Confucius 7: De vijf kernwaarden (2)

Confucius wist niets van krijgskunst (Musée Guimet, Parijs)

[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het zevende blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.] 

Zoals de vorige keer kan gezegd: iemand die medemenselijk is, leeft niet in totale zelfopoffering. Dat is uiteindelijk allemaal maar ijdelheid. Iemand die alles weggeeft wat hij heeft, en gunsten weigert, doet de mensen om zich heen tekort, omdat hij hen dan niet meer kan helpen.

Medemenselijkheid betekent ook niet dat je als mens zomaar alles over je kant laat gaan. Moet je haat beantwoorden met innerlijke kracht, zoals sommige mensen zeggen? Confucius zegt Nee. Hij raadt aan om haat met rechtvaardigheid te beantwoorden. Maar hoe dan rechtvaardig te zijn?

Rechtvaardigheid (Yi)

Je kan volgens Confucius alleen maar rechtvaardig zijn als je ook kritisch naar jezelf kijkt. Minderwaardige lieden zijn partijdig en niet ruimdenkend. Die zitten vastgeroest in hun eigen koppigheid en gelijk. Een hoogstaand mens is ruimdenkend, onpartijdig, en is altijd bereid om van inzicht te veranderen. Zo beoordeelt hij zijn medemensen: met openheid.

Bedenk daarbij: je kan het karakter van een ander niet veranderen. Wel kan je van iemand met een moeilijk karakter leren hoe je er het beste mee om kan gaan. Als iemand anders een fout maakt, bestudeer dan vooral zijn karakter en het verleden dat dat karakter gevormd heeft, zodat je begrijpt waarom iemand die fout maakt. Bestudeer ook je eigen reactie. Zo kan je van ieder mens leren, zowel van de mensen die deugdzaam zijn als van mensen die dat niet zijn.

Keer je echter af van mensen die rijk of invloedrijk willen worden ten koste van anderen en hun best niet doen een goed mens te zijn. Hou ze niet te vriend, en als je macht hebt: bevorder ze niet. En zorg ook dat je niet afhankelijk van ze wordt. Beter af te zien van rijkdom en genot dan afhankelijk te zijn van mensen die niet rechtvaardig willen zijn.

Omring je in plaats daarvan met mensen die net als jij rechtvaardigheid nastreven. Dan wordt het je het makkelijkst gemaakt zelf rechtvaardig te zijn, en is de kans het grootst dat het jou goed af gaat in het leven. Iemand die rechtvaardigheid nastreeft is nooit alleen: hij weet dat andere mensen die rechtvaardigheid nastreven zijn broeders zijn.

Een wijs mens is niet wantrouwend. Dat heeft hij namelijk niet nodig. Doordat hij medemenselijk is en zich inleeft in anderen is hij namelijk al alert genoeg. Hij kent en begrijpt de mensen om zich heen.

Wijsheid (Zhi)

Confucius benadrukt dat een wijs persoon niet blindelings regels opvolgt. Zoals we eerder zagen doet hij dat ook met hart en ziel. Maar daarnaast begrijpt hij ook waarom die gedragsregels bestaan.

We moeten dus niet alleen de sociale verhoudingen respecteren, maar ook telkens een gepaste reactie vinden op de situatie. Er is niet één soort ritueel dat op iedere menselijke relatie altijd maar van toepassing is, en er is ook niet één soort ritueel voor iedere menselijke relatie.

Een hoogstaand mens is principieel zonder dogmatisch te zijn. Hij is zuiver in zijn oordeel, maar niet star. Onderzoek jezelf elke dag drie keer en vraag je af: Heb ik aan mijn plichten voldaan? Ben ik wel eerlijk geweest? Breng ik wat ik leerde in praktijk?

Bedenk altijd dat hoe wijs en geleerd je ook bent, niemand kan alles weten en begrijpen. Echte kennis is weten wat je weet, en weten wat je niet weet, zegt Confucius. Oftewel: ken je eigen beperkingen. Zo erkent Confucius zelf dat hij helemaal niets weet van krijgskunst. Toen hij eens als raadgever aan het hof van een heerser verbleef, vroeg deze hem toch om raad bij een oorlog. Confucius zweeg, pakte zijn koffers, en vertrok.

Leren zonder nadenken maakt verward. Kennis moet praktisch zijn, en altijd getoetst worden, anders heeft de kennis geen nut, en valt het niet op zijn plek.

Nadenken zonder te leren is echter nog schadelijker dan leren zonder na te denken. We moeten daarom altijd bereid zijn om van onze eigen fouten te leren, en onze inzichten aan te passen. Wie zijn verstandelijke vermogens alleen gebruikt voor zelfrechtvaardiging is heel fout bezig.

Een hoogstaand mens laat zich niet gebruiken als een stuk gereedschap voor een onwaardige baas of heerser. Dat zal die heerser wellicht kunnen doen met een eenvoudige handwerksman, maar niet met iemand die gestudeerd heeft en zich ontwikkeld heeft tot een hoogstaand mens.

In een samenleving die structureel slecht bestuurd wordt neem je geen deel aan het bestuur. Je doet als Confucius: je trekt je terug en voert oppositie door andere kanalen te vinden om je ideeën in praktijk te brengen. Of je verhuist naar een ander land.

Een wijs mens richt zich niet alleen op de korte termijn: de lange-termijneffecten van zijn gedrag zijn voor hem het meest belangrijk. Hij heeft oog voor detail, maar is ook gefocust. Wie teveel verschillende verlangens heeft kan niet standvastig zijn.

Bedenk daarbij altijd dat status en rijkdom minder belangrijk zijn dan medemenselijkheid. Het denken dient om je medemens te helpen, niet om zelf hogerop te komen. Een wijs mens begrijpt dat rijk worden op een onrechtvaardige wijze niet verstandig is: je beschadigt niet alleen de samenleving, maar ook jezelf, omdat je niet verkeert in een veilige stabiele omgeving.

In de Analecten wordt ook het zoeken van het verstandige midden benadrukt. Mensen die doorslaan kunnen niet op Confucius’ goedkeuring rekenen, ook niet als ze doorslaan in het praktiseren van zijn eigen leer. Een persoon die zijn emoties en karakter laat overheersen over zijn manieren is lomp en onhandig, maar een persoon die zijn emoties en karakter verdrukt is een betweter, die wekt alleen maar weerstand op bij zijn omgeving. Bij een hoogstaand mens zijn natuur en cultuur met elkaar in evenwicht.

Een hoogstaand mens is daarbij bedachtzaam en zelfkritisch, maar niet besluiteloos. Van een staatsman die drie keer nadenkt alvorens te beslissen, zegt Confucius: twee keer is wel genoeg. De confuciaanse wijze is geduldig en voorzichtig, maar ook besluitvaardig.

Confucius benadrukt keer op keer: medemenselijk zijn en blijven is moeilijk en blijft moeilijk. Het vergt oefening, en niemand houdt dat constant vol. De beste manier is niet alleen door niet aflatende studie de weg van het confucianisme te leren kennen, maar er ook van te houden en er vooral vreugde in te vinden.

Dus blijf altijd proberen, verzin geen excuses, maar wees ook niet te streng voor jezelf.

De hoogstaande mens (Junzi)

De vijf kernwaarden van het confucianisme vormen samen geen losse regels, maar een samenhangend kompas voor het leven. Li geeft structuur en harmonie in onze omgangsvormen. Xin zorgt dat die vormen oprecht en doorleefd zijn. Ren herinnert ons aan menselijkheid en empathie. Yi legt de nadruk op het belang van rechtvaardigheid boven eigenbelang. Zhi staat voor wijsheid en zelfkennis. Samen typreren ze de Junzi: een hoogstaand mens die niet streeft naar perfectie, maar naar balans, integriteit en vreugde in het goede.

Confucius’ boodschap blijft actueel: wie deze waarden cultiveert, bouwt niet alleen aan een beter zelf, maar ook aan een stabiele en rechtvaardige samenleving. Uiteindelijk is de kern van zijn filosofie het zich richten op de samenleving en “de ander”. Alleen zo kan een mens in harmonie leven.

[Deze gastbijdrage van Kees Alders wordt vanmiddag vervolgd met een vooruitblik naar de positie van Confucius in het geheel van de Chinese filosofie. Dank je wel Kees!]


Paestum

december 16, 2023

Aischylos

februari 6, 2024
Deel dit: