Alesia (4)

Landkaartje van Alesia; Les Laumes is links; de onvoltooide buitenring is linksboven
Landkaartje van Alesia; Les Laumes is links; de onvoltooide buitenring is linksboven

Vercingetorix’ strijdplan had eruit bestaan alle voedsel onder te brengen in een beperkt aantal heuvelforten, die de Romeinen dan zouden moeten belegeren om aan voedsel te komen. De Galliërs zouden dan de Romeinse foerage verstoren en de vijanden dwingen Gallië te ontruimen. Eén van de belegeringen was Alesia, waar de Romeinse legioenen enorme belegeringswerken aanlegden en het Gallische ontzettingsleger laat aankwam om de foerageurs te dwarsbomen.

Toen het arriveerde, was het eigenlijk al te laat: de ring van belegeringswerken was bijna voltooid. Het Gallisch ontzettingsleger bivakkeerde op de heuvels ten westen van Alesia maar het oorspronkelijke krijgsplan was niet langer bruikbaar. Anders dan beoogd waren de voedselvoorraden van de belegerden in Alesia uitgeput en daardoor konden de Galliërs er niet langer mee volstaan de Romeinse foerageurs aan te vallen. Ze moesten ze zo snel mogelijk een veldslag forceren en de belegering opheffen. Caesar kwam de Galliërs daarbij te hulp doordat hij de dag na hun aankomst de cavalerie op hen afstuurde. Hij had er belang bij de aanvallers geen moment rust te gunnen, want het noordelijke deel van de buitenste ring van zijn versterkingen was nog niet voltooid en dat mochten de commandanten van het ontzettingsleger onder geen beding ontdekken.

Een middag lang werd gevochten op de drassige vlakte ten westen die ter plaatse bekendstaat als Les Laumes, en hoewel Caesar schrijft dat zijn ruiters hun tegenstanders verdreven, bleef de Gallische infanterie waar ze was. Na een pauze van een dag vielen de Galliërs ’s nachts aan, maar ze werden teruggeslagen door een jonge, veelbelovende Romeinse bevelhebber, een zekere Marcus Antonius.

Inmiddels hadden de Galliërs het zwakke punt in de Romeinse linies ontdekt. Aan het begin van de avond van de derde dag trok een verwant van Vercingetorix, Vercassivellaunus, met ongeveer een kwart van het leger om, na een korte nachtrust in het open veld, de onvoltooide sector van de Romeinse linie aan te vallen. Tegelijk viel de Gallische hoofdmacht de westelijke schansen aan en deed Vercingetorix een uitval naar datzelfde punt. Ondanks deze drievoudige aanval hielden de Romeinse schansen het. Caesar schrijft – Vincent Hunink vertaalt:

Beide partijen hadden het idee dat dit een uniek moment was dat om maximale inzet vroeg: de Galliërs zagen überhaupt geen hoop meer op redding als ze niet door de schansen heen braken; en de Romeinen verwachtten dat aan alle inspanningen een eind kwam als ze de zaak nu in de hand hielden.

Het was vooral lastig bij de noordelijke, incomplete versterkingen, waar Vercassivellaunus aanviel.

De ongunstig aflopende helling van het terrein speelde een belangrijke rol. Sommige vijanden gooiden speren, anderen vormden een schilddak en kwamen zo naderbij. Allemaal gooiden ze aarde op ons schanswerk; dit bood de Galliërs de kans erop te klimmen en dekte tevens de Romeinse vallen in de grond af. Bij onze mensen waren de wapens en de kracht al niet meer toereikend.

Caesar, die het gevecht vanaf een heuveltop ten zuiden van Alesia gadesloeg, stuurde zijn rechterhand Titus Labienus met versterkingen naar de bedreigde plaats. Inmiddels had Vercingetorix geconcludeerd dat hij bij Les Laumes geen succes zou boeken, en hij gaf zijn mannen het bevel de heuvel te bestormen waarop Caesar zich bevond:

Met een massa projectielen verjoegen ze de mannen die op de torens vochten, ze gooiden de grachten dicht met aarde en horden, en sloegen met breekijzers een bres in de wal en borstwering.

