Ik geef toe: het plaatje hierboven is niet bijster informatief. U ziet een heuvel waar een lange gang in is gegeven. Meer is het niet, daar in Karanovo in Bulgarije. Als ik het een naam moest geven, zou ik het een trench noemen, wat net niet helemaal hetzelfde is als het Nederlandse “geul” (want die ontstaat door spoelend water) of “sleuf” (want die is smaller). Ik noem het dus maar een trench en deze trench vormde het begin van een belangrijke opgraving.
Stratigrafie
De enorme heuvel bij Karanovo (niet te verwarren met de even verderop gelegen grafheuvel) is te beschouwen als een tell, waarin diverse woonlagen boven elkaar lagen. Werd een dorp verwoest, bijvoorbeeld door een aardbeving, dan bouwden de overlevenden nieuwe huizen bovenop de oude, zodat die heuvel hoger werd. Herhaal dat enkele keren en je hebt een stevige bult. Als een archeoloog die bult van bovenaf neerwaarts gaat uitgraven, zijn de diverse bewoningslagen echter niet goed herkenbaar. Een trench helpt om vat te krijgen op de stratigrafie. Zie het onderstaande, iets informatievere plaatje.
In dit artikel wil ik samenvatten wat we weten over de pre-Romeinse geschiedenis van de huidige Italiaanse provincie Puglia, die grotendeels samenvalt met de gelijknamige historische regio Apulië. Ik was er zopas op reis en dat geeft altijd inspiratie. Bovendien is de cultuur die aan de Romeinen voorafging mij aangenaam raadselachtig.
Geografische situering
Dat Apulië een eigen geschiedenis heeft, begrijpen we door eerst te kijken naar de aardrijkskunde. De Apennijnen, de ruggengraat van Italië, buigen in het zuiden af en maken zo in het oosten ruimte voor een vlakte, die de historische regio vormt. Er zijn enkele uitzonderingen: de kleine uitstulping in het noorden – het “spoor” van de laars – is een geïsoleerde hoogvlakte, het nationaal park van Gargano. Centraal ligt de Alta Murgia, eveneens een hoger gelegen nationaal park.
De laagvlakte daar tussenin wordt verdeeld in de Tavoliere rond Foggia en de Salento, de echte hak van Italië. Bijzonder is dat er quasi geen rivieren zijn in deze regio. In het noorden heb je nog wel de Ofanto, die zich amper 170 kilometer richting Adriatische Zee slingert, en rond Bari is er bescheiden afwatering van de Alta Murgia, maar in de Salento is er … niks. Dat komt niet alleen doordat de streek zeer vlak is, maar vooral doordat ze geologisch bestaat uit kalksteen. Het water baant zich geen weg naar zee maar sijpelt de grond in. Wat je dus mist aan rivierenschoon, win je aan karstgrotten en andere spelingen der natuur.
Prehistorisch Apulië
De Prehistorie
De ons bekende menselijke geschiedenis van Apulië begint bij Foggia. In Pirro Nord zijn vuurstenen gevonden, die ongeveer 800.000 jaar oud zijn.noot Een studie uit 2024, gepubliceerd in Quaternary Geochronology, reviseert de traditionele datering van anderhalf miljoen jaar naar ca. 800.000 op basis van nieuwe dateringen van sediment en fossielen. Het blijft een van de oudste sites in West-Europa, maar niet meer het alleroudste. In het bergdorp Altamura nabij Bari zit een gefossiliseerd skelet van een Neanderthaler in een karstgrot verankerd. Bijzonder is dat men het sinds de ontdekking in 1993 mooi heeft laten zitten. Men denkt nog altijd na over een manier om het skelet uit de karst te halen, maar men is bang onherstelbare schade aan te richten en intussen is de geest van de archeologie verschoven van ophalen naar laten zitten voor later. Men is er echter alvast in geslaagd via de Uranium-Thorium-datering van een stukje karst het skelet te dateren tussen 172 en 128 duizend jaar oud. Een schraapsel uit een schouderblad leverde in 2015 een genetisch staal op dat zich liet identificeren als dat van de Neanderthaler. Het was daarmee destijds het oudste dergelijke DNA.
