Recensie: Livius.Org

Nee, het is me niet in mijn bol geslagen, dat ik mijn eigen website ga recenseren, Livius.Org. Ik doe het bij wijze van experiment. De achtergrond is dat steeds meer mensen hun informatie halen van het internet, een medium dat veel voordelen biedt. Mijn Amerikaanse vriend Bill Thayer is bijvoorbeeld bezig de tekst van Diogenes Laertius online te plaatsen en daarbij kun je met één muisklik van de Engelse vertaling naar het Griekse origineel springen. Online-pagina’s zijn ook makkelijker doorzoekbaar dan die van een boek. Een ander voordeel van het wereldwijde web is dat je nooit ver verwijderd bent van illustraties, achtergrondinformatie of de abstracts van recente wetenschappelijke publicaties. Geen boek kan daar tegenop.

Ik heb al een paar keer geschreven dat een boek wél iets anders kan: in de ongedifferentieerde nevenschikking van online-informatie (©Kris Peeters) kan een boek orde aanbrengen. Voor ik een boek recenseer, kijk ik dus eerst, zoals ik al eens schreef, of het wel iets toevoegt. Niemand zit te wachten op wéér een biografie van een Romeinse keizer of wéér een vertaling van een Grieks toneelstuk. Allemaal al online aanwezig. Wat we daar niet hebben, zijn overzichtswerken als Holger Gzella’s De eerste wereldtaal.

Uit het enorme belang van het internet vloeit voort dat, als de boekenbijlagen van onze kranten relevant willen blijven, ze ook websites moeten gaan recenseren – al was het maar één website per week. Wat ik me daarbij voorstel, kan ik het beste tonen door mijn eigen site te bespreken. Geen zorgen, ik zal mijn eigen loftrompet niet steken. Nou ja, een beetje dan.

Permanente verbouwing

Voor wie zich bezighoudt met Oudheid, is de encyclopedische website Livius.Org een oude bekende, met alle voor- en nadelen van dien. Het voordeel van een site die in verschillende incarnaties al sinds 1995 “in de lucht” is en die, vóór de opkomst van de Wikipedia, de grootste oudheidkundige site ter wereld was, is dat ze diep geworteld is in het wereldwijde web en makkelijk wordt gevonden. Een ander voordeel is dat de links niet door AI maar ouderwets handmatig zijn aangebracht en dat bijvoorbeeld een verwijzing naar een koningin Arsinoë uitkomt bij de juiste Arsinoë en niet bij een van haar naamgenoten of een stad met die naam. Het nadeel van een oude site is echter dat we ons nog stevig bevinden in Web 1.0: tekst met wat kleine plaatjes, geen interactie met de bezoeker.

Ouderwets is ook de webmaster, Jona Lendering, wiens visie op zijn vak niet is veranderd sinds de jaren tachtig. Zijn website biedt dus de gehele Oudheid aan – Griekenland en Rome enerzijds, het Nabije Oosten anderzijds – en laat geen bewijscategorie onbehandeld. Deze breedte gaat onherroepelijk ten koste van de diepgang en er valt voor studenten aan een universiteit dan ook niets te halen. De breedte betekent bovendien dat Lendering onvermijdelijk nogal wat hooi op zijn vork neemt en het zal nog moeten blijken of dat te veel is of nét het maximaal menselijkerwijs mogelijke.

Ondertussen is wat Lendering in twintig jaar verzamelde in elk geval zonder parallel: hij schreef ruim 600 biografieën en beschreef ruim 500 antieke plaatsen, samen zo’n 2600 webpagina’s. Hij zorgde voor 1300 pagina’s met antieke bronnen, waarvan er sommige alleen op Livius.Org online zijn te vinden (in sterk verouderde HTML). Verder plaatste hij een kleine 8800 foto’s online, wat de komende zomer tot 80.000 zal oplopen. Het is allemaal gratis en de reclame is beperkt tot drie banners.

