Stil lezen in de Oudheid (2)

Augustinus, lezend (Lateraan, Rome)

[tweede deel van een gastbijdrage van Gert Knepper over het antieke in stilte lezen; het eerste deel was hier.]

Maar hoe verklaart Aleksandr Gavrilov dan die fameuze passage bij Augustinus, sinds Eduard Norden het pièce de résistance van iedere voorstander van de opvatting dat in de Oudheid stil lezen héél zeldzaam was? Gavrilov wijst erop, dat Augustinus nergens met zoveel woorden beweert dat het stil lezen van Ambrosius an sich iets heel ongebruikelijks was. Augustinus tracht vervolgens dan ook niet zozeer Ambrosius leeswijze te verklaren als wel te rechtvaardigen, want waarom haalt die het in z’n hoofd een boek te lezen zonder dat zijn aanwezige volgelingen dat konden horen? Het gaat Augustinus niet om het vermelden van een uniek fenomeen, maar van een onbegrijpelijke manier van doen: Ambrosius hield wat hij las voor zichzelf, in plaats van het te delen met zijn leerlingen.

Gewoon in stilte lezen

Verderop in de Confessionesnoot Belijdenissen 6.3.3. beschrijft Augustinus hoe hij zelf aan het lezen is in silentio, in stilte. Ook daar gaat het hem er niet om zichzelf neer te zetten als iemand met een zeldzame vaardigheid (hij gaat daar verder helemaal niet op in) maar om duidelijk te maken dat zijn eveneens aanwezige vriend Alypius niet hoorde wat Augustinus las.

Lees verder “Stil lezen in de Oudheid (2)”

Stil lezen in de Oudheid (1)

Voorbeeld van een lastig te lezen tekst (Neues Museum, Berlijn)

Het was vooral de Duitse classicus Eduard Norden (1868-1941) die in zijn boek Die antike Kunstprosa (1898) de beroemde passage onder de aandacht bracht, waarin Augustinus bisschop Ambrosius in gezelschap stil zag lezen:

Als hij las, gingen zijn ogen over de bladzijden en zijn hart zocht de betekenis, maar zijn stem en zijn tong rustten. Vaak als we er bij waren – want iedereen kon zo maar binnenlopen en het was ook niet de gewoonte je eerst aan te melden – zagen wij hem zo in stilte zitten. En nadat wij dan ook in langdurig stilzwijgen gezeten hadden (wie zou het gewaagd hebben hem in zijn concentratie te storen?) vertrokken we weer.

We vermoedden dat hij in die korte ogenblikken die hij had om zijn geest op te frissen, vrij van de drukte van andermans zaken, zich niet met iets anders wilde bezighouden; en misschien wilde hij ook voorkomen, dat, als iemand vol gespannen aandacht toeluisterde, hij genoodzaakt zou zijn, onduidelijke gedeelten uit de tekst die hij hardop las, uit te gaan leggen. Of dat hij een uiteenzetting moest gaan geven van een of ander probleem waardoor hij minder boeken kon lezen dan hij wilde. Misschien wilde hij trouwens ook wel zijn stem sparen: hij werd nogal gauw hees.noot Belijdenissen 8.12.29.

Lees verder “Stil lezen in de Oudheid (1)”

De vloek van het Engels

De Selle

De laatste keer dat er een fatsoenlijk Nederlandstalig overzichtswerk verscheen over de Lage Landen in de Romeinse tijd was in 1981: De Romeinen in Nederland van Wim van Es. En dat was een herdruk. Er zijn sindsdien boeken verschenen over deelaspecten; feitelijk is het boek van Van Es eveneens een boek over een deelaspect. Zelf heb ik ook eens iets geschreven, maar het is niet moeilijk te erkennen dat De randen van de aarde en De rand van het Rijk niet de volwaardige syntheses zijn die we nodig hebben. Des te blijer ben ik dat me onlangs een lijvig manuscript werd toegestuurd van iemand die de Belgische en Nederlandse archeologie overziet én weet hoe een bron te lezen. Ik kreeg het verzoek te zien of er zaken ontbraken, en voor zover ik momenteel overzie, is dat niet het geval. Er is iets moois op komst.