De oudste fossielen van de Homo Sapiens in Italië zijn aangetroffen in de Grotta del Cavallo in Salento: twee tanden van 43.000 tot 41.000 jaar oud. Ze werden een tijdlang beschouwd als de oudste in Europa, maar o.a. in Bulgarije is intussen ouder materiaal gevonden. Dan is er Delia, een vrouwelijke hominide die 28.000 jaar geleden leefde. Zij is ontdekt in Ostuni, met de resten van een terminale foetus in haar baarmoeder, een zeldzaamheid in het archeologisch onderzoek.
Botten uit de Grotta delle Veneri bij Parabita suggereren het bestaan van vruchtbaarheidsculten uit het Gravettien-tijdperk (ongeveer 25.000 jaar geleden), terwijl in de grot Le Mura in Monopoli fossiele resten zijn gevonden van een kind van ongeveer anderhalf jaar, gedateerd op 17.000 jaar. DNA-onderzoek uit 2024 voegt toe dat het kind blauwe ogen had en een donkere huid. Deze en andere vondsten leiden tot de hypothese dat Apulië deel uitmaakte van de toevluchtsoorden (“refugia”) voor de eerste Europese moderne mensen tijdens de laatste ijstijd.
Bij Manfredonia zijn de nederzetting en de graven van Masseria Candelaro ontdekt, daterend uit het zesde millennium v.Chr., die aantonen dat de vlakte ten zuiden van de Gargano sinds het vroege Neolithicum bewoond was. In Passo di Corvo, aan de rand van Foggia, staat een van de grootste neolithische archeologische sites van Europa (zesde tot vierde millennium millennium v.Chr.). De daar aangetroffen landbouwpraktijk kwam vermoedelijk vanuit het Midden-Oosten naar Italië en entte zich op de vruchtbare Apulische vlakte. De Laterza-cultuur, vernoemd naar het dorp waar de grafplaatsen zijn aangetroffen, was mogelijk de laatste neolithische cultuur van Italië voor de Bronstijd.
Bronstijd
Recente opgravingen in Roca Vecchia hebben een imposant vestingwerk uit de Bronstijd (zeventiende tot en met elfde eeuw v.Chr.) aan het licht gebracht, met aanwijzingen voor Mykeense contacten. In hetzelfde gebied bevindt zich nog een belangrijke archeologische site: de grot van Posia Piccola (ook Poesia Piccola genoemd), ontdekt in 1983. Die draagt talrijke votiefinscripties, soms over elkaar gelegd, uit verschillende tijdperken en beschavingen.
Ook uit de Bronstijd dateren de vondsten rond Ruvo di Puglia: een nederzetting op de weg van Molfetta naar Matera uit ongeveer 2000 v.Chr. In de hutten zijn sporen aangetroffen van metaal- en steenbewerking, waaronder een bronzen bijl.
Een grafmodel uit Henen-Nesut (Herakleopolis) (Nationaal Museum, Kopenhagen)
De geschiedenis van Egypte begint in de Naqada-tijd, met dat mooie rood-zwarte aardewerk, toen het land langzaam een eenheid werd. Ongetwijfeld heeft daarbij de scheepvaart op de Nijl een rol gespeeld. Rond 3000 v.Chr. ontstond ook het koningschap: het Palet van Narmer toont de vorst als overwinnaar, wat blijkbaar een belangrijke taak was van de vroege heersers. Die taak kaderde in een andere, nog belangrijkere koninklijke verantwoordelijkheid: het handhaven van Maät, ofwel orde en gerechtigheid. Verder representeerde de farao de mensheid tegenover de grote goden.
Hofcultuur
Zo iemand was meer dan een gewoon mens en zo iemand raakte je dus niet aan. Een hoveling die koning Khufu (Cheops) per ongeluk wél had aangeraakt, noteerde later opgelucht dat de vorst hem had toegestaan te blijven leven. Wat we hier feitelijk zien, is het ontstaan van een hofcultuur: een geritualiseerde levenswijze, waarin bepaalde handelingen waren toegestaan, andere handelingen waren verboden, en alle handelingen waren onderworpen aan regels. We zien het ook aan de hoftitels: de hovelingen hadden taken die alleen zij mochten uitvoeren. Niet dat anderen er niet competent voor waren, maar de rol was nu eenmaal aan iemand anders opgedragen. Een ritueel.
