De eindtijdverwachting van Handelingen

Christus, met links en rechts van hem vertegenwoordigers van de joodse en heidens christenen (Santa Pudenziana, Rome).

Misschien is het zinvol om in mijn reeks over het Nieuwe Testament eens te kijken voorbij de evangeliën en het leven van Jezus om te zien wat er later gebeurde. De hoofdlijn zal u bekend zijn. Na Jezus’ optreden zetten de apostelen de missie voort en enkelen van hen predikten dat ook anderen dan de Joden deel konden hebben aan het Verbond. Deze laatsten zouden in het christendom steeds meer gaan overheersen en in de loop van de tweede eeuw verdwijnen de “christenen uit het jodendom” geheel, al waren er nog rond 400 n.Chr. bisschoppen die hun gemeentes waarschuwden tegen synagogebezoek.

Paulus versus Handelingen

Wie de eerste generatie niet-Joodse christenen waren, is minder duidelijk. We hebben over maar één zo’n verkondiger werkelijk informatie, namelijk Paulus, en juist over hem is veel onduidelijk. In zijn eigen brieven omschrijft hij zijn positie als die van apostel en richt hij zich tot de heidenen; in de Handelingen van de Apostelen is hij nu net geen apostel en richt hij zich tot de “godvrezenden”, dat wil zeggen heidenen die met het jodendom sympathiseerden maar de Wet van Mozes niet of onvolledig volgden.

Er zijn diverse redenen om Handelingen in dit opzicht niet serieus te nemen. De tekst lijkt te veel op de geromantiseerde levensbeschrijvingen van reislustige Griekse filosofen, zoals de Pythagorasbiografieën en FilostratosLeven van Apollonios. Zelfs een schipbreuk, der stoplappen stoplap in de Grieks-Romeinse fictie, ontbreekt niet. Een ander punt is het conflict dat ontstond over de Wet van Mozes: volgens Paulus’ brieven konden niet-Joden zonder nadere eisen toetreden tot het Verbond, de Handelingen noemen echter enkele toelatingseisen.

Handelingen als bron

We hebben hier een klassiek voorbeeld van het onderscheid tussen enerzijds een primaire bron, zoals de documentatie door de betrokkenen zelf of ooggetuigenverslagen, en anderzijds een secundaire bron, die wat verderop staat. Normaalgesproken laat een historicus bij een conflict tussen primaire en secundaire bronnen de laatste liggen, wat bekendstaat als “eliminatie van een bron”. Je kunt de Handelingen niet gebruiken als voornaamste bron van informatie.

Dat wil niet zeggen dat Handelingen niet kan helpen om de leefwereld van de eerste generatie christenen te doorgronden. Zelfs als de schets van een groep mensen die alles gemeenschappelijk bezat geïdealiseerd is, toont het een norm van wat deze mensen verwachtten dat christenen zouden zijn. En let wel: de sekte van de Dode-Zee-rollen toont dat dit soort groepen reëel bestonden.

Het herstel van Israël

En juist dan is het begin significant. Na een korte proloog lezen we dat de uit de dood opgestane Jezus iets vertelt:

‘Ga niet weg uit Jeruzalem, maar blijf daar wachten tot de belofte van de Vader, waarover jullie van mij hebben gehoord, in vervulling zal gaan. Johannes doopte met water, maar binnenkort worden jullie gedoopt met de heilige Geest.’

Zij die bijeengekomen waren, vroegen hem: ‘Heer, gaat u dan binnen afzienbare tijd het koningschap over Israël herstellen?’ (Handelingen 1.4-6; NBV)

We zien hier dezelfde eindtijdverwachting die tijdens het leven van Jezus heeft bestaan: binnenkort zou er iets gaan gebeuren, Israël zou worden hersteld en Jezus zou het koningschap opnieuw uitoefenen. Veel messiaanser kan het niet. De eindtijdverwachting was voor de toehoorders en lezers van Handelingen nog volkomen reëel.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

22 gedachtes over “De eindtijdverwachting van Handelingen

  1. FrankB

    “Wie de eerste generatie niet-Joodse christenen waren, is minder duidelijk.”
    Bovendien geloof ik er niets van dat Paulus representatief was voor hen. Voor jouw vraag zijn de onduidelijkheden over hem dus irrelevant.

    1. Gert M. Knepper

      Maar Jona beweert toch ook niet dat Paulus representatief zou zijn voor de eerste generatie christenen? Zijn (Paulus’) brieven zijn een belangrijke bron van informatie over eerste generatie christenen, niets meer of minder dan dat.

      1. FrankB

        Ik beweer toch ook niet dat JonaL dat beweert? Ik weet niet hoe het met uw woordenboek zit, maar als ik het woord “bovendien” gebruik bedoel ik “ter bevestiging en aanvulling”.

        1. Gert M. Knepper

          U maakte de – correcte, maar bij mijn weten door niemand ontkende- opmerking dat Paulus niet representatief was voor de eerste generatie niet-Joodse christenen, en concludeerde daaruit dat voor de vraag wie die Joodse niet-christenen waren “de onduidelijkheden over hem (Paulus) “dus” niet relevant zouden zijn.
          Dat is onjuist.
          Voor de beantwoording van de vraag wie de Joodse niet-christenen waren is Paulus een uiterst belangrijke bron, ook al is hij niet representatief voor die groep en is er veel over hem onduidelijk.

          1. FrankB

            “… bij mijn weten door niemand ontkende …”
            Nogmaals, ik heb nooit beweerd dat iemand dat ontkende. U schijnt er zelf op gebrand te zijn mij woorden in de mond te leggen die ik niet heb gebezigd. Dat stel ik niet op prijs. Zeker van iemand van uw kaliber verwacht ik zoiets niet.

            “Paulus een uiterst belangrijke bron ook al ….. is hij niet representatief voor die groep en is er veel over hem onduidelijk”
            U spreekt hiermee uw eigen “Dat is onjuist” keurig tegen; u bevestigt precies wat ik beweer. Paulus is inderdaad een uiterst belangrijke bron – dat hij niet representatief is voor de mensen waar hij over schrijft en er veel over hem onduidelijk is doet daar niets aan af en is dus voor het belang van zijn schrijfsels niet relevant.

            “Voor jouw vraag …..” (uit mijn eerste reactie)
            verwijst naar JonaL’s “Wie de eerste generatie niet-Joodse christenen waren [?]”, dwz het centrale onderwerp van dit blogstukje. Om een antwoord te zoeken hoeft Paulus noch representatief te zijn, noch moeten de onduidelijkheden rond hem uit de weg worden geruimd. Wat telt is dat Paulus over die eerste christenen heeft geschreven en dat we dat kunnen vergelijken met andere empirische data.
            Afijn, inmiddels heb ik er weer genoeg van; ik heb aan bovenstaande niets meer toe te voegen. Aan u het laatste woord. Ik zal het niet lezen. Na twee keer verwacht ik dat u ook een derde keer een valse aanname over mij zult maken. Daar heb ik het geduld niet meer voor; noch voor het eindeloos tot in het fijnste detail uitleggen wat ik wel geschreven hebt en wat anderen menen tussen de regels door te kunnen lezen.

            1. Gert M. Knepper

              Het opheffen van de onduidelijkheden die er over Paulus bestaan is relevant voor de beantwoording van de vraag wie de eerste generatie niet-Joodse christenen waren– en dat ondanks het feit dat Paulus niet representatief was voor die groep.
              Die waarheid ontkende u in uw eerste mail.
              Teneinde uw fout te verhullen beschuldigde u uw opponent vervolgens van het maken van valse aannames over uw standpunt. Argumentatief zou het sterker zijn geweest als u uw aanvankelijke standpunt had onderbouwd. Nóg sterker, want getuigend van inzicht, zou het toegeven van uw fout zijn geweest.

    2. “Bovendien geloof ik er niets van dat Paulus representatief was voor hen.”

      Beste FrankB, je hebt denk ik abusievelijk uit Jona’s woorden opgemaakt dat Paulus een verkondiger was die hoorde bij die “eerste generatie niet-Joodse christenen”. Hij was zo Joods als gefilte fisj en per definitie niet representatief. Wat jij gelooft is beside the point en wat je eruit afleidt over Paulus’ relevantie ook.

      Paulus is simpelweg relevant omdat zijn teksten veel informatie bevatten over de niet-Joodse christenen die hij bezocht, informatie die je nergens anders vindt. Maar als je hem als bron wilt gebruiken, loop je wel degelijk tegen die onduidelijkheden aan.

