De vloot van Majorianus

Majorianus (Valkhof Mmuseum, Nijmegen)

Niemand reist met de trekschuit, geen industrieel gebruikt een stoommachine, lithografie is vooral leuk als curiosum. De achttiende eeuw is in veel opzichten voorbij, maar de inmiddels twee eeuwen verouderde History of the Decline and Fall of the Roman Empire van Edward Gibbon wordt nog geciteerd alsof dat het Woord Gods is. Menig Wikipedia-artikel is verschlimmbessert doordat correcte informatie werd vervangen door verwijzingen naar een boek uit 1776.

Keizer Majorianus

Elk nadeel heeft echter een voordeel: keizer Majorianus, aan wie Gibbon enkele positieve zinnen wijdt, is iets minder onbekend dan de andere heersers van zijn tijd. Gibbon prijst Majorianus’ energie en het is niet moeilijk te zien waarom, want toen deze keizer aantrad was het gezag van het westelijke keizerlijke hof beperkt tot Italië en Illyricum, en Majorianus deed zijn best het machtsbereik te herstellen.

Hij trad aan in 457. In enkele jaren tijd versloeg hij de Alamannen, rukte hij op naar de Provence om Arles te beschermen tegen een aanval door opstandige Visigoten en vervolgens bracht hij de Languedoc terug onder keizerlijk gezag. Daarna vergrootte hij zijn greep op Iberië en heroverde een van zijn officieren Sicilië. Zelf heroverde hij Lyon op de Bourgondiërs, waarna hij Aegidius aanwees als gezaghebber in Gallië. Deze begon met Majorianus’ goud nieuwe bondgenoten te werven, en de vondst van de Schat van Lienden bewijst dat het herstelde netwerk zich uitstrekte via een Frankische middleman, vrijwel zeker Childerik, tot in het Nederlandse rivierengebied.

Ondertussen bestreed Majorianus corruptie, herstelde hij de staatsinstellingen en herzag hij de belastingen. Sidonius Apollinaris en Prokopios prijzen hem omdat hij (fiscaal) zachtmoedig was voor zijn onderdanen, omdat hij de schrik van zijn vijanden was en omdat hij in deugd iedereen overtrof – een oordeel dat Gibbon dus overnam.

Het einde van Majorianus

Ondanks alle successen had hij vijanden gemaakt. Buitenlandse vijanden natuurlijk, die zonnen op wraak. Maar ook binnenlandse, zoals generaal Ricimer en de senatoren die belasting moesten betalen. Majorianus lijkt het onvoldoende in de gaten te hebben gehad, want in 460 was hij bezig om het keizerlijk gezag over Iberië te herstellen, zodat hij niet goed wist wat er gebeurde in Italië. In de winter bouwde hij in het zuidoosten van Spanje een vloot, waarmee hij wilde afrekenen met de Vandalen, die een zelfstandig koninkrijk hadden in de Maghreb. Hun koning Geiserik vernam echter via een verrader van Majorianus’ plannen en schakelde in mei 461 de vloot uit voordat die kon oversteken.

Dit was de mislukking waarop zijn vijanden hadden gehoopt. In de zomer van 461 liet Ricimer Majorianus arresteren en executeren. Daarna plaatste hij Libius Severus op de troon, die in elk geval in Gallië niet werd erkend: Aegidius begon er voor zichzelf.

Zeeslag

Tot zover het verhaal van Majorianus, die dus regeerde van 457 tot 461. Ik noem hem omdat er momenteel een intrigerende archeologische speculatie is over zijn regering.

De vloot die hij in Spanje bouwde om de Vandalen te bestrijden, lag volgens de contemporaine Spaanse auteur Hydatius in de provincie Hispania Carthageniensis, vernoemd naar de hoofdstad Carthago Nova ofwel Cartagena. Daarom staat de vernietiging wel bekend als de zeeslag bij Cartagena, hoewel Hydatius eigenlijk een wijder gebied aanwijst. Het intrigerende aspect is nu dat ruim een eeuw na de gebeurtenissen bisschop Marius van Avenches (in Zwitserland) schreef dat het gevecht had plaatsgevonden in Ilici ofwel Elche.

Louter als tekst bekeken is er geen tegenspraak tussen de twee bronnen: Elche lag in de provincie die Hydatius noemt. Zo bezien kunnen beide auteurs gelijk hebben. Dan moet Elche echter wel aan zee liggen, en dat is niet het geval. We kunnen nu twee dingen doen:

  • óf de informatie negeren die we vinden bij Marius (een eeuw later en 1500 kilometer verderop)
  • óf een hulphypothese introduceren, namelijk dat de slag niet plaatsvond in Ilici maar in Portus Ilicitanus, de “haven van Elche” ofwel Santa Pola.

Dit laatste is gebruikelijk, maar er zijn bezwaren. Om te beginnen is er dus een hulphypothese nodig, wat nooit een aanbeveling is in een wetenschappelijke redenering. Bovendien ligt de stad, ten noordoosten van Cartagena, verder van de Maghreb. Wie hier zou vertrekken, moet een langere zeereis maken en neemt dus extra risico.

En nu is er ineens een derde stukje bewijs. Niet ver van Águilas, ten zuidwesten van Cartagena, ligt een baai die uitstekend kan hebben gediend als de plaats waar de Romeinse keizer zijn vloot kan hebben verzameld. Ook is de plek gunstiger gelegen ten opzichte van de Maghreb. De regio was lange tijd verlaten, maar rond het midden van de vijfde eeuw is er ineens grootschalige bouwactiviteit. Een van de werkhypothesen is nu dat Águilas, dat ligt in de door Hydatius genoemde provincie en, anders dan het door Marius van Avenches genoemde Elche, ligt aan zee, de plek is geweest waar Majorianus zijn vloot verzamelde. Het gevaar bestaat nu dat de archeologen de vondsten naar die hypothese toe interpreteren, maar wie weet, wie weet.

Deel dit: