Anatolische talen

Inscriptie van Suppiluliuma II in Hiërogliefisch Luwisch (Hattusa)

Onderwijs over het Indo-Europees en de bijbehorende geschiedenis zou, zoals de Leidse taalkundige Stefan Norbruis onlangs stelde in een proefschrift over de Anatolische talen, standaardonderdeel moeten zijn van het middelbare-school-curriculum. De ontdekking van deze oertaal is een van de grootste prestaties uit de negentiende-eeuwse geesteswetenschappen. Hier is alvast een filmpje waarover ik nog eens zal bloggen.

In de twintigste eeuw is geprobeerd de samenleving van de eerste sprekers te reconstrueren. Dat kan door bijvoorbeeld te kijken naar de gedeelde woordenschat. Daarin zijn bijvoorbeeld diverse namen aanwezig voor flora en fauna, die een aanwijzing vormen voor een Urheimat, terwijl de woorden voor bijvoorbeeld koning, ploeg en wiel duiden op zaken die archeologisch terug te vinden zijn: koningsgraven, landbouw en wagens.

Een groeiend corpus aan teksten uit West-Europa, de Centraal-Euraziatische vlakte, Iran en Indië zorgde voor een steeds verfijnder beeld. Hiermee konden onderzoekers aan het begin van dit millennium de reconstructie van de taalfamilie koppelen aan archeologische culturen. Zoiets is niet eenvoudig, maar inmiddels is vastgesteld dat de verspreiding van de talen en de archeologische culturen correspondeert met de verspreiding van het DNA. Die koppeling is te beschouwen als een van de grootste prestaties uit de eenentwintigste-eeuwse geesteswetenschappen. En behoort dus middelbare-school-stof te zijn.

Kaneš

In mijn vorige stukje n.a.v. het handboek Een kennismaking met de oude wereld van De Blois en Van der Spek stipte ik aan dat Indo-Europees-sprekenden in de Midden-Bronstijd binnendrongen in Anatolië (zeg maar Turkije). Het proces is indirect gedocumenteerd in Kültepe ofwel Kaneš. Dit was het centrale punt in een netwerk van Anatolische steden, die handel dreven met Assyrië. Je verwacht dat archeologen op dit centrale punt administratieve teksten zouden vinden en dat is inderdaad gebeurd.

Duizenden teksten zelfs – ik blogde er al eens over – en ze zijn voor een groot deel gedateerd. Ze suggereren sterke veranderingen in de omgeving. Er zijn aanwijzingen voor vreedzame en minder vreedzame immigraties; steden die aanvankelijk een rol speelden, verdwijnen; we lezen over het ontstaan van een koninkrijk Kussara; mensen krijgen Indo-Europese namen. Een koning Pithanas onderwerpt Kaneš in de vroege achttiende eeuw v.Chr. Zijn zoon en opvolger Anittas maakt het tot hoofdstad. Een onbekende vijand verwoest Kaneš. Dan hebben we een eeuw lang geen informatie, maar als er in de zeventiende eeuw weer teksten zijn, is de residentie verplaatst naar Hattusa. Het rijk van de Hethieten was ontstaan.

Anatolische talen

De Hethieten spraken een Indo-Europese taal die ze zelf Nesaïsch noemden, wat zoiets wil zeggen als “de taal van Kaneš”; wij noemen deze taal Hethitisch. Dat was niet de enige Indo-Europese taal die in de eerste helft van het tweede millennium binnendrong; daarnaast was er het Luws, dat we kennen in diverse varianten, zoals het Luwisch (in het tweede millennium) en het Lycisch (in het eerste millennium v.Chr.). Er zijn meer Anatolische talen: uit het tweede millennium kennen we het Palaïsch, maar helaas alleen door citaten in Hethitische teksten, terwijl het Karisch, Pisidisch en Sidetisch uit het eerste millennium ook niet overdonderend goed zijn gedocumenteerd. Het Lydisch schijnt helemaal een geval apart te zijn.

Er is met deze talen iets wonderlijks aan de hand. Ze hebben met de andere Indo-Europese talen wél woorden als “dissel” gemeen, dus de verbinding tussen ploegdier en ploeg, maar niet de woorden voor wagen, zoals “wiel” en “rad”. Dit is een aanwijzing dat de splitsing tussen het Anatolisch en de andere Indo-Europese talen heeft plaatsgevonden ná het ontstaan van de landbouw maar voor de uitvinding van het wiel. Je moet op één aanwijzing vanzelfsprekend geen complete reconstructie baseren, maar het is wel iets dat archeologisch toetsbaar is.