Hoewel Lendering samenwerkt met Vici en LacusCurtius, is Livius vooral een eenmansproject, wat het voordeel heeft dat er uit de honderden pagina’s een consistent beeld van de oude wereld oprijst. De klassieke cultuur en de twee volken die deze droegen, de Grieken en Romeinen, staan bij Lendering stevig in hun bredere context. Hij heeft bovendien de plekken waarover hij schrijft bezocht en gaat methodische vragen niet uit de weg

Lendering weet kaf en koren meestal redelijk te scheiden. Waar bijvoorbeeld de Wikipedia-lemma’s over de Late Oudheid zijn verschlimmbessert doordat de gebruikers meenden dat citaten van de achttiende-eeuwse auteur Edward Gibbon nuttig zouden zijn, weet Lendering hoe de oudheidkunde de afgelopen twee eeuwen aan kwaliteit heeft gewonnen en negeert hij een Gibbon geheel. Wat Lendering heeft bewogen om Zosimos online te plaatsen in een vertaling uit 1814, is een raadsel.

Tegelijk heeft het geen zin te ontkennen dat er grote nadelen aan Livius.org kleven. Het is onvermijdelijk dat bij een project van deze breedte een deel van de informatie in de afgelopen twintig jaar verouderd is geraakt. Belangrijker is het vaak ontbreken van annotatie, door Lendering achterwege gelaten op verzoek van de universiteiten, die beducht waren dat de pagina’s van Livius.org als werkstukken zouden worden ingeleverd.

Ook technisch valt er nog wat op aan te merken. De menu’s werken niet altijd even goed en de zoekfunctie is traag. Daaraan wordt echter gewerkt. De website lijkt wel permanent in verbouwing. Filmpjes en interactiviteit zijn niet voorzien. Ten opzichte van de Wikipedia is Livius vooral nuttig om het unieke beeldmateriaal, maar het staat te bezien of de website toekomst heeft.

Sterren: 3/5

***

Screenshot, typering van de site, opmerkingen over de kwaliteit van het aanbod, plaatsing ten opzichte van andere sites (Wiki), beoordeling van de techniek en het bedieningsgemak, sterke en zwakke punten: dat soort zaken zouden volgens mij in een bespreking van een website aan de orde moeten komen. En ik denk dat een krant daar best wat plaats voor mag inruimen. Een boekenbijlage moet een bijdrage leveren aan onze maatschappelijke discussies en niet afzinken tot bijlage bij de lifestyle-bijlage.

42 gedachtes over “Recensie: Livius.Org

  1. Inderdaad. Ik denk dat veel mensen zo’n webrecensie op het web verwachten. Of in een krant in de mediarubriek. Waarmee de boekenbijlage als culturele waakhond wordt gemarginaliseerd.

  2. mnb0

    Vergeleken met je oude website vind ik het zoeken een onmogelijke missie. Voorbeeld. Er is een Fenicische zeevaarder die rond Afrika is gevaren. Met mijn slechte geheugen ben ik zijn naam natuurlijk vergeten. Het stukje bevat een voortreffelijk voorbeeld van het principe van gene. Een Grieks historicus wiens naam ik me ook maar moeizaam kan herinneren (Herodotes? – dat zou me nog wel lukken, omdat ik een visueel geheugen heb en dus nog wel weet hoe zijn wereldkaart eruitzag; dat is te googelen) die nog meende dat de Aarde plat was kon niet accepteren dat de Fenicische zeevaarder de zon aan de verkeerde kant van zijn schip zag (rechts ipv links, als ik me goed herinner).
    Op je oude site kon ik de betreffende pagina met enige moeite (hooguit vijf minuten) wel terugvinden.
    Op je nieuwe site weet ik niet eens waar ik moet beginnen met zoeken, zelfs niet als ik Herodotes opzoek. Dus probeer ik het niet eens, want ik hang op internet rond zolang ik het leuk vind en niet omdat het een verplichting is. En als ik van de Romeinen iets terug probeer te vinden verwacht je zelfs dat ik bijna 2000 pagina’s doorspit.

    Tijdens mijn opleiding ontdekte ik dat er fraaie handboeken bestaan met overzichten van standaard integraalfuncties. Tot op de dag van vandaag voel ik mij genomen dat ik die rotdingen op de middelbare school uit mijn hoofd moest leren. Jij verwacht van mij dat ik nog veel meer namen uit mijn hoofd leer om terug te kunnen vinden wat ik hebben wil. Dat lukt niet, al zou ik het willen (wat niet het geval is). Gevolg: op je oude site vond ik het heerlijk om te grasduinen. Je nieuwe site bezoek ik nauwelijks, omdat ik van tevoren weet dat ik het kwijt ben als ik een tijd later iets terug wil vinden.
    Het spijt me om te schrijven, maar zolang je me in dit opzicht niet tegemoetkomt ben je me kwijt.

