School van de Namen (2) What’s in a name?

Kruik uit de Periode van de Strijdende Staten (Musée Guimet, Parijs)

[Kees Alders schrijft over de Chinese filosofische stromingen. Een inleiding was hier. Na een introductie, het Confucianisme en het Mohisme zijn we nu toe aan de zogeheten “School van de Namen”. Het eerste deel was hier.] 

Honderd scholen

Al eerder heb heb ik het gehad over de “Periode van de Honderd Scholen” van het Chinese denken. Deze periode valt grofweg samen met de Periode der Strijdende Staten (ca 479- 221 v.Chr.) waarin er een nietsontziende strijd woedde tussen verschillende staten over de macht over de “landen van het midden” in wat nu China heet. Afhankelijk van wie je het vraagt begint de Periode van de Honderd Scholen ook wel iets eerder, namelijk aan het einde van de Periode van Lente en Herfst, toen Confucius leefde. Terwijl de staten elkaar bevochten met wapens, bevochten die honderd scholen elkaar voornamelijk met woorden.

Honderd scholen, of toch zes?

Goed, we hebben met Confucius en Meester Mo al twee scholen gehad, je zou dus denken dat we nog achtennegentig scholen te gaan hebben, maar uiteraard is het getal niet precies. Het dient om aan te geven dat er erg veel verschillende filosofische tradities ontstonden. Honderd scholen echter is nogal veel om te bevatten, en traditioneel worden de honderd scholen dan ook teruggebracht tot een stuk of zes hoofdstromingen. Naast de confucianisten en de mohisten zijn er dan nog de legalisten, de school van yin en yang, de taoïsten, en de School van de Namen.

Sommige geschiedschrijvers maken er zeven of tien scholen van, maar ik denk dat die indeling in zes grote stromingen voor ons veruit het meest werkbaar is. Wel met die kanttekening dat iedere indeling problemen kent, omdat er altijd filosofen zijn die niet goed passen, en die dan weer bij de ene en dan weer bij de andere groep ingedeeld worden, of zelfs helemaal buiten de boot vallen.

De School van de Namen

Dit probleem doet zich vooral voor bij de “School van de Namen”. Vaak is dit een restcategorie van filosofen die weinig met elkaar te maken hadden. Symbolisch genoeg is ook de naam van de “School van de Namen” arbitrair. Deze naam is pas later verzonnen door geleerden uit de Han-dynastie, honderden jaren na de laatste representant ervan. Met de term “namen” wordt verwezen naar de discussies die deze filosofen voerden om definities van woorden (namen) te betwisten, op te rekken of om te buigen.

Maar deze filosofen hebben dus nooit één school gevormd. De zogenaamde leden leefden in verschillende tijden en verschillende streken, en kenden elkaar waarschijnlijk niet, in ieder geval niet persoonlijk. Er waren dus ook geen leraar-leerling-relaties en al zeker geen centrale leerstellingen. En wat dat “namen” betreft … de onderwerpen waren wel breder dan dat.

Alternatieve namen

Een andere naam die voor deze groep filosofen gebruikt wordt, is de “Chinese sofisten”. Dit is natuurlijk een term die ontleend is aan de Griekse sofisten en daarmee een moderne westerse classificatie.

Nu lijken de Chinese sofisten inderdaad wel wat op de Griekse. Het waren rondreizende meesters in retorica die spitsvondigheden verkochten. Ze waren uitgesproken relativistisch, en net zoals de Griekse sofisten krijgen ze vaak het verwijt dat ze iedere vorm van moraal verwierpen of in ieder geval ondermijnden. Ook het verwijt dat het ze enkel om het geld te doen zou zijn wordt geuit, plus de conclusie dat deze figuren daarom de naam “wijze” nauwelijks waard zouden zijn. Dit laatste zeggen filosofen wel vaker van lastige concurrenten, maar over deze groep dialectici zijn de anderen vrij eensgezind.

Ze worden ook wel de “retorici” of “de filosofen van voor en tegen” genoemd, of kort vertaald: “de dialectici”. Omdat ze nogal dol waren op paradoxen zijn die termen misschien wel meer toepasselijk.