      1. Ja. Paulus is altijd joods gebleven. Hij legde accenten binnen het jodendom die later vreemd werden gevonden; dat je niet de Wet maar een messias centraal stelt, is het duidelijkste voorbeeld. Niet zonder reden noemde Michael Bird zijn boek “An Anomalous Jew”.

        En ook dan kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Het einde van de Romeinenbrief is te lezen als een update van de halachische discussies, ingeleid door de vraag hoe om te gaan met niet-gelovigen (de vraag die ook in de Mishna de rode draad is) en uitlopend in praktische adviezen.

        Peter Thomsen gebruikt Paulus als argument voor de ontwikkeling van de halacha – binnen het jodendom dus.

        1. Willem Visser

          Inderdaad, Paulus is altijd Joods gebleven – net als veel andere Joodse schrijvers van de NT brievenen – en hij stelt vaak de wet centraal:

          Hand.24:14 “En dat ik geloof in alles wat in de Thora en de Profeten geschreven staat.”

          Hand.28:23 “Terwijl hij hen op grond van de Wet van Mozes … probeerde te winnen.”

          Rom.2:13 “Niet wie de Thora slechts aanhoort zal … rechtvaardig zijn, maar wie de Thora naleeft.”

          Rom.3:31 “Stellen wij door het geloof (in Jezus) de Thora buiten werking? Integendeel, wij bevestigen de Thora juist.”

          Rom.7:12 “Kortom, de Thora zelf is heilig, en de Geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed.”

          Rom.7:16 “Ik erken dat de Thora goed is.”

          Hebr.10:28 “Voor wie de Wet van Mozes naast zich neerlegt is er geen pardon … hij moet sterven.”

          1Joh.2:3 “Dat wij God kennen weten we doordat we ons aan de Thora houden. Wie zegt: ‘Ik ken Hem,’ maar zich niet aan Zijn Geboden houdt, is een leugenaar.”

          Openb.14:12 “Hier komt het aan op standvastigheid van de heiligen, die zich houden aan de Wet van God en aan de trouw van Jezus.”

          Nu is in veel gevallen niet duidelijk of Paulus in zijn brieven Joodse christenen op het oog heeft, of dat het om niet-Joodse christenen gaat. Een tekst in Galaten schept daarin (mogelijk) duidelijkheid:

          Gal.5:2 “Luister naar wat ik, Paulus, tegen u zeg: als u zich laat besnijden, zal Christus u niet baten. Ik verzeker u dat iedereen die zich laat besnijden verplicht is om de wet volledig na te leven” (opheiletes estin holon ton nomon poiesai).

          Door de besnijdenis te ondergaan treed men (volgens Paulus) toe tot het volk van Israel en dient men overeenkomstig deze status de gehele wet van Mozes te onderhouden.
          Niet-Joodse christenen zijn echter op grond van hun ‘onbesneden’ staat (Handelingen 15:5-30) vrijgesteld van alle ‘cultische’ geboden van de wet (op vier geboden na).
          Peter Tomson noemt de wetten waaraan christenen zich dienen te houden ‘universele wetten’. Dat zijn in zijn optiek alle wetten die niet cultisch of religieus zijn; dit betreft bij narekening 318 wetten/geboden van het totaal.
          De “gehele wet” waar Paulus over spreekt betreft alle 613 geboden. En uitdrukkelijk stelt Paulus (alsook de apostel Vergadering) dat “christenen uit de heidenen” hiervan vrijgesteld zijn. Dus ook de eerste generatie
          niet-Joodse christenen, zoals Cornelius “en een groot aantal mensen” die Petrus in het huis van Cornelius aantrof (Handelingen 10:27).