Ik weet zeker dat higgsbosonen, Vietnam, sequoia’s en tektonische platen bestaan, al heb ik ze nooit gezien. Verder betwijfel ik niet dat er ooit triceratopsen over deze planeet hebben rondgewandeld. Ik neem het aan zonder bewijs. Als het gaat om de Oudheid, weet ik echter graag waarom we dingen weten. Bijvoorbeeld: hoe weten archeologen dat monumenten uit het Late Neolithicum en de Bronstijd zijn georiënteerd op astronomische verschijnselen?
Voordat ik verder ga: ik schrijf dit precies om de reden die ik noem. Ik wil weten hoe archeologen weten wat ze weten. Ik schrijf het niet vanuit pseudoscepsis (“ik stel alleen maar vragen”). Ik heb echter een stukje uit de bewijsvoering nooit gehoord, of ben dat vergeten, en ik vertrouw erop dat een archeoloog me straks doorverwijst naar een wetenschappelijk artikel dat ik niet ken. Sta me nu een redenering toe die bij elke stap allerlei nuanceringen behoeft die ik zal overslaan; het gaat me even om de hoofdlijn.
Menig oudheidkundig museum heeft er een: een vitrine met rolzegels. Dat zijn, zoals de naam eigenlijk al wel aangeeft, bewerkte stenen met een afbeelding die je niet (zoals in Europa ooit gebruikelijk was) op je ring draagt en in de lak duwt, maar die je over de klei van een kleitablet afrolde. Je droeg ze niet aan een vinger, maar aan een koordje. Er zijn er duizenden bekend. Ik heb weleens overwogen zo’n rolzegel te kopen; echt onbetaalbaar was het voorwerpje niet, maar voor mijn studentenbudget was het toch te veel.
Er kan van alles staan op zo’n rolzegel, zoals een leeuwenjacht (op het zegel van de Perzische koning Darius I de Grote) of een fabeldier of een offerscène. De rolzegel hierboven – links de eigenlijke rolzegel van serpentijn en rechts een moderne afdruk – toont een mythologische scène. Ze dateert uit de tijd van het Rijk van Akkad, dus zeg maar 2350-2150 v.Chr. Even oud als de Schat van Priamos.
Spijkerschrifttekst van Enmetena van Lagash over de oorlog met Umma (Louvre, Parijs)
Het schijnt voor te komen, en het is natuurlijk heel bijzonder, dat mensen dagenlang niet denken aan het conflict tussen de Sumerische stadstaten Lagash en Umma. Het is een van de oudst-gedocumenteerde oorlogen uit de geschiedenis. De inzet was niet gering: door het onduidelijke verloop van de grens tussen de twee staatjes was de watervoorziening onzeker en dus ook de welvaart.
Dit was de menselijke dimensie van het conflict, waar wij iets van begrijpen. Er was echter een tweede dimensie. Als het land eigendom was van de stadsgoden, dan was dit dus tegelijk een conflict tussen twee goden. Gelukkig waren er altijd verstandige goden, zoals het hoofd van het Sumerische pantheon, Enlil. Diens vertegenwoordiger op aarde, koning Mesalim van Kish (pakweg 2550 v.Chr.) stelde de grens vast en plaatste daar een stèle. Probleem opgelost – althans voorlopig.
Laat-Neolithisch aardewerk uit China (Musée Guimet, Parijs)
Deze blog gaat over de antieke wereld, dus de periode tussen pak ’m beet 3000 v.Chr. en 650 na Chr. De chronologische afbakening is simpel: daarvóór hebben we vooral archeologische bewijsmateriaal, daarna hebben we voldoende geschreven bronnen om te komen tot werkelijke geschiedschrijving. In de westelijke periferie ligt de einddatum iets later, maar voor het economisch, stedelijk en cultureel zwaartepunt van de antieke wereld, het oostelijk bekken van de Middellandse Zee, vormt het jaar 650 een mooi eindpunt.
De geografische grens is minder scherp. Daarom besteed ik ook regelmatig aandacht aan de Sao– en de Nok-culturen in subsaharaal Afrika en aan de culturen van Centraal-Eurazië. De Zijderoute is een fijn thema. Zo af en toe komt dus China in beeld, zoals bij de Romeinse beschrijving van het Zijdeland en de Chinese beschrijving van de staat Dà Qín, maar ik heb nooit een echt blogje gewijd aan het Verre Oosten. Een poging dus, met een kritische paragraaf aan het einde.
