Gumattius

Grafsteen van Gumattius (Rijksmuseum van Oudheden, Leiden)

Laten we het eens hebben over een museumstuk uit het Rijksmuseum van Oudheden, daar schrijf ik immers nooit over. Het monumentje hierboven is een van de beroemdste Romeinse grafstenen uit Nederland, wat niet zo heel moeilijk is omdat we hier weinig natuursteen hebben en we, tot de ontdekking van de Nehalennia-altaren in de jaren zeventig, eigenlijk maar een paar inschriften hadden. Deze was al in de zeventiende eeuw bekend – Gisbert Cuper schreef er in 1687 al over – toen Romeinse inscripties nog helemaal zeldzaam waren. Vandaar haar roem.

Hier is de tekst:

M TRAIANIV
GVMATTIVS GAI
SIONIS F VET ALAE
AFROR TPI

Wat kan worden aangevuld tot

Marcus Traianius
Gumattius Gai-
sionis filius veteranus alae
Afrorum testamento poni iussit

Ofwel

Marcus Traianius Gumattius, de zoon van Gaisio, veteraan van het Afrikaanse Eskadron, heeft per testament opdracht gegeven dit te laten plaatsen.

Dit is een tekst waarvan er dertien in een dozijn gaan. De Romeinen vonden iemands legeronderdeel belangrijker dan zaken die wij vermeldenswaard vinden, zoals geboorte- en overlijdensdatum. Dat spreekt boekdelen over de mentaliteit, net zoals het ontbreken van “weduwnaar van…” iets vertelt.

Het plaatje: een dodenmaal. De overledene op een rustbank, een slaaf komt hem bedienen, bovenaan een weergave van de ziel van de overledene die ten hemel opstijgt. Het wordt ook weleens aangeduid als een sirene of sfinx. Opnieuw een standaardafbeelding. In Keulen zijn diverse reliëfs van dit type te zien in het Römisch-Germanisches Museum. Dit was massaproductie.

Leuk is nog het legeronderdeel: het Afrikaanse Eskadron, dat was gestationeerd bij Alt-Kalkar. Onze overledene heeft echter een Germaanse vader – zijn naam betekent zoiets als “speerdrager” – en heeft zelf een naam die ik weliswaar niet tot een Germaans origineel kan herleiden maar die in elk geval niet Latijns is. Toen Gumattius bijtekende, was het Afrikaanse Eskadron begonnen lokaal rekruten te werven.

Tot slot: de vindplaats, Dodewaard. Voor ze in 1863 werd overgebracht naar een museumcollectie, was deze inscriptie aangebracht in de muur van de plaatselijke kerktoren. Daar bevond ze zich al sinds pakweg 1100. Het was daarmee lange tijd een van de weinige goed zichtbare Romeinse monumenten uit de Oudheid, wat haar bekendheid helpt verklaren. Tegenwoordig is er een replica, een wat grauw blok steen boven een zonnewijzer. Zie hieronder.

[Dit was de 263e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier. Gumattius was 263.]

De middeleeuwse kerk van Dodewaard

[Dit was de 263e aflevering in mijn reeks museumstukken; een overzicht is hier.]

9 gedachtes over “Gumattius

      1. Rudmer Koopal

        Ik denk meteen aan athal= adel of atta= vader. Maar misschien is dit iets te eenvoudig geredeneerd.

  1. Manfred

    “Toen Gumattius bijtekende, was het Afrikaanse Eskadron begonnen lokaal rekruten te werven.”

    En deze Germaan wilde blijkbaar beslist worden herinnerd als een Romein.

  2. jacob krekel

    Is dat een aanwijzing dat het denken in volksgroepen waartoe je behoort toen minder populair was dan het nu – helaas – is?

  3. De naam Traianius is ook vreemd. Uiteraard overgenomen van keizer Trajanus toen deze cavalerist na 25 jaar diensttijd het Romeins burgerrecht verkreeg. Maar je zou dan verwachten dat hij de familienaam van de keizer aannam: Ulpius. Net zoals veel Germanen een Julius, Claudius of Flavius werden. Gumattius koos echter voor de ‘cognomen’ van de keizer en maakte daar een familienaam van.

    Diverse sites (die waarschijnlijk elkaar kopiëren) melden trouwens dat de Ala Afrorum tussen 88 en 98 niet in Kalkar verbleef, maar tegen de Daciërs vocht. Of dat klopt, kan ik niet nagaan. Een bron wordt niet gegeven. Maar het zou wel interessant zijn. Trajanus regeerde van 98 tot 117. laten we ervan uitgaan dat Gumattius op z’n laatst in 117 zijn 25 jaren diensttijd voltooide en het burgerrecht verkreeg. Dan kan hij dus in theorie in de periode 88-98 gerekruteerd zijn in Germaans-Dacisch grensgebied. Wellicht is zijn oorspronkelijke naam niet (geheel) Germaans, maar (deels) Daco-Thracisch. Kelten, Germanen, Daciërs, Thraciërs, Illyriërs, het loopt allemaal in elkaar over.

  4. joorthuys

    Voor de geschiedenis van de Ala Afrorum zou je in J.Spaul, Ala 2 kunnen kijken. Dat een veteraan, zoals G, na de voltooiing van zijn diensttijd terugkeert naar zijn oorspronkelijk woongebied is niet ongebruikelijk – precies omdat dat veel gebeurde, kon de veteraan een afschrift laten maken van het keizerlijk decreet waarin hem eervol ontslag alsmede bepaalde rechten werden verleend, de zgn. diplomas.

Reacties zijn gesloten.