  2. Sara

    Ik zou nog iets verder willen gaan dan de schrijver(s) van Handelingen literaire vrijheid toe te dichten. Het doel was juist om de volgers te overtuigen van de messianistische identiteit van Jezus. In die zin zijn de evangeliën inderdaad geen historie, maar eerder een proclamatie. Daarom moest Jezus, net als David, wel uit Bethlehem komen.
    Paulus verwachtte ook vrij snel de komst van het nieuwe koninkrijk. Maar niet via de opstanding van de Zoon van God, maar via een algemene opstanding. Het schijnt namelijk dat er bewust een verkeerde vertaling is gegeven van Pauls tekst. Rom. 1:4 ‘… door zijn opstanding uit de dood’ (Willibrord). In het Grieks staat er geen ‘autou’ bij opstanding; er staat helemaal geen bezittelijk. vnw. bij en ook geen voorzetsel bij ‘de dood/doden’ (bijv. ‘ek’) . De vertaling zou dus hebben moeten zijn iets als ‘… is aangewezen als Zoon van God in kracht door de heilige geest door de opstanding van de doden’.
    (Volledige argumentatie te vinden in Pagans’ Apostle van Paula Frediksen.)
    De eindetijdverwachting is hét onderwerp van het NT en naarmate het in de loop der tijd uitbleef, verschoof deze verwachting, niet voor alle gelovigen overigens, uiteindelijk op naar het hiernamaals.

    1. Frans Buijs

      Oh nee, toen ik op de christelijke lagere school zat, werd er nog steeds verteld dat Jezus ooit op een dag terug zou komen. Ik herinner me nog een dominee die een, waarschijnlijk verzonnen, voorbeeld noemde van een kind dat bij het horen van die boodschap meteen naar de top van de kerktoren klom om te kijken of Hij er al aankwam. Volgens de dominee zouden we allemaal als dat kind moeten zijn.

    2. “De eindetijdverwachting is hét onderwerp van het NT en naarmate het in de loop der tijd uitbleef, verschoof deze verwachting, niet voor alle gelovigen overigens, uiteindelijk op naar het hiernamaals.” Duitse theologen hebben hiervoor het scrabblewoord Parousieverzögerung bedacht.

      “Paulus verwachtte ook vrij snel de komst van het nieuwe koninkrijk. Maar niet via de opstanding van de Zoon van God, maar via een algemene opstanding. ” Lijkt me een schijntegenstelling, want het zijn bij Paulus juist de schandalige, ongehoorde dood en opstanding van Jezus die maken dat niemand onherroepelijk aan de macht van de dood is overgeleverd. “Wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? … Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als eerste van de gestorvenen. Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt” (1 Kor 15).

      1. Willem Visser

        Joris, is het begrip ‘Parousieverzögerung’ te vergelijken met ‘the Rapture’ uit Evangelicale kringen in de USA.

        1. Eerder het tegenovergestelde, denk ik, Willem. Parousieverzögerung houdt in dat eindtijdverwachtingen in de loop van de eerste eeuw een zaak van de langere termijn worden. Anders gezegd, het besef dat je trein niet meer komt, tenminste niet in jouw levensdagen. Of zoals Reve zei: ‘Dat koninkrijk van U, wordt dat nog wat?’

          De ‘rapture’ (zie de serie The Leftovers) staat volgens haar evangelische aanhangers juist op het punt om te gebeuren.

          1. Willem Visser

            Joris, wat Reve schrijft doet mij denken aan dit gedicht:

            Een joodse man

            Een joodse man van het jaar nul,
            die amper drieëndertig jaren,
            gestorven is voor onze schuld
            toen wij nog Batavieren waren.

            Ja, sterker nog, die eenmaal dood
            en in een diepe rots geborgen
            zou zijn verrezen levensgroot
            met lijf en ziel een voorjaarsmorgen.

            Die was gezien, gehoord, betast,
            en toen ten hemel opgevaren
            waar Hij regeert in eeuwigheid.

            Die eens ons als een dief verrast
            wie weet na hoeveel duizend jaren,
            wie weet vannacht. Hij kent de tijd.

            II

            Wat is dat voor verhaal, die joodse man,
            miraculeus geboren uit een maagd,
            die onze schulden op zijn schouders draagt
            als balken van een kruis, alsof dat kan?

            En dan, waarom? dat impliceert een god
            die eerst ons schept en daarna ons verwijt
            dat wij maar mensen zijn, en met de dood
            ons straft, en dan weer niet, en dan ons lot
            en alles wat de arme wereld lijdt
            laat op de rug van een verdoemde jood.