  3. henktjong

    Lendering zou ook eens wat aan zijn ‘logo’ moeten doen. Wat heeft een op middeleeuwse heraldiek gebaseerd schildje (dat zich overigens niet aan de regels van die heraldiek houdt) met de antieke wereld te maken?

  4. Coxhaak

    Wat ik bij een recensie van een website heel belangrijk vind is een oordeel over de betrouwbaarheid van de geboden informatie: geen verouderde inzichten, nepnieuws, onmogelijke claims over oude heersers die moderne mensenrechten onhelzen etc. Dat mag wel wat explicieter dan een opmerking over Gibbon.

  5. FransL

    Alleen even over dat laatste: ik heb, als grafisch ontwerper, stiekem al een (ver)nieuwd logo gemaakt en me verdiept in de mogelijkheden van een huisstijl en dat alles op de computer staan en wachten op een moment om Jona dit eens voorzichtig te laten zien.
    Een nieuwe huisstijl moet je eigenlijk niet willen, maar die heraldiek kan nu meteen wel weg.
    Het mag allemaal wat “wetenschappelijker” (hoe doe je dat visueel?) en met het karakter van Jona mag het vooral wat “scherper”.
    Zoiets dus.

    1. henktjong

      Geheel mee eens, Frans. Ik, als oud grafisch ontwerper en nog steeds heraldicus, heb het ook al diverse malen aan Jona aangeboden, maar hij wilde er niet aan. Ik hoop dat het jou lukt.

    1. Erik Bouwknegt

      The past and present wilt—I have fill’d them, emptied them.
      And proceed to fill my next fold of the future.

      Listener up there! what have you to confide to me?
      Look in my face while I snuff the sidle of evening,
      (Talk honestly, no one else hears you, and I stay only a minute longer.)

      Do I contradict myself?
      Very well then I contradict myself,
      (I am large, I contain multitudes.)

      I concentrate toward them that are nigh, I wait on the door-slab.

      Who has done his day’s work? who will soonest be through with his supper?
      Who wishes to walk with me?

      Will you speak before I am gone? will you prove already too late?

      [Walt Whitman, Leaves of Grass uit 1855. Ik ken het citaat van Russell niet, maar als die dit zo gezegd heeft kan het haast niet anders of hij was zelf Whitman aan het citeren. Zelf moet ik er altijd nog bij denken aan het Markus 5: 9, “En Hij vraagde hem: Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio; want wij zijn velen”, maar ik weet niet of (een van) beiden ook dat verband bedoelden te leggen, want die Legio zijn demonen]

  6. Klaas

    Hoewel deze reactie niet veel te maken heeft met de hoofdboodschap dat recensies van informatieve websites in de pers grotendeels ontbreken, maar zeer nuttig zijn, even een kleine opmerking over de betreffende Livius site. Je schrijft: ‘…er valt voor studenten aan een universiteit dan ook niets te halen.’ Daar is deze (enigszins bejaarde) student aan een jou wel bekende universiteit in Amsterdam het niet mee eens. Bij de annotatie van een cursus op oudheidkundig vlak vond ik ook enige verwijzingen naar de Livius site, waar ik dankbaar gebruik van heb gemaakt, bijvoorbeeld als bron van (vertaalde) teksten. Zo heb ik de kersverse Zosimus tekst geraadpleegd. Ik weet best dat je altijd dieper kunt gaan, maar ik vind het niet terecht dat je je eigen site wegzet als een ondiep spartelpoeltje voor wetenschappelijke kleuters.

  7. Hier iemand die wél behoefte heeft aan nieuwe keizersbiografieën. Online heb ik tot nog toe niets gevonden wat kan tippen van bijvoorbeeld ‘Augustus’ van Adrian Goldsworthy. Dat boek liet me verrijkt achter, met het gevoel dat ik meer over de man en zijn tijd te weten was gekomen. Op Livius.org vind ik een nuttig rijtje feiten, maar ik zou het geen biografie willen noemen (en aangezien erbij staat dat het nog uitgebreid wordt, neem ik aan dat het niet onder de 600 biografieën valt). Wikipedia biedt met een artikel van ca. 20 pagina’s ook totaal niet de diepgang die ik bij Goldsworthy aantref. Zijn 600 pagina’s zou ik ook niet van een schermpje willen lezen. Misschien van een e-reader, maar dan is het gewoon weer een boek, zij het digitaal.