Andere aanwijzingen zijn dat de Anatolische talen kenmerken hebben behouden die het Proto-Indo-Europees gehad moet hebben voor het uiteenviel. Het Anatolisch deelt dus kenmerken met andere vroege “aftakkers”, zoals het Proto-Italo-Keltisch en het Tochaars, die de andere talen niet hebben bewaard.

Het belang van het Anatolisch

Het voornaamste is dát het Proto-Anatolisch en het Proto-Indo-Europees heel vroeg zijn gescheiden. Het is vermoedelijk zelfs de eerste splitsing is geweest. Dit betekent dat als we een stamboom maken van die oeroude talen, de familie van Anatolische talen even belangrijk is als die van de andere Indo-Europese talen. Anders geformuleerd: als de taalkundige reconstructie van het Proto-Indo-Europees een vorm oplevert die we niet kennen uit het Proto-Anatolisch, kan het zijn dat de Anatolische talen de oervorm hebben bewaard en dat de andere Indo-Europese talen een innovatie hebben ondergaan, maar het kan ook andersom zijn.

Dit maakt de reconstructie van het vroegste Anatolisch enorm belangrijk. Helaas is het vooralsnog erg moeilijk een stamboom te maken van de diverse Anatolische talen. Is het Lydisch een afstammeling van het Luws? Of gaat het Lydisch terug op een taal die in de Midden-Bronstijd met het Hethitisch, Palaïsch en Luws Anatolië binnenkwam?

Het opstellen van een goede stamboom veronderstelt meer teksten en wordt bemoeilijkt door de vervalsingen waarover ik al eerder blogde. Van de andere kant doorgronden taalkundigen de Anatolische talen langzaam maar zeker beter. Ik schrijf dit stukje n.a.v. Indo-European Origins of Anatolian Morphology and Semantics, het recente proefschrift van Stefan Norbruis, die ik hierbij met zijn promotie feliciteer.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

25 gedachtes over “Anatolische talen

  1. Kan iemand mij uitleggen waarom altijd in stambomen wordt gedacht bij taalontwikkeling? Dus uit taal A ontstaat taal B en taal C, uit taal B ontstaat taal D en E en uit taal C ontstaat taal F en G. Want in de praktijk is dat niet zo. Als je naar het huidige Nederlands (een Germaanse taal) kijkt dan zie je invloeden uit het Duits en Engels (ook Germaanse talen) maar ook uit het Frans (een Romaanse taal) en in kleine mate ook bijvoorbeeld uit het Russisch (een Slavische taal). Die taalbeïnvloeding wijst op een netwerk van invloeden, geen stamboom. Dus uit taal A kan wel taal B en taal C ontstaan, maar taal D bestaat dan weer uit invloeden van taal B en C. Is dit stamboom-model al moeilijk genoeg om te bepalen en dus het netwerk-model te moeilijk om te gebruiken? Ik denk wel dat dat netwerk-model veel discussies kan beslechten over welke taal nu wanneer afsplitste, simpelweg omdat het netwerk-model een betere benadering is van de praktijk.

    1. Gert M. Knepper

      Daar kan ik gemakkelijk antwoord op geven: er wordt namelijk helemaal niet altijd in stambomen gedacht bij taalverwantschap. In de Vergelijkende Taalwetenschap denken geldt de stamboom zelfs als een verouderde simplificatie. In plaats daarvan denken we, precies zoals u suggereert, minstens óók in termen van ‘netwerken’, die we ‘golven’ noemen. Die golftheorie is in feite een reactie op de (uit de 19e eeuw stammende) stamboomtheorie. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat taal B niet een voortzetting van taal A is (dat is het stamboom-element), maar wel dat een taal ook verandert wanneer hij met een andere taal in contact komt. Dat proces is echter, wanneer het zich in een ver verleden heeft afgespeeld, vaak moeilijk te bestuderen , terwijl het stamboom-element zich vaak gemakkelijker laat vaststellen; vandaar dat taalontwikkelingen in het verleden vaak als stamboom worden gepresenteerd: we weten dan gewoon te weinig om ook het golfaspect recht te doen. En zo kan het dus lijken of we taalverandering alleen via verwantschap verklaren. Maar we weten heel goed dat het een kwestie is van zowel stamboom én golf.

          1. FrankB

            Zo ook ik.
            In de evolutietheorie (ik kan helaas zo snel geen bron vinden) gaat voor vooral het vroegste leven iets soortgelijks op. Men spreekt dan niet over netwerken maar over struikgewas.

    1. Jacob Krekel

      Beste Gert Knepper, ik heb deze verwijzing gelezen. Daarbij rees bij mij de vraag of golf- dan wel boommodel ook een goede theorie zou zijn voor de autonome ontwikkeling in een taal, los van invloeden van andere talen. En of er ook theorie bestaat over het relatieve van belang van interne ontwikkeling vs externe invloeden. Het poldernederlands hebben we helemaal zelf gedaan, en ik vermoed dat voor de Lautverschiebungen in het Duits hetzelfde geldt.

      1. Gert M. Knepper

        Jazeker. Als we (even uit de losse pols) de golftheorie opvatten als de theorie volgens welke taalveranderingen zich als golven (kunnen) verspreiden vanuit een politiek, commercieel of cultureel centrum, geldt dat evenzeer binnen één taal. ‘Uw’ Poldernederlands lijkt me daarvan een prima voorbeeld.

  2. Jacob Krekel

    Heel fascinerend hie verschillende disciplines kunnen samenwerken om tot een resultaat te komen dat buiten het bereik van elk afzonderlijk zou liggen.
    Maar of je nu het Indo-europees in het curriculum van het voortgezet onderwijs zou moeten opnemen? Ik heb een enorm aantal desiderata voorbij zien komen van waar het onderwijs allemaal aandacht aan zou moeten schenken, meestal heel zinnige, maar het kan eenvoudig niet.
    De WRR heeft in 1983 in zijn advies over de Basisvorming in het onderwijs het maximale gepresteerd waartoe Nederland in staat is, maar het resultaat was niet om aan te zien. 15 vakken, een wereldrecord met een schromelijk overladen curriculum.
    Daarbij komt dat de meeste ontwikkelde mensen niet meer weten hoe weinig ze zelf als 18 jarige wisten, waardoor de verwachtigen over wat het onderwijs zou kunnen presteren, nog eens extra worden opgepompt.
    Dus maar liever niet het indo-europees in het curriculum, laat staan de daarbij horende geschiedenis.

    1. FrankB

      “maar het kan eenvoudig niet”
      Ik zou niet weten waarom niet. In de zes jaar (van 1975 tm 1981) dat ik op het VWO zat had er bij Nederlands best plaats voor gemaakt kunnen worden. Het hoeft niet uitgebreid en diepgaand maar één hoofdstuk afgesloten met één toets had wel gekund.

      “Daarbij komt dat de meeste ontwikkelde mensen niet meer weten hoe weinig ze zelf als 18 jarige wisten.”
      Dan ben ik een uitzondering. Middelbare school natuurkunde is puur klassiek (dus alvast geen relativiteitstheorie en quantummechanica). Zelfs binnen dat beperkte gebied bleven we aan de oppervlakte. Dit bv.

      https://kidspressmagazine.com/wp-content/uploads/2014/04/dreamstime_xl_289728922.jpg

      kwam ik pas veel later tegen.

      1. Grappig Frank. Ik zat twee jaar eerder op het VWO dan jij, maar bij ons is toch echt de relativiteitstheorie en de quantumtheorie behandeld (niet echt quantum mechanica). Uiteraard niet diepgaand, maar wel degelijk meer dan alleen aanstippen. Ook die formule uit het kidspress magazine komt me bekend voor uit die tijd. Ik heb bij mijn wiskunde studie later nog wel meer natuurkunde en mechanica gehad, maar daar zat dit niet echt bij.

        Ben het ook niet met Jacob eens, ik weet nog vrij goed wat ik als 18 jarige wist. Ik val daar buiten mijn vakgebied regelmatig op terug. Gelukkig word ik af en toe bijgespijkerd door Jona en Gert…

        1. Martin van Staveren

          Voor quantummechanica heb je analyse en lineaire algebra nodig. Dat krijg je dus in het eerste jaar natuurkunde, dat kan niet op de middelbare school. Het Rydberg-Ritz combinatie principe (spectrale frequenties) kan al wel op de middelbare school besproken worden. Het Ritz principe dateert uit 1908, toen was de quantummechanica er nog niet. Heisenberg heeft zijn quantummechanica (“matrixmechnica”) op het Ritz principe gebaseerd.

          1. FrankB

            Misschien bedoelt Joost van den B een bespreking van elementaire deeltjes, zonder berekeningen en dus zonder wiskunde. Dat was bij mij in de zesde klas een keuzevak. Ik koos iets anders.