Gudea van Lagash (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)
Ik heb weleens geblogd over de klimaatcrisis die bekendstaat als het 4,2 ka BP event: een periode van droogte die in Egypte het einde van het Oude Rijk markeert en in Mesopotamië het einde van het Rijk van Akkad. In Irak was er een periode zonder centraal gezag, tot de Derde Dynastie van Ur het tweestromenland opnieuw verenigde. Uit die tussentijd kennen we één koning vrij goed: Gudea, heerser van de Sumerische stadstaat Lagash. Het is ietwat verwarrend dat de voornaamste nederzetting in zijn koninkrijkje de tempelstad Girsu was. Beide steden liggen in het oosten van Sumerië.
We moeten de regering van Gudea plaatsen tussen 2144 en 2124 v.Chr.noot Dit is volgens de bewezen correcte middenchronologie; de Engelse Wikipedia, die door wetenschappers die de discussie hebben verloren is gevandaliseerd, vermeldt ook de weerlegde korte chronologie. Het lijkt een bloeiperiode te zijn geweest. Er zijn in Lagash, Girsu en elders duizenden inscripties gevonden, waaronder de langst-bekende Sumerische tekst, een cilinder uit Girsu.
In de afdeling Nabije Oosten in het Louvre in Parijs is momenteel een kleine expositie van voorwerpen die normaal gesproken in het Metropolitan Museum in New York zijn. Er zijn duizend redenen om naar het Louvre te gaan, maar deze tentoonstelling behoort er niet toe: het gaat namelijk om zegge en schrijve tien objecten. Die liggen dan naast voorwerpen uit het Louvre die er enigszins op lijken, wat in museale koeterwaals dan heet dat ze een dialoog aangaan.
Een van de Amerikaanse voorwerpen is bovenstaande bijl. Het voorwerp komt – en eigenlijk klinkt dit verdacht – uit een na de Iraanse Revolutie van 1979 naar de Verenigde Staten overgebrachte collectie van een Iraanse verzamelaar. Ik heb niet kunnen achterhalen waar die verzamelaar de bijl heeft verworven, maar het voorwerpje behoort tot het zogeheten Bactria-Margiana Archaeological Complex (BMAC). Dat is een bronstijdcultuur uit het zuiden van Turkmenistan en Oezbekistan en het noorden van Afghanistan, die u moet plaatsen tussen 2200 en 1700 v.Chr. Ze kenmerkt zich door opvallend grote burchten – ik heb Gonur Deppe weleens genoemd – en handelscontacten met India, de (Indo-Europese) Andronovo-cultuur en Mesopotamië.
Orfeus improviseert zijn poëzie (Museum van Antiochië)
De woordenschat van de Indo-Europese talen gaat terug op een oertaal die in het huidige Oekraïne gesproken is geweest toen de Steentijd overging in de Bronstijd. Die taal kunnen taalkundigen redelijk goed reconstrueren dankzij goed gefundeerde klankwetten en zo kunnen ze uitspraken doen over de tussenliggende eeuwen. Zeg maar de Bronstijd, de periode waaraan het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden vanaf 18 oktober een overzichtstentoonstelling zal wijden. Taal en archeologie gaan hier hand in hand, want een fors deel van de archeologische interpretatie veronderstelt informatie die de taalkundigen hebben geleverd. Omgekeerd helpt de archeologie tegen al te malle, op taal gebaseerde reconstructies van de oude samenlevingen.
Het potentieel van de taalkunde beperkt zich echter niet tot de vaststelling dat er koningen, gezinnen en hemelgoden zijn geweest, of dat er zaken bestonden als magische rituelen en de uitwisseling van geschenken. Taalkundigen kunnen ook uitspraken doen over de vorm van de poëzie. Niet over de inhoud helaas; wat men in de gedichten vertelde, is voorgoed verloren. Maar hoe de dichters te werk gingen, daarover kunnen taalkundigen uitspraken doen. Ze kijken daarvoor naar de poëzie van de Indo-Europese talen, herkennen overeenkomsten en beredeneren hoe die kan zijn ontstaan uit een gemeenschappelijke Proto-Indo-Europese oerpoëzie.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.