Waarom oudheidkunde?

In mijn komende boek laat ik iemand aan het woord die in Marokko de ruïnes bezocht van de Romeinse stad Volubilis, en een jaar later stond bij de Muur van Hadrianus. “Romeinen hier en Romeinen daar,” constateerde hij, en vroeg zich af: “Hoe zit dat?”

Oudheidkunde begint, zoals elke hobby of wetenschap, met verbazing, en verbazing zal er altijd blijven voor wie zich met de Oudheid bezighoudt. Je vraagt je af hoe de gedachte bij Eukleides kon post vatten dat iets bewezen kon zijn als je kon aantonen dat het tegendeel leidde tot inconsistenties. Je vraagt je af hoe de contrapposto werd ontdekt. Je verbaast je over de Macedonische soldaten die Alexander volgden, helemaal tot in Pakistan. De liefhebber van de Oudheid heeft steeds opnieuw de aangename sensatie iets niet te begrijpen, de geruststelling dat dat totaal niet erg is en de zekerheid dat ergens nog veel meer schitterends ligt te wachten om te worden ontdekt.

Vaak denk je iets te herkennen. Je vindt die oude houwdegen Vespasianus wel stoer en gaat daarom zijn munten verzamelen. Je ontwaart in een stadsbeschrijving een sprookjesmotief en gaat je afvragen hoe die stad er echt heeft uitgezien. Je tikt op een veiling een partij boeken op de kop, ontdekt daarin een oude wijsheid, en blijft erin lezen.

Je gaat je erin verdiepen. De een leest, een ander neemt deel aan een opgraving, de derde gaat op een reis, de vierde wordt re-enactor en de vijfde plant een tuin vol “antieke” gewassen. Je begrijpt waarom mensen bezorgd kunnen zijn als de wind de bloesem van de olijfboom doet vallen. Je ziet een ravijn en je begrijpt waarom een veldslag draaide om de beheersing van een brug. Er is de sensatie dat je ineens snapt hoe iets in elkaar zit, zoals de gymnasiumleerling ondervindt die een Griekse zin ontcijfert. Misschien is de Aha-Erlebnis wel de ultieme beloning.

Je probeert je gedachten te ordenen, bijvoorbeeld door een reisverslag te schrijven, dat vervolgens kan dienen om je ervaringen over te dragen aan anderen. Je kunt er plezier aan beleven dat je anderen enthousiast maakt, bijvoorbeeld als je de oude teksten weet te laten aansluiten bij de belevingswereld van pubers, of als je met het publiek van je optreden als re-enactor in discussie kunt gaan.

Verbazing, herkenning, verdieping, het delen van je enthousiasme: ze zullen er altijd zijn en ze behoeven geen rechtvaardiging. Je vraagt de bezoeker van een bioscoop, de lezer van een roman, de gamer en de bezoekers van een concert ook niet waarom ze deze activiteit ontplooien. Oudheidkunde is haar eigen beloning.