Babylonisch recht

Babylonisch juridisch document (Ägyptisches Museum, Leipzig)

Wanneer we het hebben over Babylonisch recht, gaat het meestal over een van de beroemdste teksten uit de oude wereld: de Wetten van Hammurabi, uit de achttiende eeuw v.Chr. Het probleem met deze codificatie is dat we niet goed begrijpen wie de in spijkerschrift geschreven tekst zouden hebben kunnen lezen. Hammurabi lijkt vooral te hebben willen aangeven dat hij zijn best deed een goede koning te zijn. Daar is niks mis mee, maar een tekst die leesbaar is voor slechts een minderheid, biedt duidelijkheid aan slechts een minderheid. Maar ook een koning moet natuurlijk ergens beginnen.

In de dagelijkse praktijk zal de rechtsvinding in handen zijn geweest van dorpshoofden die moesten improviseren aan de hand van traditie, analogie en billijkheid. We hebben echter wat teksten – geschreven documenten, dus betrekking hebbend op de elite – die tonen dat er ergens tussen Hammurabi’s principe en de dagelijkse gang van zaken toch een formele praktijk was die ruimte liet voor allerlei nuances. Noem het voor mijn part notariaat. Hier is een voorbeeld.

Sin-tajjar heeft aan Lalaka, de zoon van Šiqlanu, acht iku land [bijna drie hectare] ter beschikking gesteld, en aan Beltani, de dochter van Rabanum, vijf iku land [bijna twee hectare]. Samen dertien iku land. Sin-tajjar en Ubajatum de Suteeër hebben bij Marduk en bij [koning] Apil-Sin gezworen dat ze geen klachten over en weer zouden hebben over het gerst op de dertien iku land van E-Nanna die voor Ubajatum waren bedoeld.

Wat hier aan de hand is, is dat Sin-tajjar een akker in leen of in pacht had van de tempel van de maangod (Nanna) in de stad Ur, en dat hij het gebruik toekende aan twee anderen, die het dus in onderleen of onderpacht hadden. De opbrengst was echter geoormerkt voor een zekere Ubajatum, die met Sin-tajjar overeenkwam dat er geen wederzijdse klachten zouden zijn nu anderen het land bewerkten. Er volgen nog wat getuigennnamen en tot slot is er de datum: de 26e dag van de eerste maand van vijftiende regeringsjaar van Apil-Sin. Nu vastgesteld is dat de middenchronologie van Mesopotamië correct is, kan dat alleen in de lente van 1816 of 1808 v.Chr. zijn.

Het document illustreert dat de Babyloniërs al heel ver hadden nagedacht over eigendom: er is een eigenaar, namelijk de tempel van Nanna; er is iemand die de landerijen toewijzen kan (Sin-tajjar) aan onderpachters of onderleners; er zijn mensen die een bepaald recht hebben op de opbrengst, namelijk Ubajatum; en er zijn garanties ingebouwd voor de toekomst.

[Dit was het 555e voorwerp in mijn reeks museumstukken.]

Deel dit:
Reageren is alleen mogelijk voor site‑leden.
Log in met je uitgenodigde account of vraag lidmaatschap aan bij de redactie.