    Je opmerking over wat die meneer Lendering toch bewogen heeft een vertaling van Zosimos uit 1814 online te plaatsen is wel heel relevant. Misschien dat er inderdaad geen behoefte bestaat aan de zoveelste vertaling van een Grieks toneelstuk (maar welk toneelstuk?), maar een wat actuelere vertaling van Historia Nova – op papier of digitaal – zou best wel eens een belangrijke lacune kunnen vullen…

    1. René

      Ik lees graag nieuwe populaire boeken zoals die van Tom Holland, Adrian Goldsworthy en Fik Meijer (vloeken in de kerk). Zij weten de stof leuk te brengen door opbouwende spanning, anekdotes en Gibbonverwijzingen. Daarna koop ik vaak een meer wetenschappelijk boek of bezoek ik Livius.org om een betrouwbaarder beeld te scheppen van de Oudheid. Kennisvergaring gaat in fases voor mij.

        1. Sorry, Jona, maar hier ga je veel te ver met je laatste opmerking over Fik Meijer. Ik erger mij al lang aan de karaktermoord die je pleegt op Fik Meijer. Ik geloof niet dat iemand zijn eigen status moet ontlenen aan het neerhalen van anderen.

          1. Ik beschouw het als de constatering van een feit: met zijn praatjes over pakweg de Vloek van de Farao of de Brandspiegel van Archimedes heeft Meijer de oudheidkunde zwaar in diskrediet gebracht. Als iemand die het onderscheid tussen wetenschap en pseudowetenschap niet herkent, hoogleraar mag worden, is er immers iets ernstig mis met dat vak.

            Je mag dat als karaktermoord beschouwen – ik heb er geen moeite mee als je het anders ziet – als je me maar gunt dat wat ik zeg wáár is: dat Meijer niet de competenties heeft die je van een wetenschapper mag verwachten, dat het bizar is dat hij hoogleraar is geworden en dat, als hij liefde heeft voor de wetenschap, hij zich beperkt tot zaken waarvan hij werkelijk verstand heeft, zoals antieke scheepvaart. Zijn judaica-boeken zijn onder de maat.

            Maar er is een veel ernstiger probleem. Als ik er niets van zeg, verandert er niets. Ik heb vanaf 2005, toen de problemen zich openbaarden, gezwegen. Dat leverde niets op, behalve overlast. Nu spreek ik wel, en zeggen mensen dat dat onbehoorlijk is.

            Misschien is dat zo. Maar het bespaart me nogal wat overlast. Dus ik ga voorlopig zo nog door. Maar als je een manier weet om ervoor te zorgen dat de Nederlandse oudhistorici zich openlijk distantiëren van hun falende collega, bijvoorbeeld door een begeleidingscommissie in te stellen, dan houd ik me aanbevolen.

            1. Kunnen Fik Meijer en jij niet samen een boek schrijven? Wellicht met Vincent Hunink erbij, die immers zowel met jou als met Meijer bevriend is.

              Ik vind je inhoudelijke kritiek op Meijer doorgaans hout snijden (behalve bij dat incidentje met de Rijn dan). Tegelijkertijd vind ik met Roger van Bever dat je wel eens doordraaft. Zo’n opmerking als ‘dat het bizar is dat hij hoogleraar is geworden’ is gewoon niet nodig. Je schrijft zelf dat hij verstand heeft van antieke scheepvaart. Bij mijn weten is dát de reden dat hij in 1992 hoogleraar klassieke maritieme geschiedenis is geworden. Enkele jaren terug schreef hij een boek over de Middellandse Zee, een persoonlijke geschiedenis. Perfect is het niet, maar wat het interessant maakt is zijn analyse van het ontstaan van de onderwaterarcheologie, die hij van zeer nabij geboren heeft zien worden uit een clash tussen de filosofieën van de duikers en die van de landarcheologen. Dat is gewoon een terrein waar Meijer verstand van heeft en voor een groot publiek leuk over schrijft.

              Verreweg de meeste boeken die jij terecht hebt gefileerd zijn overigens geschreven na Meijers emeritaat in 2007, dus ook wat dat betreft voegt een opmerking als ‘dat het bizar is dat hij hoogleraar is geworden’ weinig toe.