Toch stuitte ik op iets wonderlijks: de rivier de Sabis, waar Julius Caesar in 57 v.Chr. de Nerviërs versloeg, zou “wellicht” de Selle zijn. Akkoord, alle kennis is  voorlopig en je kunt iedere bewering daarom clausuleren met “wellicht”. En ja, topografische identificaties zijn lastig. Ik blogde al eens over de simplistische aanname dat de Drususgracht lag in Nederland en ik schreef een boek over de onmogelijkheid te bepalen waar Hannibal over de Alpen trok. Maar in het geval van de Sabis is er redelijke zekerheid.

Lees verder “De vloek van het Engels”

Prebunking: Halloween

Halloween op Curaçao

Een paar decennia geleden waaiden enkele feesten naar ons over vanaf de andere kant van de Atlantische Oceaan: Valentijnsdag en Halloween. Migranten hadden eerder deze feestdagen de andere kant op meegenomen. Kort door de bocht kun je stellen dat de Amerikanen feesten voor ons hebben behouden en bewaard. Althans voor de Nederlanders, want elders in Europa zijn deze feesten nooit weggeweest.

Met name Halloween is behoorlijk misvormd tot ons gekomen. Of, positiever gezegd, in een ontwikkelingsfase waarbij speelsheid en commercie overheersen. Behoudende christelijke gemeenschappen hebben zich, ongehinderd door enige kennis, inmiddels tegen Halloween gekant, veronderstellend dat het een orgie van hekserij, magie en dood zou zijn. En dat is jammer, want de oorsprong van Halloween verraadt heel andere intenties. En omdat het over ruim drie weken weer zover is, en omdat de media ongetwijfeld flauwekul gaan rondbazuinen, zal ik proactief wat betere informatie bieden. Want Halloween is een intrigerend brok Keltische volkscultuur.

Lees verder “Prebunking: Halloween”

De eerste Olympische Spelen

Griekse worstelaars (Nationaal Museum, Athene)

Het overaanbod aan sport schijnt de meest opgegeven reden te zijn waarom mensen hun krantenabonnement beëindigen. Misschien geldt dat ook voor uw belangstelling voor deze blog, maar hoewel u wellicht nu al afhaakt, blog ik vandaag over de Olympische Spelen. De antieke.

De traditionele foto van “Vestaalse Maagden” die “het aloude Olympisch vuur” ontsteken is ons dit voorjaar gelukkig bespaard gebleven, maar u zult de komende tijd ongetwijfeld lezen dat de Olympische Spelen komen uit Griekenland. Ze zouden volgens de ene traditie zijn gesticht door de legendarische halfgod Herakles en volgens een andere traditie teruggaan op de lijkspelen voor de al even legendarische Pelops. Zo’n dubbele traditie in een mythische wereld is natuurlijk onzin en oudheidkundigen nemen daarom 776 v.Chr. als wat serieuzer te nemen stichtingsjaar. Dat de Olympische Spelen een Griekse uitvinding zouden zijn, betwijfelt echter niemand.

Lees verder “De eerste Olympische Spelen”

De jeugd van Jezus?

Jezus, vogel en Maria op een schilderij van Jan van Eyck

Ik was bezig met een reeks blogjes over ecokritiek, eindtijdverwachtingen en het mooie boek Hemels groen. Over 2 Petrus en de Openbaring van Johannes hebben we het al gehad. Ik had in gedachten vandaag een zijstap te maken naar een andere eindtijdverwachting, namelijk de Mensenzoon die het Laatste Oordeel zal uitspreken. Maar de actualiteit springt er weer eens tussen. Want onderzoekers hebben in een bibliotheek in Hamburg een vijfde- of vierde-eeuws papyrusfragment ontdekt over de jeugd van Jezus. Althans, dat lezen we hier en daar en ook daar.

Er zijn diverse problemen met dit bericht. Om te beginnen zijn de tekst en de inhoud al bekend. Verder is de tekst niet wat ’ie lijkt en tot slot is er geen sprake van een tekst die is “deciphered”, laat staan dat er iets is “revealed”. Dat is wel het jargon dat u in de stukjes hierboven leest. Wat gelukkig ontbreekt is de claim dat we nu iets weten wat het Vaticaan geheim wilde houden, zoals we meemaakten toen het valse Evangelie van de Vrouw van Jezus in het nieuws kwam.

Lees verder “De jeugd van Jezus?”

