
[Het is vandaag de feestdag van Sint-Vitus. Dit is het voorlaatste van vijf blogjes die Jos Hanou schreef over deze heilige. Het eerste was hier.]
Reislustige relieken
De historiografische invulling van dit hoofdstuk is een collage van divers bronmateriaal en wil niet meer zijn dan een aanvaardbare omlijsting van de gekozen iconografie. Volgens een mistige overlevering werd Vitus’ lichaam in 583 ontdekt, en in 700 naar Rome overgebracht. Daar bleef het niet lang. Paus Stephanus II zocht wereldlijke steun tegen zijn Langobardische en Byzantijnse vijanden in Italië en nam de met geestkracht gevulde relieken in 756 mee naar de abdijkerk Saint-Denis voor de zalving van Pippijn de Korte tot koning der Franken.
Daar genoot het prestigieuze relatiegeschenk kort rust, want in 836 belandde het in de benedictijner abdij Corvey, een Karolingisch cultuurcentrum aan de Wezer. Een mogelijke oorzaak was onmin tussen de Frankische keizer Lodewijk de Vrome en abt Hildewijn van Saint-Denis, die noordwaarts vluchtte met Vitus als reisbagage. Zo’n illegale translatio werd gedoogd als ongevraagd verplaatste heiligen gewoon doorgingen met het verlenen van afgesmeekte gunsten. Ook Vitus ging akkoord, want volgens geschiedschrijver Widukind van Corvey “begon het geluk van de Franken te dalen en van de Saksen te stijgen”.
Corvey werd het centrum van de Vitusverering benoorden de Alpen, maar in de Dertigjarige Oorlog werd de met reliquaria gevulde schatkamer geplunderd en het klooster vernield. Vitus’ als voorname jongeling geklede beeld in de huidige kloosterkerk stamt uit de tijd van de herbouw in barokke stijl. Hij maakt aanstalten om met een elegante contrapost uit zijn aedicula te stappen, de blik omhoog en met boek en palmtak, algemene symbolen van geloof en martelaarschap, in zijn handen. De machtige leeuw aan zijn voeten is een onmiskenbaar Vitusattribuut, maar de vogel op het boek is meerduidig. Hij kan op Corvey duiden (corvus = Latijn voor raaf), maar een adelaar is waarschijnlijker. In de Gulden Legende brengt deze hoogvlieger voedsel tijdens Vitus’ zeereis en beschermt hij zijn lichaam na de dodelijke aardbeving. Associaties met de heraldische adelaar van de Duitse keizers waren ongetwijfeld ook welkom, want in zijn Saksische onderdak werd Vitus opgewaardeerd van volksheilige tot hof- en rijksheilige. De in de volkskunst populaire ketel is opvallend afwezig in deze deftige omgeving, wat aansluit bij de waardigheid die het Concilie van Trente aan religieuze kunst voorschreef.
Al sinds de negende eeuw reisden partikels van Vitus’ relieken naar plaatsen onder jurisdictie van Corvey. In westelijke richting verklaart dat de ooit talrijke Vituskerken in Friesland en Groningen, terwijl Vitus een Gooise heilige werd nadat graaf Wichman van Hamaland in Elten een aan Vitus gewijd damesstift stichtte voor zijn dochter Liutgard. Haar abdij genoot het vruchtgebruik van Wichmans leen Naerdincklant (Het Gooi). Naar het oosten namen de Duitse keizers en hun voorgangers Vitusrelieken mee om hun kersteningsoorlogen aan de randen van het rijk te ondersteunen. Hun strategie om heidense goden en erediensten onder dwang te verruilen voor christelijke alternatieven was effectief, want Sanctus Vitus verving de Slavische godheid Svantovit. Diens eigenschappen als vuur- en oogstgod pasten goed bij Vitus’ legendarische ketel en zijn naamdag op 15 juni, het begin van de oogsttijd. Omgekeerd werd de haan, een heilig dier dat Slaven tijdens oogstrituelen in kokende olie offerden, een alternatief voor de adelaar. Al rond 1100 wordt een gegraveerde zwarte haan op een zilveren armreliek van Vitus genoemd, en ook later prijkt hij samen met palmtak en boek in Hartmann Schedels met 1804 houtsneden verluchte Neurenbergse Wereldkroniek (1493). De tegengestelde kijkrichtingen van de gevederde haan en de inmiddels blondgelokte Vitus verlevendigen een ingekorte tekst van de Gulden Legende die de adelaar wijselijk negeert.