Eerst stuurde Caesar de jonge Decimus Junius Brutus met een aantal cohorten, daarna onderbevelhebber Gaius Fabius met andere. Ten slotte, toen het vechten heftiger werd, voerde hij persoonlijk verse troepen ter versterking aan. De strijd herstelde zich en de vijand werd teruggeslagen. Daarna trok Caesar op naar de plek waar hij Labienus heen gestuurd had. Uit een nabijgelegen bastion haalde hij vier cohorten. Een deel van de cavalerie gaf hij bevel hem te volgen en een ander deel om de vijand in de rug aan te vallen.

Toen bij Labienus de wallen noch de grachten standhielden tegen het vijandelijk geweld, concentreerde hij negenendertig cohorten die hij toevallig had kunnen halen uit wachtposten vlakbij. Via boodschappers bracht hij Caesar ervan op de hoogte welke maatregelen hij noodzakelijk achtte. Caesar maakte haast om deel te nemen aan het gevecht. Aan de kleur van zijn uitrusting herkende men dat hij het was die eraan kwam – dit was zijn normale kenteken in de strijd.

Ook de versterkingen arriveerden nu, het leger van Vercassivellaunus werd verdreven en daarmee kwam een einde aan de Gallische poging Alesia te ontzetten. De troepen in de stad begrepen dat er geen redding meer mogelijk was.

Caesars verslag is een elegant kunstwerk dat vooral dient om de generaal in het zonnetje te zetten. Dat de Gallische hoofdmacht streed bij Les Laumes, wordt door Caesar slechts in een bijzin vermeld. Daarentegen besteedt hij erg veel aandacht aan het gevecht met Vercassivellaunus. “Het resultaat van alle voorgaande krachtmetingen was afhankelijk van die dag en dat uur”, oordeelt Caesar, die enkele zinnen later aangeeft dat het er slecht uitzag totdat de soldaten hém zagen. Dat zijn rechterhand Labienus al eerder negenendertig cohorten – vijftienduizend man – had laten aanrukken, werd afgedaan als iets toevalligs. Zo zoomt Caesar al met al steeds verder in: het gaat om één belegering, om één gevecht, om de ingrijp van één man – hijzelf.

De volgende ochtend riep Vercingetorix zijn voornaamste adviseurs samen. De strijd was verloren en hij bood aan, zo vertelt Caesar, dat de Galliërs hem maar moesten doden of uitleveren. De Galliërs kozen voor het laatste en stuurden gezanten naar Caesar om over de capitulatie te onderhandelen. Deze gelastte hun hun wapens in te leveren.

Zelf nam hij plaats op de schans, voor zijn kamp. Daar moesten de stamhoofden verschijnen. Men leverde Vercingetorix uit en gooide de wapens neer. […] Uit de krijgsgevangenen gaf hij er aan zijn hele leger één per man, als buit.

Deze laatste zin bewijst dat ten minste 50.000 mensen slaaf gemaakt werden, want dat was ongeveer de sterkte van Caesars twaalf legioenen. Het is mogelijk dat hierbij ook bewoners van Alesia waren die vijf dagen eerder tussen de twee linies klem waren komen te zitten. De oorlog was afgelopen. Althans volgens Caesar.

Er is echter reden daaraan te twijfelen. Caesar spreekt vrijwel zeker niet de waarheid over Vercingetorix’ capitulatie. De Griekse historicus Cassius Dio, die omstreeks 230 n.Chr. een overzicht van de Romeinse geschiedenis publiceerde, schrijft echter dat de Galliër tot het laatst zijn lot meester was: hij kwam onaangekondigd en zonder heraut. De auteur van Dio’s bron vond dat de boomlange Galliër er in zijn wapenrusting imposant uitzag. Caesar wist niet van de komst van zijn tegenstander en schonk hem, toen hij zich onderwierp, geen genade: Vercingetorix werd in de boeien geslagen.

Dio’s verslag valt te verkiezen. Caesar liet zich altijd voorstaan op de clementie waarmee hij zijn vijanden bejegende. Dat de Gallische generaal daarop geen aanspraak had mogen maken, paste niet in dat beeld en werd dus onderdrukt. De volkomenheid van de Gallische nederlaag werd veel beter geïllustreerd door de stamhoofden zelf Vercingetorix te laten uitleveren.

