Kameel. Dromedaris. Lama

(Trouw, zaterdag 11 april)
(Trouw, zaterdag 11 april)

Je hebt beesten met twee bulten. Die heten in het Nederlands “kameel”, wat is afgeleid van het Griekse kamelos. Je hebt ook beesten met één bult. Die noemen we “dromedaris” en dat komt van het Griekse dromedarios, wat “snelle loper” betekent. Je hebt ook beesten met nul bulten en die noemen we met een leenwoord uit de taal van de Inca’s, het Quechua, “lama”. Drie beesten, allemaal familie, maar wel verschillende soorten.

Het dier op de foto hierboven is dus een dromedaris en niet, zoals in het bijschrift staat, een kameel. Vermoedelijk heeft de maker van het bijschrift gekeken naar een tekst in het Engels, een taal waarin het onderscheid tussen “camel” en “dromedary” weliswaar valt te maken, maar om een of andere reden vaak wordt genegeerd. (Het pakje Camel-sigaretten is het bekendste voorbeeld.)

Lees verder “Kameel. Dromedaris. Lama”

Een kameel voor Van Jole

Dit is geen kameel maar een dromedaris. Pasgeboren dromedarisjes kunnen meteen lopen, zoals deze kleine eenbulter in een karavaanserail in Iran.

Internetjournalist Francesco van Jole twittert vanmorgen dat het ongelooflijk is dat de Bijbel voortdurend kamelen noemt terwijl dat dier nog niet bestond. Hij linkt naar dit artikel en geeft met een emoticon aan dat hij erbij moet lachen, maar een tweet zijnde een tweet kan ik niet bepalen of hij lacht omdat hij verbaasd is, omdat hij het herkent als non-nieuws of omdat hij het wel erg kort door de bocht samenvat.

Voor de goede orde: het dier bestond natuurlijk. Het was alleen nog niet gedomesticeerd. Verder: dat weten we al een kleine eeuw. En de verbazing zou ergens anders om moeten gaan – en betreft een veel serieuzere kwestie. Vandaar deze uitgebreide reactie.

Lees verder “Een kameel voor Van Jole”

Dromedarissen, kamelen en anglicismen

Pasgeboren dromedarisjes kunnen meteen lopen, zoals deze kleine eenbulter in een karavaanserail in Iran.

Effectief schrijven: Aristoteles dacht er al over na en onderscheidde drie zaken waarop je moest letten. Ze zijn nog altijd een makkelijke kapstok voor wie wil leren een overtuigend betoog te schrijven. Zo iemand moet

  • zijn verhaal logisch doen (de argumenten moeten de conclusie schragen);
  • persoonlijk geloofwaardig zijn (Sonja Bakker en Adriaan van Dis moeten niet verontwaardigd doen over plagiaat);
  • het zo brengen dat het publiek uit je hand eet.

Dat laatste houdt bijvoorbeeld in dat je rekening houdt met emoties en verwachtingen die bij het publiek leven. Wie een ander wil overtuigen, doet er meestal niet verstandig aan hem te beledigen. Maar er zijn ook taalkundige verwachtingen die een effectieve schrijver respecteert, bijvoorbeeld bij de woordkeuze. Men mag best zeggen dat “hun” iets hebben gedaan, maar wie het opschrijft, zal een deel van zijn publiek kwijtraken, uit louter ergernis. Irritante, rare en ongebruikelijke woorden dienen, zoals Julius Caesar al opmerkte, te worden vermeden als klippen op zee. Je betoog kan erop stranden.

Lees verder “Dromedarissen, kamelen en anglicismen”