          2. Harry ten Brink

            Sorry maar ik vind de Rydberg serie geen goed voorbeeld
            QM is mijns inziens beter uit te leggen via de golfmechanica voor electronen en het double-slit experiment met erg leuke filmpjes hoe het interferentie patroon aich opbouwt per inslag van de individuele electron. Als je test door welk gat het electron gaat is het patroon er niet
            Via de golfbeschrijving is de Heisenberg onzekerheidsrelatie ook inzichtelijk te maken
            (heb 4 jaar werkgroepen Quantum Chemie gegeven tijdens promotie)

            1. Martin van Staveren

              Ja, dat double slit experiment is natuurlijk ook heel bekend, maar ook niet te begrijpen vanwege de interfererende waarschijnlijkheden.

  3. Dirk Zwysen

    Je zou de twee modellen visueel kunnen combineren in een moerassige rivierdelta.

  4. Truus Pinkster

    Wat ben ik het daar hartgrondig me eens: de ontdekking van het Indo-Europees en de verschillende klankwetten als onderdeel van het curriculum van de middelbare school. Zeker op een Athenaeum en Gymnasium.
    Overigens: de gemiddelde zogenaamde intellectueel heeft ook geen idee hoor !!
    Als je hen vertelt dat dit een van de allerbelangrijkste wetenschappelijke ontdekkingen van de 19e eeuw is kijken ze je glazig aan of zeggen: in de geestesweteschap misschien maar van dé wetenschap ?

    1. Jacob Krekel

      Ik ken wel ergere lacunes dan de geschiedenis van het Indo-europees. Zoals het burgerlijk recht, waarvan iedereen in zijn volwassen leven een basiskennis nodig heeft, maar dat nergens op school wordt gedoceerd.
      Onderwerpen als de geschiedenis vh indo-europees en tientallen – zo niet honderden – andere onderwerpen kunnen best onderwezen worden, b.v. door een enthousiaste leraar die er veel van weet, en dat kan net zo goed bij scheikunde als bij Nederlands, maar je kunt dat niet op het niveau van de leerling invoeren in het voor alle leerlingen verplichte curriculum. Voor zulke onderwerpen moet er ruimte zijn op het niveau van het schoolstelsel. En die ruimte kan alleen ontstaan door het algemeen verplichte curriculum kleiner te maken, niet door er voortdurend nieuwe onderdelen aan toe te voegen.

    2. Volgens mij heb ik dat wel degelijk gehad, maar dan bij (klassiek) Grieks. Misschien niet in het officiële curriculum, maar het is heel natuurlijk om je bij klassiek Grieks af te vragen waarom je niets snapt van het Grieks dat in Griekenland wordt gesproken (teleurgestelde klasgenoot na een vakantie in Griekenland, wel de lettertjes kunnen lezen, maar er dan nog iota van snappen) en waarom eigenlijk Grieks, Latijn, Frans, Engels en Nederlands een beetje op elkaar lijken, waarna je snel bij het Indo-Europees uitkomt.

  5. Frans Buijs

    Is het niet veel slimmer om die inleiding tot de Indo-Europese talen bij geschiedenis te geven? Stel je voor dat je als tiener leert dat talen als Russisch en Spaans als je maar ver genoeg terug gaat aan elkaar verwant zijn. En hoe dat ook weer laat zien hoe volkeren zich verspreiden. Volgens mij kun je dat er best bij doen als je de prehistorie behandelt.

  6. Karel van Nimwegen

    Als dit schoolstof wordt is belangrijk waar de accenten liggen: dat alle volken verwant zijn of dat een overvolk verdeeld raakte.

    1. René Ariens

      En die keuze lijkt me afhankelijk van het narratief in het curriculum. In recente schoolboeken voor brugklassers wordt al aardig wat geschreven over hoe culturen in de oudheid met elkaar handelden en kennis uitdeelden. Bijvoorbeeld: geld, specerijen, alfabet.

      1. Harry ten Brink

        Het curriculum geschiedenis vind ik een ramp. Mijn grootste bezwaar: er is geen enkele overgang tussen de hoofdstukken. Er is veel te veel detail met namen die maar EEN keer genoemd worden. In een hoofdstuk wordt zonder nadere toelichting teruggegaan naar een erder periode, zoals bij het Frankische rijk: voor mijeen aanpak waarbij de interesse in de geschiedenis, mocht deze er zijn, grondig wordt bedorven.

Reacties zijn gesloten.