Caesars weergave laat wel meer te wensen over. De Aantekeningen eindigden met de capitulatie van enkele opstandige stammen, een opsomming van de winterkwartieren van de legioenen en de quasi-afstandelijke mededeling dat “toen dit alles via een brief in Rome bekend werd, men besloot tot een dankfeest van twintig dagen”. Maar de oorlog was niet voorbij. Er zou nog twee jaar hard gevochten worden – maar het paste niet in Caesars zelfpresentatie daaraan veel woorden vuil te maken.

Laatste opmerking: de Romeinse kalender was in deze tijd hopeloos ontregeld, maar de capitulatie van Alesia lijkt te hebben plaatsgevonden op 10 mei 52 v.Chr.

21 gedachtes over “Alesia (4)

  1. Frans

    En da’s een beloning voor nachtbrakers als ik, want het is op het moment dat ik dit schrijf al 10 mei. En ik snap natuurlijk dat Juul zichzelf in het zonnetje wilde zetten, maar niet helemaal waarom Cassius Dio eeuwen later ineens nieuwe info had. Wie was Dio’s bron?

  2. Robbert

    Ja, Julius Caesar, de fascinerende held die bijna (Gergovia) alles won in risicovolle situaties, daar heeft ook zijn bekwame legatus Titus Labienus uiteindelijk niets aan kunnen veranderen.
    Op de zuidelijk heuveltop kun je inderdaad alles overzien en je ziet de gebeurtenissen zich voor je ogen afspelen.
    Geschiedenis als spannend jongensboek, zolang je niet aan de gruwelijkheden hoeft mee te doen…

      1. Otto Cox

        Julius was bij zijn propaganda wel iets subtieler dan dat. Hij moest bovendien zo nu en dan ondercommandanten in het zonnetje zetten die relaties waren van belangrijke bondgenoten, zoals de broer van Cicero en de zoon van Crassus. En ook Labienus, relatie van Pompeius, die overigens een meer dan gemiddeld bekwame legeraanvoerder was. Caesar kiest er nogal eens voor te beschrijven hoe zijn ondercommandanten -en ook gewone soldaten- door Julius worden gestimuleerd tot grootste prestaties. Of een beschrijving van Labienus die zijn troepen aanvuurt door ze te zeggen dat “ze zich moesten voorstellen dat Caesar ze van verre toekijkt”. Zo’n truc had Labienus echt niet nodig.

  3. FrankB

    Ik denk toch dat Uderzo en Goscinny de overgave van Vercingetorix correct hebben weergegeven.

    JC die zichzelf in het zonnetje zet wordt eveneens perfect door hen geïllustreerd (ik parafraseer):

    Adjudant: hij is groots!
    JC: Wie?
    Adjudant: nou ….. u.
    JC,. Ah, hij.

    1. Frans

      Wordt nog lolliger door het dialoogje dat eraan vooraf gaat:
      -Over wie heeft ie het?
      -Over zichzelf. Hij praat altijd over zichzelf in de derde persoon enkelvoud.
      En dat is natuurlijk weer een verwijzing naar de Bello Gallico, iets wat ik als kind niet door had en nu wel. En daarom blijft Asterix leuk!

  4. vgent

    Je schrijft dat de Romeinse kalender toen hopeloos was ontregeld. In 52 v.Chr. viel het nog wel mee – vermoedelijk slechts vier weken t.o.v. de proleptische juliaanse kalender. Het is pas na de slag van Alesia dat JC, die als ‘Pontifex Maximus’ de authoriteit had om de kalender te regelen, het een paar keer naliet om een schrikkelmaand af te kondigen zodat het verschil van de kalender met de seizoenen tot wel drie maanden opliep. Op het internet lees ik op veel websites dat de overgave van Vercingetorix op 27 september plaatsvond maar ik zie niet zo gauw een bron hiervoor.

      1. vgent

        Bedankt voor de aanwijzing. De beide hierin genoemde boeken staan ook online op Genesis Library. Deze en de hierin geciteerde bronnen (toegankelijk via Gallica) leren mij dat de datum gebaseerd is op de hypothese dat de slag van Alesia plaatsgevonden moet hebben in de periode dat de maan vol was, anders had het leger van JC geen nachtelijke acties kunnen ondernemen. Camille Jullian (_Histoire de la Gaule_, deel III, p. 533, n. 6) noemt als waarschijnlijke data voor de volle maan 27 augustus of die van 25/26 september. Latere auteurs kiezen met een slag om de arm 27(?) september als datum voor de overgave van V en de meest recente auteurs laten de vraagteken gemakshalve maar weg. Deze data zijn dan volgens de proleptische juliaanse kalender – dus niet voor de kalender die JC toen gebruikte.