            Jan Willem Schulte Nordholt

    3. Gert M. Knepper

      Wat u zegt is helemaal juist: In Rom. 1:4 staat bij ‘opstanding’ geen bezittelijk voornaamwoord en bij ‘doden’ geen voorzetsel. En ook ik denk dat ‘de opstanding van de doden’ hier een betere interpretatie en vertaling zou zijn. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met de oeroude opvatting dat met de opstanding van Jezus de ‘algemene’ opstanding in feite al was begonnen: beide opstandingen vormen één geheel. (Een spoor van diezelfde opvatting is nog te vinden in Mat. 27.52, waar onmiddellijk na Jezus dood allerhande vromen opstaan.)
      Maar u zou niet moeten suggereren dat “het schijnt dat er bewust een verkeerde vertaling is gegeven” (door wie dan?): dat is complotdenken. De interpretatie van de Willibrordvertaling (die ook die van de NBV is) is op z’n minst verdedigbaar, en de opvatting van Fredriksen (en u en mij) wordt niet algemeen aanvaard.

      1. Sara

        Als er in een tekst later iets toegevoegd c.q. veranderd wordt, dan kan ik niet anders aannemen dan dat men daar een bedoeling mee heeft gehad.. Die bedoeling is weliswaar onderwerp voor interpretatie, maar het feit van verandering blijft.
        Overigens, ‘complotdenken’ bestaat omdat er natuurlijk zaken bekokstoofd werden (en worden). Daar is de (kerk)geschiedenis vol van. Ook achter de samenstelling van de NT canon zat natuurlijk een bedoeling. Daar waren de concilies ook voor nodig – om een bepaalde opvatting vast te leggen. Over de politieke achtergronden daarbij maar even gezwegen.
        Het is natuurlijk iets anders overál iets achter te zoeken.

        1. Gert M. Knepper

          Er is helemaal niets “later toegevoegd of veranderd”. Dat er verschillende vertalingen bestaan is het logisch gevolg van het feit dat er nu eenmaal verschillende interpretaties mogelijk zijn. Zolang nog niet duidelijk is welk van beide interpretaties de juiste is, hebben ze beide bestaansrecht. Er is geen enkele reen om aan te nemen dat beide of één van beide interpretaties gebaseerd zijn op een andere “bedoeling” dan om de tekst recht te doen.

  3. Fried Deelen

    Handelingen, zei Henry J. Cadbury in 1927, is naar moderne maatstaven geen ‘geschiedenis’, maar die waren toen dan ook pas amper en eeuw oud (nu dus twee). Naar antieke normen echter kwam Lucas-Handelingen nog het dichtst bij geschiedenis in de buurt. Degenen die over Jezus of de apostelen verhaalden imiteerden geen literaire modellen, maar volgden de natuurlijke trend van de motieven en doeleinden die op hun materiaal van invloed waren. Dat betreft dan de volkse vorm (de eenvoud van het geloof in wonderen, het reisbericht in zijn karakteristieke eerste persoon, de rabbijnse verhaaltechniek met uitleg voor de heidenen, enz). Voor zover we zijn bronnen kennen noemt hij ze overeenkomstig de regel niet, gaat hij ermee om zoals Josephus dat met de zijne doet, en is het belang van ooggetuigen zeer groot. Redevoeringen worden gebruikt om het standpunt van de auteur weer te geven maar dat moet dan wel gebeuren op een manier dat het past bij het karakter en de gelegenheid. Handelingen bestrijkt een periode van zo’n dertig jaar, ca 33-64. De oudere delen (1-12) zijn gebaseerd op de overlevering maar voor het recentere materiaal (over Paulus) kon hij uit eigen ervaring putten enz.
    Het klinkt me overtuigend. De studie van Cadbury werd in 1999 nog herdrukt; er zitten enkele dingen tussen die verouderd zijn maar niet veel. De auteur wilde de gebeurtenissen verhalen die zich in zijn tijd voltrokken hadden, en dat op een betrouwbare manier.

    1. Ik denk dat je hiermee gelijk hebt. Ik wou dat ik de formulering

      “Degenen die over Jezus of de apostelen verhaalden imiteerden geen literaire modellen, maar volgden de natuurlijke trend van de motieven en doeleinden die op hun materiaal van invloed waren.”

      eerder had gekend.

  4. Fried Deelen

    Dat is typisch Cadbury. Blz 49 uit de editie van 1958, maar ik denk dat je het met wat steekwoorden als ‘imitating literary models’ makkelijker vindt.

Reacties zijn gesloten.