Titus Livius (4): inhoud

Zomaar een Romein, niet per se Titus Livius (Museum für Kunst und Gewerbe, Hamburg)

[Vierde blogje in een reeks over de Romeinse geschiedschrijver Titus Livius. Het eerste deel was hier.]

Avaritia & crudelitas

Ik was vanmorgen begonnen met een samenvatting van het geschiedwerk van Titus Livius en had de tweede eeuw v.Chr. bereikt. Nu volgt het conflict tussen twee rivaliserende Romeinse staatslieden: Marius en Sulla. De boeken 66-70 gaan over de opkomst van Marius en worden gevolgd door zes boeken over de Bondgenotenoorlog, waarin de Romeinen moeten vechten tegen hun Italische medestanders, die burgerschap eisen. Na een Romeinse zege voeren de Romeinen oorlog tegen koning Mithridates van Pontus, zonder hem te overwinnen. Generaal Sulla neutraliseert het probleem, keert terug naar Italië en bestuurt de republiek als dictator.

Dit deel van de geschiedenis van Rome vanaf de oprichting, dat de verdeeldheid van de Romeinse elite hekelt en eindigt met de dood van Sulla, werd waarschijnlijk aan het begin van onze jaartelling gepubliceerd. De Periochae maken duidelijk dat Livius vaak aangaf dat politieke vraagstukken werden opgelost per vim, “met geweld”. Andere terugkerende begrippen zijn avaritia en crudelitas, “gierigheid” en “wreedheid”. Het was dus geen opbeurende lectuur, al zal Livius hebben opgemerkt dat met Augustus alles beter was geworden.

De ondergang van de Republiek

De boeken 91-105, gepubliceerd rond 5 na Chr., gaan over de opkomst van Pompeius, Crassus en Julius Caesar. We vernemen hoe de jonge Pompeius met succes vecht tegen de rebellenleider Sertorius in Hispania, zich bindt aan Crassus en consul wordt, en later vecht tegen de Cilicische piraten, Mithridates en de Joden. Hierop volgt de formatie van het Eerste Driemanschap, door Livius getypeerd als “een samenzwering tegen de staat door de drie voornaamste burgers”. Caesars sensationele Gallische oorlog eindigt met een climax: de Romeinen steken in Boek 105 niet alleen de Rijn maar ook het Kanaal over.  Deze ontknoping suggereert dat Livius’ boodschap was dat Romeinen, als ze hun verdeeldheid maar overwonnen, de grootste dingen konden bereiken. Het is interessant dat Boek 104 een digressie heeft gehad geweest over Germaanse gewoonten, wat suggereert dat Livius de rapporten heeft gelezen van de Romeinse generaals Drusus en Tiberius.

De volgende decade gaat over de staatsgreep van Caesar. Boek 106 begint met de dood van Julia, Caesars dochter en de echtgenote van Pompeius. Vanaf nu zijn de harmonieuze relaties tussen de Romeinse leiders verdwenen. Ramp volgt op een ramp. De Belgische leider Ambiorix verslaat de legioenen van Caesar en de Parthische commandant Surena verslaat de soldaten van Crassus in Carrhae. Er is onrust in Rome, Caesar wordt verslagen bij Gergovia, en hoewel hij in Boek 108 de Galliërs verslaat, verslechtert zijn relatie met Pompeius nog verder. De Tweede Burgeroorlog breekt uit. Ik citeerde in een eerder blogje al Livius’ jeugdherinnering aan een waarzegger die in Padua de uitkomst van de slag bij Farsalos “zag”. Boek 115, waarschijnlijk gepubliceerd in 8 na Chr., eindigt met Caesars viervoudige triomf. Het moet bemoedigend zijn geweest voor Livius’ tijdgenoten, die net ernstige militaire tegenslagen in Illyricum hadden geleden.

