
In het eerste deel van dit stuk vertelde ik hoe de Thebaan Wen-Amun door de hogepriester van Amun, Herihor, was uitgezonden om in Byblos het felbegeerde cederhout te kopen. Farao Nesbanebdjed verleende steun maar in Dor, de havenstad van het volk van de Tjeker, werd Wen-Amun beroofd van zijn goud en zilver. Omdat de stadsvorst compensatie weigerde, confisqueerde Wen-Amun het zilver van een Tjeker-schip. Daarmee bereikte hij Byblos, waar hij zijn paviljoen opsloeg bij de haven en het edelmetaal samen met een beeldje van Amun een veilige plek gaf.
***
Wen-Amun was niet welkom. De tijd waarin de koning van Byblos blij zou zijn geweest hout te mogen leveren voor een bark voor Amun in het verre Thebe, was al ruim een halve eeuw voorbij en de plaatselijke koning, Zakar-Baäl, liet de diplomaat weten dat hij diende te vertrekken. Wen-Amun antwoordde dat hij geen schip had om naar Egypte terug te keren. Dat herhaalde zich iedere dag, een maand lang: elke morgen kwam een koninklijke bediende de heuvel aflopen om de Egyptenaar te zeggen dat hij moest vertrekken en elke morgen klom hij van het strand terug naar het paleis om de koning te vertellen dat Wen-Amun niet vertrekken kon. Toen gebeurde er iets wonderlijks.

Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.