              1. Ik kan een eind met je mee gaan, maar ik geloof dat je over het hoofd ziet wat voor mij de angel is: de overlast die ik ondervind. Als er een begeleidingscommissie was geweest, zoals Delft ooit deed bij een falende voorlichter, kon ik mijn werk efficiënter doen.

                Dat geldt overigens niet alleen voor mij. Zijn publicaties verhinderen betere publicaties: kijk nog even naar het onverkoopbaar gemaakte, wél goede Paulusboek van Bert Jan Lietaert Peerbolte.

            2. Beste Jona, dank voor je reactie.
              Mijn bedoeling was om jou duidelijk te maken dat jij het niet nodig hebt om je zo tegen Fik Meijer af te zetten. Ik heb de indruk dat de volgers van jouw blog en zeker degenen die regelmatig aan de discussie deelnemen heel veel waardering hebben voor je vele en goede werk. Daar hoor ik zelf ook bij. Je blog is bijna iedere keer interessant genoeg voor mij om mij in een bepaald onderwerp te verdiepen en soms een reactie te schrijven. Ik heb jou ook persoonlijk gemaild over hoe goed ik je boek ‘Israël verdeeld’ vond. Verder heb ik met veel plezier je werk gelezen, niet alles, bvb. ‘’Oorlogsmist’’ heb ik nog niet gelezen, maar het staat wel in de kast. Ik heb daarnaast ook veel bewondering voor je werkkracht. Ik vind ook je nimmer aflatende pleidooi voor een goede methode en een goede wetenschapscommunicatie heel terecht en goed dat het gezegd wordt. En ook je Livius.org site vind ik geweldig. Wat ik wel vind is dat er tegenwoordig door bijna alle schrijvende academici bijna uitsluitend naar Engelse literatuur verwezen wordt. Dat is jammer, want er ontgaat hun daardoor veel. Ik lees gelukkig vlot Frans, Italiaans, Spaans en zelfs Portugees, waar ook veel interessants te vinden is. Verder is er in het Duits ook best veel te halen.
              Nu ik toch bezig ben om kritiek te leveren, jij antwoordt soms niet op opmerkingen en tegenspraken waar je lezers veel tijd in gestoken hebben. Neem nou mijn opmerking over je blog over de Cynici van enkele dagen geleden. Daar lever ik kritiek op wat je erover zegt, maar daar hoor ik niets op terug. Jij schrijft met de snelheid van het geluid, dus een kort antwoord of je het met iets eens bent of niet hoeft toch niet teveel moeite te kosten. Ik weet dat je het druk hebt, maar als je de lezers van je blog de gelegenheid biedt om erop te reageren en zelf dingen uit te zoeken, zou het goed zijn dat je dat doet.
              Nu: Fik Meijer. Ik heb een paar keer met hem uitgebreid gesproken na lezingen in onze culturele kring in mijn woonplaats, waar hij zowat ieder jaar een lezing geeft. Na zijn lezing over zijn Jezus-boek kwam jouw kritiek erop ook ter sprake. Fik Meijer zei me dat hij vond dat jij zo ontzettend veel weet. Het werd me niet duidelijk in dat gesprek hoe jouw mening over hem op hem overkwam. Dat zijn Paulusboek beter verkoopt dan dat van Bert Jan Lietaert Peerbolte (dat wil ik gaan lezen, ik ken het niet) en onverkoopbaar ‘gemaakt’ is door de ‘prul’ van Meijer komt bij mij en waarschijnlijk ook bij anderen over alsof Fik Meijer dat boek geschreven zou hebben met de bedoeling om Lietaert Peerbolt dwars te zitten. Dat geloof ik niet. Waarom sommige boeken beter verkopen dan andere is voor mij ook een raadsel. Als ik mij tot fictie beperk, denk ik aan ‘A confederacy of dunces’, waarvan de auteur, John Kennedy Toole, zelfmoord gepleegd heeft omdat niemand het wou publiceren. Achteraf bleek het een meesterwerk te zijn, het werd verfilmd en er werd een toneelstuk van gemaakt. Waarom Fik Meijer zo populair is, daar kan ik alleen maar naar gissen. Hij kan goed vertellen met zijn staccatostem, komt enthousiasmerend over, en is omnipresent in de media. Dat slaat aan bij het grote publiek. Verder zijn de mensen die zijn boeken lezen ook niet allemaal van alle ins en outs op de hoogte en lezen dus liever iets dat minder in de diepte gaat. Die diepte doet mij meteen denken aan zijn onderwaterarcheologie. Ik ben het eens met Messalla dat hij eerst buitengewoon hoogleraar was in de onderwaterarcheologie (ik las het laatst ook nog boven zijn column die hij heeft in het blad van het RMO) en later pas ordinarius (zoals de Duitsers zeggen) in de Klassieke Taal – en Letterkunde werd. Dus je kunt niet zeggen dat zijn boeken die hij na zijn emeritaat heeft geschreven en waarvan jij zegt dat ze ondermaats zijn een verband hebben met een (vermeend) onterechte benoeming tot hoogleraar. Waarom iemand hoogleraar wordt is soms moeilijk te zeggen. De in jouw ogen ‘ondermaatsheid’ van FM moet de commissie die hem benoemd heeft waarschijnlijk toch anders gezien hebben. Soms wordt iemand hoogleraar omdat er geen andere geschikte kandidaat te vinden is, maar meestal – althans, dat mogen we hopen – gewoon op basis van zijn/ haar kwaliteiten.
              Maar toch blijft het zo dat ik geen vakman ben op het gebied van de oudheid, hoeveel ik er ook ooit over lees. Ik weet niet hoeveel mensen er bij jouw volgers zijn die in dezelfde positie verkeren, wel zie ik snel of iemand van de hoed en de rand weet.
              De Oudheid is razend populair op dit moment, dat heb ik ook bij de tentoonstelling Niniveh gezien. Toch vond ik dat het daar veel te druk was en er dat er veel te veel kinderen rondliepen, joelend en krijsend. Ik begrijp werkelijk niet dat een echtpaar met een kinderwagen met baby en nog drie andere kinderen tussen de drie en zeven (geschat) de hele boel blokkeren. En terwijl het zo al druk genoeg is.
              Terug naar Fik Meijer: misschien is het wel het repititieve van je ergernis over FM dat mij ergert. Het is bijna een obsessie geworden voor jou, lijkt me.
              Wat je kritiek op Van Rossem betreft, daar ben ik het wel mee eens. Ik denk te weten hoe het komt: deze man maakt de wetenschap belachelijk. Welke wetenschapper heeft er nou een blad met als titel zijn eigen voornaam. Hij is een schnabbelaar in het kwadraat. Zijn rol bij de stupiede quizz ‘De slimste mens’ is werkelijk een aanfluiting, we hebben er dan ook maar een paar keer naar gekeken.