Boek 116 begint met het complot tegen Caesar. Livius’ oordeel over de dictator: “Het valt niet uit te maken of het beter was voor de republiek dat Caesar werd geboren of dat beter was geweest als hij nooit was geboren.” De hele pentade (dus de boeken 116-120) beschrijft dan het conflict tussen Marcus Antonius en Octavianus. Vijf boeken is veel ruimte voor slechts twee jaar, maar Padua, waar Livius is geboren, speelde in deze oorlog een rol en Livius had het meegemaakt. Hij zal de gebeurtenissen belangrijker hebben gevonden dan wij. Boek 120 beschrijft hoe de twee kemphanen met Lepidus het Tweede Driemanschap sluiten.

Augustus

Livius publiceerde deze pentade in ca.10 na Chr. en het is mogelijk dat hij opnieuw benadrukte dat heersers samenwerken, een thema dat in deze jaren steeds belangrijker was in de Augusteïsche propaganda. Uit deze jaren stamt een tempel voor Concordia en ook werd Tiberius ingewerkt als opvolger.

Maar ook al stemde Titus Livius in met de heerschappij van Augustus, hij wilde ook niet ontkennen dat diens regering met geweld was begonnen. Moderne oudheidkundigen wijzen wel op de opmerking in de Periochae dat Boek 121 en de volgende boeken zijn gepubliceerd “na de dood van Augustus”. Dat hoeft niet te betekenen dat Livius censuur vreesde; hij lag ongeveer op schema.

De boeken 121-133 vertellen over de oorlog van de Driemannen tegen Brutus en Cassius, culminerend in de Dubbele veldslag bij Filippoi (Boek 124). Daarop volgen Marcus Antonius’ oorlog tegen de Parthen (Boek 128) en Octavianus’ oorlogen tegen Sextus Pompeius en in Illyricum. Lepidus verdwijnt van het toneel (Boek 129) en Marcus Antonius ontmoet Kleopatra. De Zeeslag bij Aktion rondt het verhaal af.

Misschien was dit het oorspronkelijke eindpunt van Livius’ project. Hij was ooit begonnen met een geschiedenis van Rome, en had nu het moment bereikt waarop hij zich aan dat werk had gezet. Hij had toen gedacht dat na de burgeroorlogen een ethisch reveil mogelijk was. De Romeinse wereld was inderdaad vreedzamer geworden, maar hij moet hebben opgemerkt dat de republiek, met zijn publieke debatten, was veranderd in een monarchie, waar beslissingen werden genomen door één man. En in het geheim.

Livius was daardoor niet in staat iets te produceren zoals de voorgaande drieëndertig boeken, waarin hij vierentwintig jaar had beschreven. Na boek 134 verviervoudigt het tempo van zijn verhaal: hij beschrijft tweeëntwintig jaar in slechts negen boeken. Het verhaal was nu heel anders dan het voorafgaande en het is mogelijk dat Livius zijn belangstelling begon te verliezen. Het is waarschijnlijk dat boek 134 begon met de woorden van fragment 58:

Ik heb inmiddels genoeg roem verdiend en zou een punt achter mijn geschiedwerk kunnen zetten, maar mijn rusteloze geest voedt zich met het schrijven.

Titus Livius bleef dus schrijven. De Periochae van de laatste boeken zijn zeer kort en suggereren niet dat het opwindende lectuur was. Dat was niet Livius’ schuld. De tijden waren aan het veranderen. De trieste paradox van de geschiedschrijving is immers dat alleen oorlogen en rampen materiaal leveren voor een boeiend narratief. Als de laatste boeken van de Geschiedenis van Rome sinds de stichting van de stad wat saai waren, was het omdat Livius tot zijn geluk niet leefde in interessante tijden.

[wordt morgenochtend vervolgd]

PS

Het hing al een tijdje in de lucht, maar de universiteit van Cardiff sluit inderdaad alle oudheidkundige opleidingen. Een nieuwe bijdrage aan het lijstje hier.

Het leger van Caesar

Re-enactors in de uitrusting van soldaten uit de tijd van Caesar.

