkeur voor classicisme zich verhield tot de barokstad waarin hij schreef.

Pamfletten

Het geschriftje verscheen begin 1755, was opgedragen aan keurvorst Friedrich August II van Saksen en sloeg in als een bom. Er verscheen een pamflet waarin Winckelmann werd verweten dat hij slordig had geciteerd en vervolgens was er nog een tweede pamflet. Heel Dresden was nu geïnteresseerd in de man en de keurvorst zegde hem een jaargeld toe: “Dieser Fisch soll in sein rechtes Wasser kommen”. Voorwaarde was wel dat Winckelmann in Italië, waar de opgravingen van de door de Vesuvius bedekte steden was begonnen, kunstvoorwerpen zou kopen voor de Antikensammlung.

Königsstrasse 10, Dresden

Oeser en Winckelmann waren inmiddels verhuisd naar de Königstraße 10 aan de andere kant van de Elbe. Ik ben er wezen kijken en bovenstaande foto toont de huidige situatie, maar het gebouw is feitelijk nieuwbouw en ik weet niet zeker of het huidige huisnummer 10 ook toen huisnummer 10 was.

In elk geval is Winckelmann er niet lang geweest. In september 1755 verliet hij de stad waar hij zijn werkterrein en zijn roeping had gevonden en waar hij de eerste blijken van zijn genialiteit had gegeven. Pas later kwam uit dat hij de twee pamfletten waarmee zoveel aandacht voor zijn Nachahmung was ontstaan, zelf had geschreven.


Dood in Triëst (1)

juli 21, 2014

De historische canon

november 25, 2019
Deel dit:

2 gedachtes over “Winckelmann in Dresden

  1. “Pas later kwam uit dat hij de twee pamfletten waarmee zoveel aandacht voor zijn Nachahmung was ontstaan, zelf had geschreven.”

    De man begreep al dat elke publiciteit goede publiciteit is. 😉

  2. Ja, fietsen in Duitsland is geen onverdeeld genoegen. Google Maps heeft ook hele aparte ideeën over wat fietsbaar is. Je hebt in ieder geval nog mazzel gehad dat je niet over kinderkopjes hoefde te fietsen. Dat is erg slecht voor de vullingen in je gebit…

Reacties zijn gesloten.