              1. Het repetitieve… dat zul je voor lief moeten nemen. Ik schrijf elke dag en kies voor een beperkte niche.

                Zijn positie als onderwaterarcheoloog / algemeen oudhistoricus is irrelevant. Over zaken waar je geen verstand van hebt, moet je in de massamedia (TV) óf zwijgen óf aangeven dat je buiten je specialisme treedt. Niets rechtvaardigt dat Meijer het heeft over de Vloek van de Farao, echt niets.

                Interessant is overigens dat werkelijk iedereen me bijvalt over Meijer: of het nu zijn collega’s zijn of de mensen die naar zijn Huizinga-lezing moesten luisteren of de mensen van musea, iedereen vindt hem een blaaskaak, iedereen vindt dat hij het vak reduceert tot rariteitenkabinet en iedereen is blij dat er iets van wordt gezegd.

                Wel zijn er mensen die, zoals jij en Messala, de kritiek erkennen en denken dat ik het te vaak noem. Het probleem is: ik heb eerst tien jaar gezwegen en vertrouwd dat Oikos een begeleidingscommissie zou instellen, omdat dat min of meer was toegezegd (https://mainzerbeobachter.com/2016/02/24/de-voorlichting-in-het-gedrang-1/), maar dat leidde tot niets. Mijn dilemma is: als ik zwijg, gebeurt er niets omdat niemand het benoemt; als ik het benoem, is het blijkbaar ongepast. Dat laatste heeft het nadeel dat mensen mij een zeurpiet vinden maar heeft in elk geval het voordeel dat mensen kunnen weten dat Meijer het niet kan. Ik moet me als boodschapper maar laten onthoofden: het gaat om de boodschap.