Ik zou dit blogje kunnen aankondigen met “Het was quintilis in het jaar waarin Julius Caesar zonder collega het consulaat bekleedde”. En ik zou dit traditiegetrouw kunnen omrekenen naar juli 45 v.Chr., zodat u wist te zijn beland in een aflevering van de reeks “Wat deed Julius Caesar vandaag 2069 jaar geleden?” Ik zou dan kunnen vertellen dat hij op weg was naar noordelijk Italië en ik zou kunnen speculeren over zijn route. Dat zou allemaal kunnen, maar liever behandel ik een algemener onderwerp dat niet precies valt te koppelen aan een kalenderdatum: het leger.

Investeren in jezelf

Het Romeinse leger had ooit bestaan uit dienstplichtige boeren. Die waren rijk genoeg om een wapenrusting te betalen. In de loop van de tweede eeuw v.Chr. waren de soldaten echter steeds vaker gerekruteerd uit het proletariaat. Hierdoor was het leger van karakter veranderd. De militaire dienst was niet langer een dienst aan de staat, maar een manier om jezelf te verrijken. Wat ooit een eervolle taak voor de gemeenschap was geweest, verwerd, om de beruchte woorden van Wim Deetman te parafraseren, tot slechts “een investering in jezelf”.

Lees verder “Het leger van Caesar”

Murus Gallicus

Gereconstrueerde Murus Gallicus (Bibracte)

Het wilde in 52 v.Chr. niet vlotten met de Romeinse belegering van Avaricum, het huidige Bourges, en Julius Caesar kon zijn frustratie niet onderdrukken. Het kwam allemaal door die verdraaide stadswal. In zijn Gallische Oorlog geeft hij een beschrijving van de muren die hem weerhielden van het innemen van de hoofdstad van de Bituriges. Hier is de vertaling van Vincent Hunink.

Lees verder “Murus Gallicus”

VIII Augusta op de Balkan

Grafsteen van Gaius Valerius Valens van VIII Augusta (Archeologisch Museum, Korinthe)

Met het Zevende, het Negende en het Tiende Legioen behoorde het Achtste tot de oudste eenheden in het leger van het Romeinse keizerrijk. Het viertal bestond al – we weten niet hoe lang – toen Julius Caesar in 58 v.Chr. begon aan de verovering van Gallië. Hij vermeldt het Achtste in zijn verslag van de strijd tegen de Nerviërs en bij de belegering van Gergovia. Het is niet ondenkbaar dat het legioen tijdens deze oorlog op sterkte is gebracht door Gallische strijders in de gelederen op te nemen, want een inscriptie vermeldt ene Gaius Cabilenus “uit Gallië”.

Aan het begin van de Tweede Burgeroorlog, waarin Caesar het opnam tegen de Senaat, kwam het Achtste in actie bij Corfinium en Brindisi (49), waarna het enige tijd in Apulië was gestationeerd. In het voorjaar van 48 diende het bij Dyrrhachion en leed het zware verliezen. Daarom streed hij bij Farsalos samen met het Negende als één eenheid en werden de soldaten, na de overwinning, teruggestuurd naar Italië om daar te worden gedemobiliseerd. Ze kregen land in Campanië. Hoewel veel veteranen zich moeten hebben teruggetrokken op het platteland, wordt het Achtste opnieuw vermeld tijdens als Caesars Afrikaanse campagne. In 45 v.Chr. kregen deze soldaten – die misschien nog niet waren gedemobiliseerd of opnieuw hadden bijgetekend – land in Casilinum.

Lees verder “VIII Augusta op de Balkan”

De viervoudige triomf van Julius Caesar

Een triomf, niet die van Caesar (Vaticaanse musea, Rome)

Als ik u zeg dat het sextilis was, als ik toevoeg dat het was in het jaar waarin Julius Caesar (voor de derde keer) en Marcus Aemilius Lepidus het consulaat bekleedden, en als ik dat omreken naar juni 46 v.Chr. op onze kalender, dan weet u dat ik vandaag blog over de vraag wat Julius Caesar zo’n 2069 jaar geleden deed.