Deng Xi en verder

Hoe we ze ook noemen, de oudste representant van de School van de Namen is Deng Xi, die we in het vorige blogje ontmoetten. De term sofist is op hem misschien wel het meest van toepassing. Hij wordt door de latere confucianist Xunzi in één adem genoemd met Hui Shi, een andere filosoof die wordt gerekend tot de School van de Namen. Toch is dit wat vreemd, want Meester Hui leefde in een andere staat en een slordige tweehonderd jaar later. We zullen nog zien dat deze twee ook nogal verschillende filosofische erfenissen lijken achter te laten.

Deze associatie is dus nogal los. Ook de associatie van Deng Xi met de andere vertegenwoordigers van de School van de Namen is nogal gezocht, simpelweg omdat Deng veel vroeger leefde. Om dat probleem op te lossen presenteren sommige commentatoren hem als grondlegger van de School van de Namen, maar ook dat lijkt onterecht, omdat de latere vertegenwoordigers niet naar hem verwijzen, tenminste, niet voor zover we weten.

Hui Shi behandelen we overmorgen. Daarvóór behandelen we de relativisten Song Xing en Yin Wen. Daarna volgt dus Hui Shi, die zoals we zullen zien het meest dol is op paradoxen. Als laatste gaan we kijken naar Gongsun Long, die vooral beroemd is geworden vanwege zijn “bewijs” dat een wit paard geen paard is.

Voor al deze filosofen stond het debat centraal, en het is ze wel verweten het debat “om het debat” te voeren. Daarom nu eerst:

De Jixia-Academie

Het moet rond het einde van de vierde eeuw zijn geweest. Als datum wordt het jaar 318 v.Chr. wel genoemd, maar dit wordt ook betwist: het kan heel goed eerder zijn geweest dat in Linzi, de hoofdstad van de noordelijke kuststaat Qi in de huidige provincie Shandong, door de plaatselijke koning de zogenaamde Jixia-academie wordt opgericht. In deze instelling konden filosofen van de verschillende scholen verblijven, kregen ze een beurs, een huis en een titel, konden ze elkaar onderrichten en elkaar in de haren vliegen. (Jixia wordt in oudere teksten ook wel geschreven als Chi-hsia: het betekent letterlijk “onder de Ji-poort”.)

Waarom zou je in vredesnaam een filosofische academie oprichten? Wellicht besefte de koning van Qi in tegenstelling tot sommige lieden dat filosofisch debat cruciaal is voor het beantwoorden van belangrijke levensvragen, zoals in zijn geval “hoe moet ik een rijk besturen?”, wat de centrale vraag was van de meeste toenmalige Chinese denkers. Of misschien was het wel een decadent bewijs van macht en rijkdom, om de wereld te laten zien dat je het je als heerser kan veroorloven een dierentuin van filosofen te onderhouden. Het kan ook beide waar zijn.

Hoe dan ook, deze eerste grote filosofische academie had om voorstelbare reden een flinke aantrekkingskracht op filosofen uit alle “landen van het midden”. Taoisten, confucianisten en mohisten kruisten er de degens, waaronder grote namen als die van de confucianisten Mencius en Xunzi (oudere spelling: Hsun-zhu). Later gaan we hen nog uitgebreid bespreken, maar we zullen hun namen ook voorbij zien komen nu we de School van de Namen bespreken, omdat we veel van de representanten kennen uit confuciaanse commentaren.

Het feest in Jixia zou echter een domper krijgen: na enkele decennia werd de academie tijdens een oorlog geplunderd en in as gelegd – het was immers nog steeds de “Periode der Strijdende Staten”. De academie heeft zich weliswaar hersteld, maar kreeg nooit meer de oude luister. Toch is deze beroemde academie voorbeeld geworden voor latere academies.

Twee geleerden die aan deze academie verbonden waren, waren Song Xing en die van Yin Wen. Daarover morgen.

[Dank je wel Kees! Deze vijfdelige reeks wordt morgen vervolgd met het relativisme van Song Xing en Yin Wen.]

Deel dit: