De muren van Babylon

Gereconstrueerde muur van Babylon

De Palatijnse Anthologie is, zoals het tweede deel van de titel al aangeeft, een bloemlezing van teksten, meer precies Griekse gedichtjes. Het eerste deel van de titel verwijst naar de Paltz (in humanistenlatijn: Palatinatus), waar het Byzantijnse poëziemanuscript in kwestie zich ooit bevond in de bibliotheek van Heidelberg. Tot de vele in de verzameling opgenomen epigrammen behoort ook een korte ode aan de tempel van Artemis van Efese op naam van de vrijwel vergeten hellenistische dichter Antipatros van Sidon.noot Palatijnse Anthologie 9.58. Hij vergelijkt het heiligdom met zes andere monumenten, en zo introduceert hij het concept van de “zeven wereldwonderen”, waarvan zijns inziens de tempel in Efese dus het mooiste is.

Het eerste monument dat hij noemt, is de stadsmuur van Babylon, waarvan hij zegt dat die gebruikt kan worden als weg voor wagens. Dat heeft Antipatros wellicht ontleend aan Herodotos van Halikarnassos, die het volgende weet te vertellen over de muur.

Lees verder “De muren van Babylon”

Grieks Apulië

Ares? (Archeologisch museum, Tarente)

[Laatste van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

In de Archaïsche Periode koloniseerden de Grieken het zuiden van Italië, een episode die wij Magna Graecia noemen, in navolging van de Romeinen. De Grieken spraken zelf niet over één geheel, Μεγάλη Ελλάς: zij zagen hun nederzettingen als aparte entiteiten, aangezien er ook geen overkoepelend gezag bestond.

Tarente

Het huidige Tarente was een Spartaanse kolonie, Taras genaamd. De stichting is uitvoerig door Strabon van Amaseia beschreven: ze wordt traditioneel gedateerd op 706 v.Chr. De meest plausibele oorsprong van de naam is dat ze gewijd is aan de halfgod Taras, zoon van Zeus, maar de nabije rivier Tara is een andere mogelijkheid. Bijzonder aan deze kolonisatie is dat ze een nieuwe thuis gaf aan de Partheniai, buitenechtelijke Spartanen die geboren waren terwijl de legitieme mannen aan het front waren tijdens de langdurige Messenische oorlogen. Hun leider was de (half-mythische) Falantos, zelf een dergelijke “buitenechtelijke”.

Lees verder “Grieks Apulië”

Apulië, Iapygië, Messapië of Calabrië?

Apulische helm (Metropolitan Museum, New York)

[Vierde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

Was het nu Iapygië, Messapië of Calabrië?

Hoewel er dus verschillen zijn in de grafculturen van de drie sub-volkeren van Apulië, en hoewel ze in de oude bronnen afzonderlijk worden benoemd, zijn er ook overeenkomsten, zowel in de materiële cultuur en de taal. We kunnen ons afvragen of Iapygiërs en Messapiërs niet gewoon synoniemen zijn, terwijl Daunië en Peuketië aanduidingen kunnen zijn voor een streek, waarbij die laatste dan een denigrerende Griekse term kan zijn. Ettore Maria de Juliis is echter stellig dat de diverse culturen met hun specifieke benaming zich gescheiden hebben ontwikkeld, aangezien de diversiteit in grafculturen gepaard gaat met variaties in de inscripties. In een artikel uit 2004 beschrijft hij hoe vanaf de zevende eeuw v.Chr. de eenheid van Iapygië verloren gaat en zich drie subregionale culturen ontwikkelen.

Simona Marchesini bevestigt de taalvariatie, en kadert die in een Griekse invloed:

De Apulische (noordelijke) alfabetvariant ontstond ongeveer twee eeuwen later dan de zuidelijke, Salentijnse variant. … Als verklaring voor deze chronologische kloof wordt soms een bewuste culturele distantie verondersteld van de noordelijke bevolkingen ten opzichte van die in het zuiden. De elites van de Dauniërs en Peuketiërs waren duidelijk vertrouwd met de Griekse cultuur, wat blijkt uit de rijk geïllustreerde Apulische keramiek met scènes uit de Griekse mythologie en tragedie (vijfde/vierde eeuw v.Chr.). Dit wijst op een sterk geaccultureerde regio.

Uit wat Strabon van Amaseia vertelt, kunnen we afleiden dat het onderscheid tussen Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs in zijn eigen tijd, eind eerste eeuw v.Chr., geen rol meer speelde. De lokale bevolking zou die namen zelf niet meer gebruiken. Wél was er intussen in de hak van Italië, het oude Messapië dus, een onderscheid ontstaan tussen de noordelijke Salentijnen en de zuidelijke Calabriërs. Ook andere auteurs gebruiken “Calabriërs” als alternatieve naam.

Voor de oplettende lezer is deze vermelding van Calabriërs wat verwarrend omdat we vandaag de ganse hak van Italië “Salento” noemen, terwijl “Calabrië” de huidige naam is van de voorvoet in de Italiaanse laars. Dat komt doordat de Byzantijnen later Calabrië als overkoepelende naam voor Zuid-Italië gebruikten; omdat op dat moment enkel de teen van Italië nog onder hun invloed was, bleef die naam daaraan kleven.

Economische en sociologische inzichten

Volgens Strabon was het Iapygische landschap tamelijk vruchtbaar, althans in zijn tijd, dus het begin van onze jaartelling. Ondanks die geschikte grond voor landbouw en veeteelt, was de streek ontvolkt geraakt en waren er behalve Brindisi en Bari geen noemenswaardige steden. In de eerdere bloeitijd waren dat er volgens Strabon nog zeker dertien geweest.

Apulisch beeldje van een varken (Museo Civico, Milaan)

De Juliis beschouwt de landbouw als grootste bron van de Iapygische welvaart, geïntegreerd met veeteelt:

Schapen en varkens in de bergachtige en heuvelachtige gebieden van de Daunische sub-Apennijnen en de Alta Murgia, paarden op de vlaktes van Daunia en Messapia.

Verder weten we dat de olijfboom in het eerste millennium al was gedomesticeerd. De Juliis beschrijft de dorpen als volgt:

Laagland- of heuvelnederzettingen bestonden uit groepen hutten verspreid over grote gebieden, terwijl kustnederzettingen een compactere structuur vertonen. De hutten waren gebouwd met palen, takken en riet en waterdicht gemaakt met lagen kleiachtige modder.

Het archeologisch materiaal toont dat de Iapyiërs ingebed waren in bredere handelsnetwerken. Dankzij de strategische ligging fungeerde Iapygië als een scharnier tussen de Adriatische Zee en de Egeïsche wereld, een functie die al teruggaat tot de Bronstijd. Contacten met Mykeense en latere Griekse gemeenschappen beperkten zich niet tot louter import, maar leidden ook tot overdracht van technieken. Volgens De Juliis voldeden de ambachtslieden vooral aan interne behoeften en zorgden ze voor een grote autonomie. Bij de Dauniërs leidde de productie van hoogwaardige artefacten zelfs tot export.

Tegelijk ontwikkelden de Iapygiërs geen uitgesproken maritieme handelsmacht naar Grieks model, noch een expansief koloniaal netwerk. Hun economie lijkt eerder te hebben gefunctioneerd als een intermediair systeem: lokaal verankerd in agrarische productie, maar open naar externe invloeden en uitwisseling.

Over de sociale structuur zegt De Juliis:

We kunnen met de nodige voorzichtigheid stellen dat in de vroege IJzertijd nog geen sterke klassevorming bestond. Het is waarschijnlijker dat sociaal ongedifferentieerde groepen werden geleid door “chiefs”, die het economische overschot van de gemeenschap samenbrachten, gebruikt in een kleine gezinsomgeving voor de aankoop van prestigieuze goederen.

Nochtans zou het zou op basis van de diversiteit en soms rijke graven, gerechtvaardigd lijken uit te gaan van een sociale elite en een zekere mate van gelaagde organisatie.

[Deze gastbijdrage van Dieter Verhofstadt wordt vervolgd. Dank je wel Dieter!]

Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs

De drie zones van Apulië

[Derde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]

Het vorige stukje eindigde met de constatering dat er drie stammen vielen aan te wijzen: de Dauniërs, de Peuketiërs en de Messapiërs.

Dauniërs

Tot de belangrijkste vondsten van dit ondervolk, dat we in het noordwesten moeten plaatsen, behoren de Daunische stèles, gebeeldhouwde stenen blokken uit de zesde eeuw v.Chr., gevonden op de zuidelijke vlakte van Siponto, nabij Manfredonia, en nu bewaard in onder meer het Nationaal Museum van die stad. Ze stellen sterk gestileerde mannelijke en vrouwelijke menselijke figuren voor en waren verticaal in de grond bevestigd, net zoals de begraven mensen die zij afbeeldden. Ook andere afbeeldingen kwamen voor.

Lees verder “Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs”

De Iberiërs (3)

Iberisch grafmonument (Archeologisch museum, Madrid)

[Laatste van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]

Rijk en arm

Een van de manieren waarop de rijke Iberiërs zich van hun arme landgenoten onderscheidden, was de monumentale grafsculptuur. Vanaf het begin, dus zeg maar vanaf pakweg 550 v.Chr., toonden voorname families hun welvaart met opvallende gedenktekens langs de toegangswegen tot de Iberische steden. Ze hadden allerlei vormen en zijn opgegraven in alle delen van de huidige regio’s Valencia en Murcia. Gaandeweg ontstonden ware dodensteden, keurig geordend, alsof het de steden waren van de levenden. Er was dan een hoofdstraat voor de graven van de voornaamste mensen, met haaks daarop zijstraten voor de bijzettingen van minder vermogende stedelingen.

De voornaamste graven – te zien in bijvoorbeeld de musea van Madrid en Elche – zijn werkelijk fantastisch. Er zijn torens en pilaren, er zijn afbeeldingen van wilde dieren en mythologische figuren. Misschien moesten die tevens tonen hoe de mensheid de natuur had overmeesterd en was gaan beheren. Zeker is dat niet, maar ik noem het omdat het ook een mogelijke interpretatie is van oudere stèles, waarover ik binnenkort eens zal bloggen.

Lees verder “De Iberiërs (3)”

De Iberiërs (2)

Een span ossen (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)

[Tweede van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]

Economie

De meeste Iberiërs waren eenvoudige boeren, peasants. Maar naarmate de ijzerbewerking beter werd – dit speelt dus in de eerste fase, tussen 550 en 425 v.Chr. – slaagde men erin meer te produceren: vooral tarwe en gerst. Er ontstonden in de huidige regio’s Valencia en Murcia steeds grotere overschotten, die men vrijwel zeker verhandelde met de Feniciërs en de Karthagers, de Grieken en de Etrusken.

Naast akkerbouw was er natuurlijk ook veeteelt. De vochtigere gebieden langs de kust en de rivieren waren geschikt als weiland, waar runderen en schapen konden grazen. Er was altijd zuivel en vlees, maar de runderen konden ook dienen als trekdier en de schapen leverden wol. En textiel kon worden geëxporteerd. Op andere bodems konden de Iberiërs varkens, geiten en pluimvee houden.

Lees verder “De Iberiërs (2)”

De Iberiërs (1)

Iberisch aardewerk (Museum voor onderwaterarcheologie, Alicante)

Ik heb op deze blog al redelijk vaak geschreven over de Iberiërs. Dat is een wat onhandige term, want ze slaat van oorsprong op de bewoners van het zuidoosten van Spanje, en kreeg later een tweede betekenis: alle bewoners van het Iberische Schiereiland, dus met inbegrip van de Tartessiërs in Andalusië, de Lusitaniërs langs de Oceaankust en alle andere groepen. Ik wil nu de eerste definitie volgen: de antieke bewoners van de huidige regio’s Valencia en Murcia.

Een eigen archeologische cultuur is aan te wijzen vanaf het midden van de zesde eeuw v.Chr. Die lijkt voort te komen uit de eerdere IJzertijdculturen, maar verschilt daarvan doordat er inmiddels handelscontacten waren met Fenicische en Griekse kooplieden. De eersten zaten ook wat verder naar het zuidwesten en hadden tevens contact met Tartessos, terwijl de laatsten wat noordelijker zaten en daar contact hadden met de diverse Keltische volken.

Lees verder “De Iberiërs (1)”

Confucius 9: Confucius en andere filosofen

[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het negende blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.] 

Het is vrijwel zeker dat er geen invloeden van het confucianisme zijn op de Grieks-Romeinse filosofie en vice versa. Desondanks zijn er veel parallellen. Een belangrijk verschil is echter dat de Grieks/Romeinse denkers die we zullen noemen, afgezien van Sokrates, systeemdenkers waren: ze hadden één omvattende filosofie die metafysica, psychologie en ethiek behandelde. De oorspronkelijke filosofie van Confucius omvat eigenlijk alleen ethiek.

Confucius en Sokrates

De vergelijking met Sokrates zien we in commentaren regelmatig terugkomen. Confucius en Sokrates zijn bijna-tijdgenoten: de Griek werd (vermoedelijk) tien jaar na de dood van de Chinees geboren. Zowel Sokrates als Confucius doceerden hun filosofie mondeling, via gesprekken, en we kennen ze beiden alleen doordat anderen over hen schreven. Van beiden weten we wel dat ze historische figuren zijn geweest.

Lees verder “Confucius 9: Confucius en andere filosofen”

Confucius 8: Waar staat Confucius?

Hert uit de tijd van Confucius (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het achtste blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.] 

Zoals eerder gezegd: in het confucianisme staat altijd het leren en studeren centraal. Het doel daarvan is het cultiveren van de moraal, en daarmee het vormgeven van de maatschappelijke orde van een menselijke samenleving, die alleen daarmee kan bestaan.

Confucius is daarin niet dogmatisch, en al helemaal niet metafysisch. Dat waarover we geen kennis kunnen hebben, vindt Confucius de moeite van het bestuderen niet waard. Hij concentreert zich liever op praktische zaken en het hier en nu, en heeft een hekel aan speculatie over vragen als die naar het hiernamaals of de aard van de Hemel. In dat laatste verschilt hij wezenlijk van het taoïsme (daoïsme), dat we later zullen bespreken.

Lees verder “Confucius 8: Waar staat Confucius?”

Confucius 7: De vijf kernwaarden (2)

Han-Chinese soldaat (Musée Guimet, Parijs)

[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier. De eerste serie over China stond daar. Hier is het zevende blogje uit de tweede reeks over China: over Confucius. De introductie las u hier.] 

Zoals de vorige keer kan gezegd: iemand die medemenselijk is, leeft niet in totale zelfopoffering. Dat is uiteindelijk allemaal maar ijdelheid. Iemand die alles weggeeft wat hij heeft, en gunsten weigert, doet de mensen om zich heen tekort, omdat hij hen dan niet meer kan helpen.

Medemenselijkheid betekent ook niet dat je als mens zomaar alles over je kant laat gaan. Moet je haat beantwoorden met innerlijke kracht, zoals sommige mensen zeggen? Confucius zegt Nee. Hij raadt aan om haat met rechtvaardigheid te beantwoorden. Maar hoe dan rechtvaardig te zijn?

Lees verder “Confucius 7: De vijf kernwaarden (2)”