Triomferen. Vier keer. Het grote feest waarin een Romeinse aristocraat glorieerde en voor één dag als een koning van weleer was verheven boven de andere senatoren. Het grote feest ook waarbij men een onderworpen volk aan de Romeinen presenteerde, liefst zo exotisch mogelijk. De bekendste beschrijving is die van Caesars biograaf Suetonius, die ook de vijfde triomftocht vermeldt. De Spaanse triomf was echter pas een jaar later.

De eerste en schitterendste triomftocht die hij hield was de Gallische, dan kwam de Alexandrijnse, daarna de Pontische, vervolgens de Afrikaanse en ten slotte de Spaanse. Bij elke triomftocht was het gebruikte materiaal en de presentatie weer anders.noot Suetonius, Caesar 37; vert. Daan den Hengst.

Lees verder “De viervoudige triomf van Julius Caesar”

XII Fulminata, het bliksemlegioen

Een soldaat van XII Fulminata (Capitolijnse Musea, Rome)

Het heeft er de schijn van, al is het niet bewijsbaar, dat de nummers van de Romeinse legioenen al vóór Julius Caesar waren gekoppeld aan provincies – wat in de tijd vóór Caesar overigens geen territoriaal afgebakende gebieden waren maar aangewezen oorlogszones. De eerste vier legioenen stonden ter beschikking van de twee consuls, de nummers vijf en zes lagen in de twee Spaanse provincies en de nummers VII, VIII, VIIII en X lagen in de Provence en op de Po-vlakte. Waarna de oostelijker gebieden weer hogere nummers hadden.

Caesar

Toen Caesar gouverneur werd van de Provence en de Po-vlakte, beschikte hij dus over vier legioenen. Voor de oorlog tegen Helvetiërs die in 58 v.Chr. uitbrak, voegde hij er twee aan toe, die hij de nummers XI en XII gaf. Over dat laatste legioen wil ik het vandaag hebben. Het heeft tijdens de Gallische Oorlog zeker gestreden in de slag aan de Sabis (de Selle in Noord-Frankrijk) tegen de Nerviërs; het nam deel aan de belegering van Bourges, onderscheidde zich bij Lutetia en hielp bij de blokkade van Alesia.

Lees verder “XII Fulminata, het bliksemlegioen”

VIIII Hispana: het legioen van Rosemary Sutcliff (1)

Grafsteen van Moranus, soldaat van VIIII Hispana (ingemetseld in de stadspoort van Motovun)

Kan een Romeins legioen negentien eeuwen na zijn verdwijning nog tot de verbeelding spreken? De enige Romeinse militaire eenheid die daar in slaagt, is het Negende Legioen Hispana. De reden is welbekend: het fenomenale kinderboek van Rosemary Sutcliff, De adelaar van het Negende. Ze vertelt het verhaal van de speurtocht naar het lot van het legioen, dat vanuit York noordwaarts de Schotse mist in was gemarcheerd en waarvan nadien niemand meer was vernomen. Ik ken niemand die het een slecht boek vond, het heeft eindeloos veel jonge mensen een fascinatie bijgebracht voor het oude Rome, het is verfilmd en het heeft een hardnekkig misverstand opgeleverd, want het legioen is niet in Schotland verdwenen. Daar heb ik het vaker over gehad en dat laat ik nu verder rusten.

Caesar

VIIII Hispana behoorde met de legioenen VII, VIII en X Equestris tot de oudste eenheden in het keizerlijke leger. Dit viertal was al bij Julius Caesar toen hij in 58 v.Chr. de Gallische Oorlog ontketende. Caesar noemt het Negende bijvoorbeeld in zijn verslag van de strijd aan de Sabis, de Selle in Noord-Frankrijk, waar hij de Nerviërs versloeg.

