
[Dit is het tweede van vijf blogjes door Jos Hanou over Sint-Vitus. Het eerste was hier.]
Straffen op Sicilië
Jacob van Voragine begint bijna ieder heiligenverhaal in de Gulden Legende met een etymologische uitleg. Bij Vitus kan dat op vita (leven) of virtus (deugd) duiden. Daarna brandt het verhaal los, doorgaans in korte zinnen die predikanten met hun retorische talenten konden verrijken. Kunstenaars deden dat natuurlijk ook met hun beeldende middelen.
De twaalfjarige senatorszoon Vitus was Siciliaan en als christen opgevoed door zijn huisleraar Modestus en zijn voedster Crescentia. Van zijn heidense vader Hylas “kreeg hij de zweep omdat hij de afgoden verachtte en ze niet wilde aanbidden”. Een bijna terloopse mededeling die een Oostenrijkse schilder rond 1515 inspireerde tot de hierboven afgebeelde, levendige en gelaagde beginscène van een aan Vitus gewijd altaarstuk. Onder een zilveren afgodsbeeld proberen verbijsterd kijkende volwassenen Vitus van zijn ongelijk te overtuigen. Het is een debat op filosofisch niveau, want op talrijke vingers worden argumenten afgeteld. Eigentijdse kijkers konden deze iconografische conventie herkennen van (prenten naar) Dürers schilderij waarin de twaalfjarige Jezus de Bijbel rustig uitlegt aan ongunstig uitziende Schriftgeleerden. Het altaarstuk benadrukt daarmee Vitus’ navolging van Jezus. Als tegenhanger van het zielloze tempelbeeld voegde de schilder in de achtergrond een gotische kapel met Vitus’ doop toe, onder bescherming van de neerdalende Heilige Geest. De doopvont is bovendien een visuele cliffhanger die kijkers voorbereidt op een antitype: de ketel waarin Vitus een latere marteling zal ondergaan.
Dan wordt de spanning opgevoerd. Omdat Vitus afgoden afwijst moet hij voor de prefect Valerianus verschijnen, die zijn beulsknechten beveelt hem met stokken af te ranselen. Meteen verdorren hun armen, waarop Vitus Valerianus’ machteloze goden aftroeft door hem na gebed “in de naam van mijn God” te genezen. De Gulden Legende besluit deze episode met een advies van de prefect aan Vitus’ vader: “Pak uw zoon aan, anders zal hij ellendig aan zijn eind komen”. Ondankbaarheid is een topos die we vaker zullen tegenkomen.
Een in 1355 in het Boheemse klooster van Krumau gemaakte armenbijbel toont de mislukte bestraffing en het wonder. Links beveelt Valerianus met een spreekgebaar de afranseling die in het midden begint. Rechts strekt Vitus zijn genezende hand uit naar de inmiddels verstijfde arm van de prefect. De tekening bewijst ook dat de grondtekst soms slordig werd gelezen. Boven Valerianus’ hoofd staat “Imperator”, hoewel de Romeinse keizer pas later in het verhaal opduikt (of zou het verkapte kritiek zijn op de ook uit Bohemen afkomstige keizer Karel IV?). Verder lijkt het erop dat ook deze kunstenaar bewust een parallel met de Passie van Christus inbouwde. De beul rechts in het centrale tafereel draagt een kegelvormige hoed, de pileum cornutum die Joden verplicht droegen sinds het Vierde Lateraans Concilie van 1215. Joden komen in Vitus’ levensbeschrijving niet voor, maar passen wel in de eigentijdse agenda die hen als Godsmoordenaars afschilderde.

Thuisgekomen gooit Hylas het over een andere boeg: hij probeert Vitus “met muziek, spel en dans van jonge meisjes en andere geneugten tot andere gedachten te brengen”. Ook dat plan mislukt jammerlijk, want met hulp van Modestus en Crescentia keert Vitus zich af van alle aardse verlokkingen. Een Duitse meester lijkt in zijn opvatting van deze passage begrip te tonen voor gemengde gevoelens bij minder ascetisch aangelegde toeschouwers. Naast Vitus kijkt diens tegenstribbelende, nimbusloze alter ego spijtig om naar de verleidingen die ze op de drempel van een wereldlijke omgeving achterlaten: Wein, Weib und Gesang.

Ten einde raad geeft Vitus’ vader hem kamerarrest. Gealarmeerd door een wonderbaarlijk zoete geur kijkt hij door de deur naar binnen en wordt verblind door het licht van zeven engelen die hij voor vuurgoden houdt. Opgeschrikt door zijn gejammer is de hele stad er getuige van dat Hylas een stier met gouden hoorns aan Jupiter offert om zijn gezichtsvermogen te herstellen. Tevergeefs, want opnieuw lukt dat pas door Vitus’ gebed. Maar net als Valerianus blijft Hylas blind voor het ware geloof en overweegt zelfs Vitus te doden.

Redding is nabij, want een engel verschijnt aan Modestus en beveelt hem “met de jongen scheep te gaan naar een ander land”. Eenmaal onderweg “bracht een adelaar voedsel en zij deden vele wonderen”. Van dit summiere gegeven creëerde een moderne Italiaanse kunstenaar een inventief en volkrijk spektakel voor het portaalreliëf van een aan zee gelegen Siciliaans kerkje.

Op de voorplecht van een schip neemt de heilige zegenend afscheid, zeilen worden gehesen en giotteske engelen dwarrelen door de lucht. Rechts van de toegestroomde stadgenoten en hun hondjes (daarover later meer) verwijzen een moeder met kind op een ezeltje op speelse wijze naar weer een Bijbelse parallel: de vlucht van Jozef, Maria en Jezus naar Egypte. Het bronzen vaarwel sluit aan op de plaatselijke heropvoering van Vitus’ inscheping, een onderdeel van de jaarlijkse processie.
[Deze gastbijdrage van kunsthistoricus Jos Hanou wordt later vandaag vervolgd. Dank je wel Jos!]
Zelfde tijdvak
De Omari-moskee in Beiroetoktober 29, 2022
Het Alhambra: een hemels paradijs (1)november 17, 2023
Byzantium, een onbegrepen wereldrijkapril 15, 2019

Ben dol op dit soort plaatjes! En opnieuw een heilige die door de Heere gered wordt tot die zelfde Heere er kennelijk genoeg van heeft en de heilige zijn marteldood gunt. Vergelijk Cosmo & Damian en Catherina van Alexandrië. Ik neem althans aan dat het eindigt met Vitus zijn marteldood.
Die parallellen zijn inderdaad volop aanwezig. Vitus overleeft alles, totdat… (cliffhanger)
Het begint al heerlijk tegenstrijdig:
“als christen opgevoed door zijn huisleraar Modestus en zijn voedster Crescentia”
En in plaats van deze verachtelijke lieden te straffen voor het indoctrineren van een jochie wordt het kind aangeklaagd en gemarteld. Dat krijg je als je wel kinderen wilt maar opvoeden je te veel werk is!
Tjongejonge, die Middeleeuwers hielden wel van sappige verhalen. 😉