                Het echte probleem is: niemand wil zich inzetten voor een echte communicatiestrategie, waarbij de aandacht wordt getrokken met leuke en interessante voorbeelden, en waarna er een vervolg is waar mensen meer ontdekken. In de huidige situatie is dat niet het geval. Clubs als RomeinenNu slagen er wel in het publiek te bereiken, maar als mensen daarna meer willen weten, is er niets, waardoor de conclusie onvermijdelijk is dat de Oudheid ook niets meer is dan aandachttrekkerij. Een Meijer die de aandacht goed zou trekken, zou prima zijn, maar hij stoot mensen al meteen af – iederéén herkent de fouten – en hij maakt boeken/tijdschriften die verdieping bieden, onverkoopbaar.

                Wat we nodig hebben is samenwerking, maar die zal er niet komen.

              2. Jona, ik begrijp het heel goed! En ik geef je gelijk. En erken inderdaad je wrevel over hem. Ik zie ook wel de verschillen tussen jou en hem. Wat bij mij verdenking oplevert, is als een ‘wetenschapper’ omnipresent is in alle media. Ik zie heus ook wel het verschil tussen Adrian Goldsworthy, Anthony Everitt, Jona Lendering en FM. Nogmaals ik veel te sterke termen gebruikt, dat had niet gemogen. Ik heb veel van hem gelezen, maar er waren een paar boeken, waar ik niet echt doorheen kwam. ‘Vreemd volk’ onder andere. Soms vraag ik mij af hoe veelschrijvers als hij dat doen, (een digitaal archief voor het knip- en plakwerk misschien?). Dan kun je boekjes schrijven zoals ‘De hond in de Oudheid’. Ik zou zeggen: ga door waarmee je bezig bent. Samenwerking tussen archeologie, klassieke taal- en letterkunde en antieke geschiedenis kan zo goed als zeker synergie opleveren i.p. van louter additief te werken. De som van de combinatie is groter dan de som der delen. Dit bestaat ook in de geneeskunde: samenwerking van verschillende disciplines zou een ‘must’ moeten zijn. Synergie krijg je zelfs bij een combinatie van geneesmiddelen (elk apart een verschillend aangrijpingspunt ) maar samen een beter resultaat opleveren. Ik heb hier in het verleden wel een paar keren over geschreven. Dus wat mij betreft: ga zo door.
                Wat mij betreft, is het probleem dat ik sinds een jaar of drie een zeer kleine actieradius heb vanwege een toenemende veralgemeende artrose en nog een paar andere kwaaltjes. Ik zou dolgraag nog eens naar de ‘Levant’ of naar Egypte gaan, maar ik ben bang dat dat er niet meer inzit. Nu is het vooral veel lezen.

                Vriendelijke groet,
                Roger

      1. Die kennisvergaring in fasen kan ik goed volgen. Dat je echter Goldsworthy tussen Holland en Meijer zet, vind ik onbegrijpelijk. Goldsworthy’s werk heeft als voordeel dat het én toegankelijk én inhoudelijk doorwrocht is. Daarmee steekt het met kop en schouders boven de andere twee uit en hoort het m.i. tussen de meer wetenschappelijke boeken en Livius.org thuis.

      1. Ik ken die site en hij heeft zeker kwaliteit, maar de ‘biografieën’ daar zijn – zoals de website zelf ook aangeeft – ‘biographical essays’. Die over Augustus is een pagina of dertig. Het haalt gewoon de diepgang van een boek niet. Mits het een goed boek is natuurlijk. De biografie die Anthony Everitt over Augustus probeerde te schrijven viel erg tegen bijvoorbeeld.

        En we weten natuurlijk allemaal dat, hoewel je natuurlijk weer gaat roepen dat je nóóit meer een boek schrijft, Zosimos je volgende project met Vincent Hunink wordt. 😉

  8. Ben Spaans

    Kun je garanderen dat Livius.org ‘eeuwig’ zal zijn? Papieren back-up zal nodig blijven.

    Vorige week ontdekte dat Marcel Hulspas zijn boek ‘En de zee spleet open’ gratis beschikbaar stelt als pdf. Dat is ontzettend aardig van hem. Maar het leest moeizamer dan een papieren boek, omdat het bij de minste aanraking al van pagina verspringt. Voor minder toegewijde lezers zal dit de aandachtsboog niet scherper stellen.

    1. A. Harmens

      De vluchtigheid van webpublicaties baart mij ook zorgen. Vaak zijn verwijzingen en links naar webpublicaties in (wetenschappelijke) literatuur na een paar jaar hartstikke dood. Het feit dat Livius.org vooral van één persoon afhankelijk is, vind ik dan ook riskant voor de eeuwigheidswaarde ervan.

