Vanaf de zijlijn is het makkelijk kritiek hebben; ik wil, na mijn vorige blogje, ook een manier noemen waarmee het museum én op de Odyssee-film kan inhaken én kan tonen waarom de Oudheid belangrijk is. We hoeven er zelfs niet voor weg van Penelopes Ithaka.
Opgehangen slavinnen
Kijk eens naar het einde van boek 22 van de Odyssee, waar Odysseus’ zoon Telemachos de slavinnen executeert die hebben geslapen met de mannen die dongen naar Penelopes hand (de “vrijers”). Hier is de (iets aangepaste) vertaling van M.A. Schwartz:
In het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden is momenteel een kleine expositie, eigenlijk een minitentoonstelling, over koningin Penelope: u weet wel, de echtgenote van Odysseus. Ze wachtte twintig jaar op haar man, zonder zelfs maar te weten of die überhaupt nog in leven was. De expositie benadrukt dat ze niet alleen een trouwe echtgenote was, maar even slim als haar echtgenoot. Immers, ze hield de mannen die dongen naar haar hand (en de koningstitel) aan het lijntje door voor te wenden dat ze een nieuwe partner zou kiezen zo gauw ze de lijkwade van haar schoonvader had geweven, maar haalde ’s nachts steeds het weefsel weer uit. Zo verdedigde ze op haar manier het koninkrijk van Odysseus. Je kunt toevoegen dat ze, toen een mysterieuze gast zei Odysseus te zijn, ook nog een slimme manier had om vast te stellen of dit waar was.
Penelopes bedrog, lezen we op het tentoonstellinkje, “wordt tegenwoordig ook herverteld als bredere parallel voor vrouwelijke vormen van verzet in een mannelijke maatschappij”. Twee romans illustreren dit punt en tot slot is er aandacht voor vrouwen die tijdens de Tweede Wereldoorlog “hun oorlog aan het thuisfront in plaats van op het slagveld” streden, bijvoorbeeld door joodse kinderen te redden.
We moeten het weer eens hebben over Spanje, een land waarvoor ik mijn oude liefde begin te hervinden (en waarheen ik volgend jaar een reis organiseer). Meer in het bijzonder wil ik het hebben over bovenstaande stèle uit de Late Bronstijd, die ik fotografeerde in het mooie archeologische museum in Madrid, en die ooit stond in Magacela bij Badajóz.
Zulke stenen monumenten zijn overal in Europa gevonden, en zijn eeuwenlang vervaardigd. Ik heb weleens geblogd over een soortgelijke stèle uit Ategua. Die markeert vrijwel zeker het graf van een krijger, en het is natuurlijk aantrekkelijk ook bovenstaand, obeliskvormig monumentje zo te interpreteren. We zien duidelijk een mens met een speer in de hand en aan zijn voeten een rond schild. Op zijn hoofd lijkt hij een helm te hebben met twee hoorns, een type dat we in elk geval uit het oostelijk bekken van de Middellandse Zee kennen uit de Zeevolkentijd (kijk maar).
[De komende tijd zal Kees Alders enkele blogseries schrijven over de antieke Chinese en Indische filosofische stromingen. Een inleiding was hier; vandaag begint de eerste reeks over China met de tijd van de Shang-dynastie.]
Op naam van de archaïsche Griekse dichter Hesiodos, die u zo rond 700 v.Chr. moet plaatsen, zijn twee grote leerdichten overgeleverd: om te beginnen Werken en dagen, een schitterend gedicht over het dagelijkse management van een boerderij (en ja, dat onderwerp sluit allerminst uit dat iemand er mooi over schrijft), en daarnaast de Theogonie (“geboorte der goden”), een overzicht van alle goden en hun onderlinge conflicten, in het Nederlands vertaald door Ronald Blankenborg.
De Theogonie
We horen over hoe uit de oorspronkelijke chaos twee goden zijn voortgekomen, namelijk Ouranos en Gaia ofwel Vader Hemel en Moeder Aarde. Dit kosmische paar krijgt verschillende kinderen, waaronder de graangod Kronos, die jaloers is op de macht van zijn vader. Gaia heeft zo haar eigen redenen om een afkeer te hebben van Ouranos, en zij zet haar kinderen op tegen hun vader. Kronos neemt het voortouw bij de aanslag en overmeestert Ouranos, die hij met zijn graansikkel castreert.
Laat-Neolithisch aardewerk uit China (Musée Guimet, Parijs)
Deze blog gaat over de antieke wereld, dus de periode tussen pak ’m beet 3000 v.Chr. en 650 na Chr. De chronologische afbakening is simpel: daarvóór hebben we vooral archeologische bewijsmateriaal, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om te komen tot werkelijke geschiedschrijving. In de westelijke periferie ligt de einddatum iets later, maar voor het economisch, stedelijk en cultureel zwaartepunt van de antieke wereld, het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, vormt het jaar 650 een mooi eindpunt.
De geografische grens is minder scherp. Daarom besteed ik ook regelmatig aandacht aan de Sao– en de Nok-culturen in subsaharaal Afrika en aan de culturen van Centraal-Eurazië. De Zijderoute is een fijn thema. Zo af en toe komt dus China in beeld, zoals bij de Romeinse beschrijving van het Zijdeland en de Chinese beschrijving van de staat Dà Qín, maar ik heb nooit een echt blogje gewijd aan het Verre Oosten. Een poging dus, met een kritische paragraaf aan het einde.
Een van de meest overdonderende opgravingen die ik ken, is die van Efese, in het westen van het huidige Turkije. Volgens een legende die misschien een element van waarheid bevat, leidde ooit een Athener genaamd Androklos een groep Griekse kolonisten overzee naar de plek die dus Efese zou zijn. Ooit. Heel precies wist men het niet, maar het was gebeurd na de (legendarische) komst van de Doriërs en vóór Homeros de Ilias schreef. De Grieken plaatsten die gebeurtenissen, waarvan de historiciteit onduidelijk is, rond 1200 en rond 800 v.Chr. op de kalender. Als er een historische kern is in het verhaal over Androklos, bevindt die zich in de “Dark Ages”.
Efese is echter veel ouder. In teksten, gevonden in de Hittitische hoofdstad Hattusa, is sprake van Abasa. Die stad, de hoofdstad van het koninkrijk Mira, moet al rond 1600 v.Chr. hebben bestaan. Ze is teruggevonden op de Ayasoluk, de heuvel waarop tegenwoordig de kerk staat van de heilige Johannes.
De Gouden Hoed van Berlijn (Neues Museum, Berlijn)
Op de Bronstijdexpositie in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden, die ik al eens aanstipte, is momenteel de Gouden Hoed van Schifferstadt te zien, die in 1835 is gevonden in de buurt van Spiers. Het wonderlijke voorwerp is ergens tussen 1400 en 1300 v.Chr. vervaardigd. Negen jaar later dook nog zo’n voorwerp op, dit keer in Avanton bij Poitiers. Dat is ruwweg even oud en ik zal niet snel vergeten hoe ik het eind oktober zag in het Musée Archéologie Nationale in Saint-Germain-en-Laye: het cliché “magisch” was zeker op zijn plaats. Een derde hoed is in 1953 in de omgeving van Neurenberg bij Ezelsdorf gevonden. Die wordt gedateerd rond 1000 v.Chr.
Tot slot verwierven de Berlijnse musea in 1996 een hoed met een schimmige herkomst. Ook die Gouden Hoed van Berlijn dateert van rond 1000 v.Chr. Ik heb het een paar keer gezien, sensationalistisch opgesteld in mysterieuze duisternis. Ondanks het gekunstelde pathos waarmee het Neues Museum het presenteert, blijft het een indrukwekkend voorwerp. Het is vijfenzeventig centimeter hoog en weegt een pond.
De zuidgrens van het huidige Turkije wordt gedomineerd door een enorme bergketen, de Taurus. De Afrikaanse tektonische plaat botst hier tegen de Euraziatische plaat. Hoewel er kustvlaktes zijn, zoals Cilicië en Pamfylië, rijzen de bergen op veel plaatsen bijna meteen op uit de Middellandse Zee, waardoor het land weinig toegankelijk is en de rotskust gevaarlijk. Een van de beruchtste kusten was Lycië, in het zuidwesten (landkaart).
Lukka
De /c/ in Lycië danken we aan het Latijn, dat zo de /k/ weergaf. Ik blogde al eens over de laatantieke klankverandering. Maar je sprak het dus uit als Lukia, en zo heet het gebied dan ook in de oudste, Hittitische bronnen: Lukka. Die bronnen noemen nooit vorsten en er zijn ook geen staatsverdragen bekend, wat suggereert dat de Bronstijd-Lyciërs niet waren georganiseerd als koninkrijk. Dat wordt bevestigd door het feit dat monumentale architectuur ontbreekt: er was geen staatsapparaat. De mensen leefden als nomaden in een stamsamenleving.
Deze blog begon ruim dertien jaar geleden als een algemeen medium, zeg maar als een soort dagelijkse krant, en veranderde al snel in een blog over de Oudheid. Ik heb Rome, Griekenland, Egypte, Mesopotamië en Perzië altijd gepresenteerd in samenhang met Centraal-Eurazië en met Afrika; de Indusbeschaving en China kregen wat minder aandacht omdat ik er wat minder van weet. En Precolumbiaans Amerika kreeg pas de laatste jaren wat aandacht.
Eén reden daarvoor is dat ik meende dat de Precolumbiaanse culturen niet goed pasten bij de definitie van de oude wereld: de periode waarover we naast het archeologische bewijs al geschreven bronnen hebben, maar niet zó veel bronnen dat we aan echte geschiedvorsing kunnen denken. Eigenlijk, dacht ik, bestaat deze situatie in de Amerika’s alleen in de ruime eeuw vóór Cortés en Pizarro. Maar er zijn veel meer teksten, oudere ook, dan ik dacht. Een tweede reden: voor de op deze blog behandelde materie over de Oude Wereld kan ik zonder de Azteken en Inka’s uit de Nieuwe Wereld. En ook daarover ben ik anders gaan denken.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.