Mogelijk hebben ook de kraaiende hanen op de Vituskathedraal en de Astronomische Klok in Praag hun wortels in Slavische rituelen, want Vitus bereikte de stad kort na 900. Onder hertog Wenceslas werd Bohemen een protectoraat van Hendrik I de Vogelaar, de eerste koning van het middeleeuwse Duitse rijk en grondlegger van de Ottoonse keizerdynastie. Om hun relatie te bevestigen schonk Hendrik Wenceslas in 929 een arm van Vitus. Ter ere van de kostbare reliek bouwde de hertog er een heiligdom omheen, de voorloper van de huidige gotische Vitusdom. Daar toont een in 1509 geschilderde cyclus scènes uit Wenceslas’ leven, waaronder de plechtige overdracht van de arm. De weergave van de ceremonie benadrukt het streven naar religieuze en politieke continuïteit. De nimbus van de schutspatroon van Bohemen loopt bewust vooruit op zijn toekomstige heiligverklaring, en Hendriks opvallend tegen het witte altaardoek afstekende keizerskroon lijkt op die van Karel IV in veertiende-eeuwse afbeeldingen. Deze uit Bohemen afkomstige keizer verhief Praag tot rijksresidentie en bracht ook Vitus’ hoofd in triomf uit Corvey. De kathedraal bewaart de reliekbuste in de Schatkamer, de arm in de crypte.

Praag, Wenceslas en Vitus hielpen het christendom in de Slavische cultuurgebieden binnen de Duitse en later Oostenrijkse keizerrijken te verspreiden. Reislustige relieken waren gangmakers, gezien de 150 plaatsen in Europa die nog altijd Vituspartikels claimen. Wellicht belandden er ook botjes in het huidige Slovenië, waar hij de status van verzetsheld geniet. Wandschilderingen in dorpskerkjes herinneren aan de tijd dat het fascistische Italiaanse regime een deel van de regio bezette. Nationalistische priesters lieten hun kerkmuren decoreren met subversieve motieven, zoals martelscènes uit de Gulden Legende. Vitus personifieerde daarin het verweer tegen de onderdrukking, met kopstukken als Hitler, Mussolini en anderen als herkenbare tegenpolen. In een ervan kijkt een duivelachtige partijbons toe terwijl Vitus in het Colosseum leeuwen trotseert, en in een andere laat de grijnzende Duce, alias prefect Valerianus, een geboeide Vitus afranselen. Achter het verlichte traliekruis in het gewelf van de cel gloort vrijheid.

Deze opstandige confrontatie met zijn geboorteland voltooit Vitus’ rondreis door Europa. De kunstenaar overleefde zijn verzetspropaganda, misschien omdat de vijand de rebelse boodschap niet herkende. In de Italiaanse beeldcultuur is Vitus ondanks de Genuese oorsprong van de Legenda Aurea weinig zichtbaar boven Rome, en het zuidelijke narratief geeft in de weergave van zijn lotgevallen vaak voorkeur aan de aardbeving. De leeuw komt daar wel voor, maar als getemde viervoeter krijgen een of twee aangelijnde hondjes meestal de voorkeur. Zij stammen uit een parallelle traditie waarin Diocletianus rabiate honden op Vitus loslaat. Die versie haalde Jacobus’ bundel niet, maar bleef springlevend in de volkskunst.

[Deze gastbijdrage van kunsthistoricus Jos Hanou wordt straks afgerond. Dank je wel Jos!]
Zelfde tijdvak
De Karolingische Renaissance (3)augustus 21, 2024
Precolumbiaanse culturennovember 2, 2024
Asturiëaugustus 3, 2025

De Reislustige Relieken (had een album van Suske en Wiske kunnen zijn) passeerden in 836 een belangrijk kruispunt in het oosten van het huidige België. Dat zou daar de plaatsnaam Sankt Vith verklaren, althans volgens de Franse Wikipedia zonder bronvermelding. De Nederlandstalige pagina beweert (vertaalt fout?) dat Vitus er in de buurt verbleef.
Tja, bronnen en data… de Catholic Encyclopedia (1913) laat Hildewijn met nog meer relieken sjouwen, o.a. van St Sebastiaan en noemt 831 als jaar voor de translatio naar Corvey. Op internet wordt veel foutief van elkaar overgenomen, maar het is in ieder geval uitgesloten dat een springlevende Vitus zich rond die tijd gemanifesteerd zou hebben. Hoewel, je weet het maar nooit met heiligen.
“Sanctus Vitus verving de Slavische godheid Svantovit. Diens eigenschappen als vuur- en oogstgod pasten goed bij Vitus’ legendarische ketel en zijn naamdag op 15 juni, het begin van de oogsttijd. ”
Alsof hij er voor gemaakt was!!