      1. Daarom streef ik ernaar zoveel mogelijk teksten “on site” te hebben. Het is actueel nu op LacusCurtius weer vertalingen online gaan en ik weer tijd heb om nieuw materiaal toe te voegen: ga ik dat overnemen?

  9. Peter J.I.

    ‘Niemand zit te wachten op (…) wéér een vertaling van een Grieks toneelstuk. Allemaal al on line aanwezig’ met mijnerzijds de kanttekening dat die ‘allemaal’ met het oog daarop gedigitaliseerde BOEKEN zijn. Trouwens, retorisch vragenderwijs: waar op dat Internet (op zijn best een titanesk omvergekieperde kaartenbak en op zijn slechtst een reusachtige trog slobber) zijn de versies van
    Koolschijn en Schomakers (om me tot de recentste Nederlandse vertalingen te beperken) van bv.
    Sophocles’ ‘Oedipous’ en ‘Antigone’ te vinden? En wie op zoek is naar een Nederlandse vertaling van Augustinus’ ‘Confessiones’ (die van Wijdeveld of van Sleddens, om de meest nabije hier te noemen), moet daar toch heus voor naar de boekhandel. Hetzelfde geldt m.m. voor welke tekst van Plato of Aristoteles ook maar: wie de nieuwste Nederlandstalige versie (die van Gerbrandy) van Aristoteles’ ‘Poëtica’ naast die van Schomakers wil leggen (om te bezien hoe beiden erkend lastige passages hebben aangepakt, ook via hun annotaties) moet andermaal de straat op. Voor Wilderodes ronduit fraaie vertaling van Vergilius’ ‘Aeneis’ moet men naar de plaatselijke bieb (als die tenminste nog niet is wegbezuinigd). Maar toegegeven: Vondels versie van dit epos laat zich
    via de DBNL inderdaad vinden maar wie gaat die in zeventiende-eeuws Nederlands getoonzette tekst op het beeldscherm lezen, tenzij een neerlandicus die Vondels oeuvre sowieso al in de kast heeft staan?
    Wat inderdaad ‘allemaal al on line aanwezig’ is, zijn Engelse vertalingen van deze en andere teksten meer, dat wil zeggen: voor Néderlandse lezers in een vreemde taal en daarom hoogstens ‘second best’. Wat ik ermee beweren wil, is dat de redenering alleen geldt voor eendimensionale
    teksten en niet voor per se gelaagde en daarom ambigue waaraan daarom het zegel ‘literatuur’ is gehecht. Genoeg hierover want voor we het weten, belanden we in het vaarwater van de oeverloze discussie over wel-of-geen-Engels-aan-‘onze’-Nederlandse-universiteiten. Het valt me trouwens op, dat aandacht voor Duits en Frans materiaal ook via Livius Org. eufemistisch gezegd
    nogal bescheiden is. Maar inderdaad, zelfs studenten in de humaniora alsmede het leeuwendeel van hun docenten (hoogleraren incluis) beheersen het Duits en het Frans (op academisch niveau) eenvoudigweg niet (langer).

    ‘In contemporary Western consumer culture there is a certain tendency to obtuseness that can effect even people who believe they like art. The problem seems to be more than just a lack of sophistication; it is rather an alienation from the senses, which leads to an inability to perceive or to respond to refined and complex sensory data. This is why not only commercial entertainment and the mass media but even much of what purports to be serious art is lacking in real aesthetic subtlety’, aldus de kunstcriticus Christopher Allan in de ‘Weekend Australian Review’ van 24-25 maart van dit jaar. Het schrijven en lezen van boeken ondergeschikt maken aan het Internet leidt
    (of heeft dat al gedaan) tot een vergelijkbare vergroving van de perceptie tot zwart en wit.

      1. Peter J.I.

        Dank voor de correctie, Roger. Bij herlezing zag ik de fout maar zoals zo vaak in het bestaan: te laat, dus prima dat je hem zo recht doet. Hij is trouwens een van mijn lievelingsdichters in het spoor van Gezelle en wat zou ik graag bij hem in de klas hebben gezeten want hij moet een inspirerend leraar klassieken geweest zijn (aldus bijvoorbeeld de opinie van Erik Spinoy en die kan het weten).

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s