Dikke gladiatoren (4): Besluit

Reliëf van twee gladiatoren uit Maastricht (Limburgs Museum, Venlo)

Als ik de vorige drie stukjes mag samenvatten: eerst was er de voorbarige aanname van de onderzoekers van de gladiatorenbotten uit Efese dat gladiatoren dik waren. Die belandde vervolgens in een tentoonstellingscatalogus die gepubliceerd werd voordat het onderzoek was afgerond. Daarna haalde het idee een archeologisch tijdschrift en daarvandaan verspreidde idee zich naar de blogosfeer en dus het algemene publiek. De eigenlijke onderzoeksresultaten kwamen nooit verder dan de wetenschappers.

Sommige blogartikelen, geschreven voor specialisten, verwijzen wél naar het laatste onderzoek, maar richten zich nog steeds op de theorie van dikke gladiatoren, en weerleggen de ideeën over de mollige strijders. Helaas hebben Kanz en Grossschmidt nooit expliciet vermeld dat de gladiatoren geen strikt vegetarisch of veganistisch dieet hadden, waardoor ze de moderne misvatting over gladiatoren ruim baan gaven.

Lees verder “Dikke gladiatoren (4): Besluit”

Dikke gladiatoren (3): Discussie

Gladiatoren op een beker uit Nijmegen (Valkhofmuseum)

Over de claim dat gladiatoren dik waren, zo onhandig naar voren gebracht en in wetenschappelijke literatuur nooit meer herhaald, ontspon zich een interessante discussie op de plek waar het publiek er kennis van neemt: het internet.

Verwoestende wapens

Om te beginnen was er Ben Millers blog over alles wat te maken heeft met schermen, “Out of this Century”. Daar analyseerde gastauteur David Black Mastro in 2010 de dikke-gladiator-theorie. Hij verwierp de aanname dat onderhuids vet een bescherming zou zijn tegen snijwonden, omdat dit “de verwoestende aard van antieke blanke wapens” zou negeren.

Lees verder “Dikke gladiatoren (3): Discussie”

Dikke gladiatoren (2): Eerste conclusies

Beeldje van een slanke gladiator (Archeologisch Museum, Rabat)

De eerste keer dat Karl Grossschmidt en Fabian Kanz opperden dat de gladiatoren dik waren geweest, was in de tentoonstellingscatalogus Tod am Nachmittag – Gladiatoren in Ephesos (2002). Om precies op pagina 64 van het hoofdstuk “Leben, Leid und Tod der Gladiatoren. Texte und Bilder der Ausstellung”. In hun latere rapport “Stand der Anthopologischen Forschungen zum Gladiatorenfriedhof in Ephesos” (2005) reppen de twee onderzoekers er echter niet meer over.

Het dieet van de gladiator

Wel vergelijken Grossschmidt en Kanz gladiatoren met moderne vecht- en krachtsporters. Een gladiator van tussen de negentien en vijfentwintig jaar oud, met een gemiddeld gewicht van zeventig kilo, zo schrijven ze, had een dagelijkse energiebehoefte van 4800 kcal, voor 19% bestaand uit eiwitten, voor 30% uit vetten en voor 51% uit koolhydraten. Dat zou dan neerkomen op een rantsoen van 450 gram witte bonen, 280 gram gerst en 290 gram olijfolie per dag. Om in de dagelijkse calciumbehoefte te voorzien, dronk een gladiator de in het vorige stukje al genoemde as-drank.

Lees verder “Dikke gladiatoren (2): Eerste conclusies”

Dikke gladiatoren (1): Het onderzoek

Gladiatoren op een reliëf uit Kibyra (Archeologische Musea, Istanbul)

In 2008 interviewde Andrew Curry voor Archaeology Magazine de Oostenrijkse paleopatholoog Karl Grossschmidt over diens onderzoek van de botten van gladiatoren van de begraafplaats in Efese. Grossschmidt vertelde:

Gladiatoren hadden onderhuids vet nodig. Zo’n vetkussen beschermde tegen snijwonden en schermde in een gevecht de zenuwen en bloedvaten af.

Hij baseerde deze analyse op het sterk vegetarische dieet van de antieke vechters. Dat bestond uit gerst en bonen. Al snel deed het idee de ronde dat gladiatoren dik waren. Hoe zit dit?

Lees verder “Dikke gladiatoren (1): Het onderzoek”