Een tijdje geleden blogde ik over het Gilgameš-epos, het verhaal over een koning van de Mesopotamische stad Uruk die met zijn vriend Enkidu enkele avonturen beleeft, radeloos is als zijn metgezel sterft, op zoek gaat naar de onsterfelijkheid en langzaam ontdekt dat het leven zijn waarde ontleent aan wijsheid. Het eerste grote avontuur is de strijd die Gilgameš en Enkidu leveren tegen Humbaba, het monsterlijke gedrocht dat in het Libanongebergte de ceders der goden bewaakt. Tijdens het gevecht krijgt het tweetal de steun van de zonnegod Šamaš.
Een typische schenkkan uit het Oude Rijk van de Hittieten; museum van Hattusa
[Dit is het derde deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]
Aan het Rijk van de Hittieten herinneren talloze monumenten in centraal-Turkije. De voornaamste nederzetting was natuurlijk de hoofdstad Hattusa, niet ver ten oosten van Ankara. Er is een deel van de Hittitische stadsmuur gereconstrueerd en daarnaast ligt een gigantisch tempelcomplex, dat dateert uit de tijd van het Oude Rijk: de periode tot ongeveer 1400. Daaruit stamt ook de koningsburcht, hoewel de bebouwing die daarop nu is te zien, dateert uit het Nieuwe Rijk, ruwweg de periode 1400-1200. Ik beken dat ik die burcht wat tegen vind vallen.
Hattusa werd in de veertiende eeuw uitgebreid met een bovenstad. Als de graansilo’s (wel opgegraven maar niet meer te bezichtigen) een aanwijzing vormen, woonden er in deze tijd zo’n 30.000 mensen. In de bovenstad zijn opvallend veel tempels zijn gevonden en ik vind de gedachte aantrekkelijk dat het tevens de ambassades waren van de steden die de goden vereerden die ook in deze tempels hun huis hadden. De stadsmuur om de bovenstad was voorzien van drie poorten: de Leeuwenpoort, de Sfinxenpoort en de Koningspoort. Alleen de laatste heeft een logische locatie, de twee andere zijn onpraktisch geplaatst en het zou me niet verbazen als ze alleen werden gebruikt bij speciale gelegenheden.
“Zonneschijf” uit Alacahöyük, nu in het museum voor Anatolische Beschavingen in Ankara.
[Dit is het tweede deel van een reeks over de Brons- en IJzertijd van Turkije; het eerste deel is hier.]
De opkomst van de steden en het ontstaan van de staat vonden plaats tijdens de overgang van de Kopertijd naar de Vroege Bronstijd, zo rond 3000 v.Chr. Rond 2750 ging Arslantepe ten onder. De opgraving van Alacahöyük documenteert de tweede helft van het Vroeg Brons. Er zijn dertien koningsgraven gevonden – vijf ervan zijn momenteel te zien – waarin wonderlijke bronzen of zilveren voorwerpen zijn opgegraven die, om het oneerbiedig te zeggen, nog het meest lijken op mattenkloppers. Men noemt ze “zonneschijven”, maar dat is omdat we niet weten wat ze wél zijn.
Tegen het einde van de Vroege Bronstijd trokken nieuwe volken Anatolië binnen, die Indo-Europese talen spraken. Daarvan stammen drie talen uit de historische periode af: het Luwisch, dat we later aantreffen in het zuiden en westen van Turkije (bijvoorbeeld in Troje), een daarmee verwante taal die in een eigen schrift werd geschreven en daarom “hiërogliefisch Luwisch” wordt genoemd, en de taal van de Hittieten.
Kanesh was de naam van een Assyrische handelsnederzetting in het zuidoosten van Anatolië, daterend uit de negentiende en achttiende eeuw v.Chr. De moderne naam is Kültepe en ik ben er eergisteren wezen kijken.
De plek is vooral beroemd door de vele kleitabletten die er zijn gevonden. Ze documenteren de interregionale handel van die tijd. Toen ze werden ontdekt, werden ze meteen de inzet van een kinderachtige discussie tussen archeologen en historici, waarbij de laatsten claimden dat we, zonder deze teksten, niets over die handel zouden weten. Dat is onzin: niet alleen leert mineralogisch onderzoek welke metalen Anatolië en Mesopotamië uitwisselden, uit het nederzettingenpatroon blijkt ook ongeveer waar de zwaartepunten in het handelsnetwerk moeten hebben gelegen.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.