        1. Jeff

          “Deze data zijn dan volgens de proleptische juliaanse kalender – dus niet voor de kalender die JC toen gebruikte.”

          Die data volgens de proleptische juliaanse kalender zijn dus zeker niet de data zoals die door Julius Caesar gebruikt zullen zijn.

          En is er voor de kalender die JC gebruikte dan überhaupt wel iets zinnigs te zeggen over de datum van V’s overgave?

          En wat die volle maan betreft … ook bij een niet complete volle maan of een maan die al weer aan het afnemen is zou er voldoende nachtelijk licht geweest kunnen zijn voor acties van JC. Dat geeft dus al een hele reeks van mogelijke dagen, waarbij bewolking ook nog eens een rol speelde.

          “… en de meest recente auteurs laten de vraagteken gemakshalve maar weg.”

          Het lijkt mij zinnig om juist heel veel vraagtekens bij die datum te plaatsen in plaats van ze weg te laten ;).

          1. vgent

            Je hebt helemaal gelijk maar als er eenmaal zo’n datum – ook met een slag om de arm – in de literatuur verschijnt is het voor latere schrijvers heel verleidelijk om deze kritiekloos over te nemen – het is immers door sterrenkundigen geverifieerd! Vooral nu met het internet zie je dat iedereen elkaar maar overschrijft en ook Wikipedia is natuurlijk niet erg betrouwbaar (vergelijk bijv. de Franse artikel voor V met de Nederlandse). In de door JC zelf gevolgde kalender vallen alle datums in 52 v.Chr. ongeveer vier weken later – 27 september (jul. prolept.) komt dan volgens de conversietabel van Chris J. Bennett overeen met a.d. IX kal. Novembris ofwel 24 oktober.

  5. Robert

    Ik had begrepen dat Caesar de overlevenden van de Aedui en de Averni liet gaan omdat hij hun loyaliteit hoopte te winnen (boek 7 geloof ik). Dat zou het aantal overlevenden nog hoger opstuwen.
    Maar ergens anders (lang geleden gelezen, geen idee meer waar) werd beschreven dat de (sommige? een paar?) krijgers met afgehakte handen naar huis werden gestuurd, in plaats van als slaven te zijn verkocht?

    1. Dirk

      Ja, na de belegering van Uxellodunum. Het is Aulus Hirtius’ aanvulling op Caesar die dat beschrijft.

      1. Robbert

        Ja, bij Uxellodunum en niet sommige of een paar, maar “van iedereen die wapens had gedragen liet hij de handen afhakken: hij liet hen wel in leven, want zo zou goed zichtbaar zijn wat de straf is voor oproerkraaiers” (vertaling Vincent Hunink).

    1. Ben Spaans

      Mocht iemand deze reactie niet meer kunnen plaatsen: in het album komen de Gallische mannen met elk twee afgehakte handen voor. Wordt nog fijntjes bij vermeldt dat de stompen werden dichtgeschoeid want ze moesten het overleven om naar hun familie terug te keren waarvoor ze inmiddels als volstrekt nutteloze dieren golden.

      Nare jongens die Romeinen.

      T.a.v. sommige politici: zo schreed de beschaving voort.

  6. Martijn N.

    “Deze laatste zin bewijst dat ten minste 50.000 mensen slaaf gemaakt werden, want dat was ongeveer de sterkte van Caesars twaalf legioenen.”

    Ik vrees dat die zin helemaal niets bewijst, hooguit dat er waarschijnlijk “best veel” mensen in slavernij werden afgevoerd. Nog afgezien van het feit dat we de precieze “papieren” sterkte van een legioen niet kennen (hoewel waarschijnlijk natuurlijk inderdaad ergens in de buurt van 5000) is het weer niet erg waarschijnlijk dat die sterkte ook ooit echt werd gehaald. Als (vroeg-)moderne parallellen iets zeggen is het zo maar mogelijk dat na een tijdje campagne voeren de eenheden een derde tot de helft van hun sterkte kwijt waren. Getallen en militaire geschiedenis zijn altijd lastig, en al helemaal als het over de oudheid gaat…

Reacties zijn gesloten.