Lees verder “VIIII Hispana: het legioen van Rosemary Sutcliff (1)”

Het legioen met de leeuweriken: V Alaudae (1)

Her graf van centurio Lucius Poblicius uit V Alaudae (Römisch-Germanisches Museum, Keulen)

Het is niet ongebruikelijk de geschiedenis van het Romeinse Rijk te vertellen aan de hand van keizers. Zo deden ze het in de Oudheid al en in de negentiende eeuw, toen geschiedvorsing een wetenschap werd, ging men ermee verder. Het was immers de tijd waarin Europese geschiedenis gemaakt leek te worden door koningen, premiers en ministers, het was de tijd van de grotemannengeschiedenis. De echt belangrijke wetenschappers voelden zich ongemakkelijk bij deze visie op oorzakelijkheid. Het is geen toeval dat Theodor Mommsen, de voornaamste van allemaal, vastliep toen hij met zijn Römische Geschichte was aanbeland bij de keizertijd. Hij wist dat zelfs de grootste grote mannen alleen maar geschiedenis konden maken met instituties die ze niet zelf hadden gecreëerd.

Ik heb weleens overwogen een geschiedenis van het Romeinse Keizerrijk te schrijven aan de hand van de legioenen. Zo’n boek zou dan zeker zijn begonnen met het Vijfde Legioen Alaudae. De bijnaam is Gallisch en betekent “leeuweriken”, vergelijk het Franse alouette. Het ontstaan van deze eenheid staat feitelijk voor het begin van het keizerrijk.

Lees verder “Het legioen met de leeuweriken: V Alaudae (1)”

Misverstand: De Samber

De Selle (niet de Samber)

Misverstand: Caesar versloeg de Nerviërs aan de Samber

Het verhaal van de Romeinse veroveringen is deprimerend eentonig. De Romeinen slaagden erin steeds grotere legers uit te rusten en te trainen en versloegen daarmee een voor een de grote Grieks-Macedonische koninkrijken in het oosten, die daar waren ontstaan na de veroveringen van Alexander. Rond het midden van de eerste eeuw v.Chr. veroverde generaal Pompeius delen van het huidige Turkije, Syrië, Libanon en Israël.

Zijn rivaal, vriend en schoonvader Julius Caesar voegde iets later Gallië toe, ruwweg het huidige Frankrijk. In 57 v.Chr. viel hij de Belgen aan. Een coalitie onder leiding van de Nerviërs wachtte hem echter op bij een riviertje dat Caesar aanduidt als de Sabis. De stamkrijgers kwamen dicht bij de overwinning, maar de routine van de legionairs verzekerde de Romeinse zege.

Lees verder “Misverstand: De Samber”

Alesia (4)

Landkaartje van Alesia; Les Laumes is links; de onvoltooide buitenring is linksboven
Landkaartje van Alesia; Les Laumes is links; de onvoltooide buitenring is linksboven

Vercingetorix’ strijdplan had eruit bestaan alle voedsel onder te brengen in een beperkt aantal heuvelforten, die de Romeinen dan zouden moeten belegeren om aan voedsel te komen. De Galliërs zouden dan de Romeinse foerage verstoren en de vijanden dwingen Gallië te ontruimen. Eén van de belegeringen was Alesia, waar de Romeinse legioenen enorme belegeringswerken aanlegden en het Gallische ontzettingsleger laat aankwam om de foerageurs te dwarsbomen.

Toen het arriveerde, was het eigenlijk al te laat: de ring van belegeringswerken was bijna voltooid. Het Gallisch ontzettingsleger bivakkeerde op de heuvels ten westen van Alesia maar het oorspronkelijke krijgsplan was niet langer bruikbaar. Anders dan beoogd waren de voedselvoorraden van de belegerden in Alesia uitgeput en daardoor konden de Galliërs er niet langer mee volstaan de Romeinse foerageurs aan te vallen. Ze moesten ze zo snel mogelijk een veldslag forceren en de belegering opheffen. Caesar kwam de Galliërs daarbij te hulp doordat hij de dag na hun aankomst de cavalerie op hen afstuurde. Hij had er belang bij de aanvallers geen moment rust te gunnen, want het noordelijke deel van de buitenste ring van zijn versterkingen was nog niet voltooid en dat mochten de commandanten van het ontzettingsleger onder geen beding ontdekken.

Lees verder “Alesia (4)”