Albiobola, of: het Nachleben van een soepkapel

De stenen waarop “Albiobola” staat vermeld

In 1826 maakte de sloophamer een eind aan het “soeplokaal” van de stad Utrecht. In de volksmond heette het gebouwtje op het Domplein (waar inderdaad soep aan behoeftigen werd verstrekt) de “Soepkapel”. En met reden: het was in de tiende eeuw z’n leven begonnen als “Heilig-Kruiskapel”, later ook wel “Thomaskapel” genoemd, gebouwd van sloopmateriaal van een nog door Willibrord (ca. 700) gestichte kerk. De inmiddels bouwvallige kapel had al eeuwen geen religieuze functie meer en werd nu dus opgeruimd, samen met de brokstukken van het in 1674 ingestorte schip van de Domkerk. Op de plaats waar de laatste stenen van de Soepkapel uit de grond werden gehaald kwam een grote gedenksteen met “Hier stond de Kapel van St. Thomas”.

De “soepkapel” was het kleine, kruisvormige gebouwtje middenin op deze plaquette (Domplein, Utrecht)

Het Domplein als public transport hub

Zo’n tachtig jaar later was het Utrechtse openbaar vervoer in een stroomversnelling beland. Het gemeentelijke trambedrijf verving de paardentrams door electrische wagons en riep het Domplein uit tot public transport hub. Nieuwe rails waren nodig, en de gedenksteen lag in de weg. Geen nood: die kon best een stukje verplaatst.

Weer twintig jaar later wordt een ander gebouw op het Domplein afgebroken: het Nieuw Hollandsch Koffiehuis maakt in 1928 plaats voor een ontvangstgebouw van de Domtoren. Bij het leggen van de fundering komen Romeinse voorwerpen boven de grond. Hoe kwamen die daar? Waarschijnlijk afkomstig van castellum Fectio (Vechten, bij Bunnik). Want Utrecht zelf had toch geen Romeins verleden? Maar Gerard van Hoorn, lector archeologie aan de Utrechtse Universiteit, begint wel degelijk voorzichtig in die laatste mogelijkheid te geloven. Maar ja, om Romeinse aanwezigheid in het Utrechtse te bewijzen zal er wel eerst gegraven moeten worden.

Opgraving

Het zit mee. Eind 1929 moeten sowieso de tramrails op het Utrechtse Domplein verlegd worden. Bovendien realiseert de Vereniging Oud-Utrecht zich dat het inmiddels een eeuw geleden is dat de Heilig-Kruiskapel werd afgebroken. Sommigen menen zelfs inmiddels – weliswaar ten onrechte – dat die kapel niet pas in de tiende eeuw, maar al door Willibrord zelf was opgericht. Dat laatste geeft nog eens extra gewicht aan het verzoek van de vereniging aan B&W: kon niet gecheckt worden of de gedenksteen nog wel op de goede plaats lag? En zouden bovendien de contouren van de Heilig-Kruiskapel niet in de bestrating zichtbaar kunnen worden gemaakt?

In november 1929 begint de opgraving. Al gauw worden de fundamenten van de kapel blootgelegd. De gedenksteen blijkt er nog steeds redelijk recht boven te liggen. Van Hoorn dringt aan op dieper graven, en na een paar weken is de kuil vijf meter diep.

Op 17 december stuiten de gravers op twee tufstenen middeleeuwse grafkisten, boven elkaar. Ze zijn gemaakt van ten dele gerecycled materiaal, want de voorkant van de bovenste grafkist is van niet van tuf- maar van zandsteen, evenals het deksel van de onderste. Bovendien: op beide stukken zandsteen staan tekens gegrift. Of zijn het letters? Vlakbij worden nog eens drie kleine stukken zandsteen gevonden, beschreven met soortgelijke tekens. Onleesbaar, dat wel.

Wilhelm Vollgraff

Hoe nu verder? In Utrecht werkt en woont een deskundige met enige faam op het gebied van ontcijferingen. Hij heet Wilhelm Vollgraff en is hoogleraar Oudgriekse taal- en letterkunde aan de plaatselijke universiteit. Al in 1917 had hij het schrijfplankje van Tolsum ontcijferd, de oudst bewaarde geschreven tekst van Nederland (Tolsum ligt tussen Tzum en Lollum). Vollgraff las de Latijnse tekst van het wastafeltje als een koopakte uit het jaar 116 na Chr. bij de aanschaf van een koe. Bovendien had hij meermalen de voorpagina’s van alle kranten gehaald door zijn opgravingen en vondsten in het Griekse Argos. Kortom: hij was bij uitstek gekwalificeerd om de geheimzinnige puzzel van het Domplein op te lossen.

Vollgraff verklaart zich bereid de stenen te bestuderen en geeft opdracht ze naar zijn woning over te brengen. In januari 1930 vertelt hij in een interview dat hij de stenen eerst grondig heeft moeten reinigen, om daarna tot de conclusie te komen dat de geheimzinnige tekens een Latijnse tekst verborgen houden. Voor hem als classicus kent het Latijn uiteraard geen problemen, maar niettemin is hij toch

met de ontcijfering nog maar weinig opgeschoten omdat van elke regel slechts een klein stukje aanwezig is en de rest ontbreekt.

Wel is volgens hem al duidelijk dat de stenen uit de derde eeuw na Chr. moeten dateren. Daarom gaat hij zich nu eerst in die periode verdiepen

om op deze wijze een basis te vormen voor verder onderzoek.

En wat zou het geweldig zijn als de stenen

de naam van Utrecht zouden vermelden zoals het toendertijd heette. Maar tot nu toe heb ik die niet kunnen vinden.

Dan wordt het een paar maanden stil rond de stenen van het Domplein. Maar op 12 mei 1930 treedt Vollgraff triomfantelijk naar buiten met een lezing voor de Koninklijke Akademie van Wetenschappen. Hij heeft de klus geklaard.

Albiobola

Gemakkelijk was het niet, door de eindeloos veel tot dan toe onbekende ligaturen (twee of meer letters die tot één nieuw teken zijn verbonden), monogrammen (symbolen, samengesteld uit meerdere letters ter aanduiding van een naam) en afkortingen. Bovendien heeft de steenhouwer de onhebbelijkheid om groepen van bij elkaar horende letters te verbinden door een streep er dwars door heen te trekken. Kortom: voor een leek is daar geen chocola van te maken.

Maar voor Vollgraff wel: het zijn wij-inscripties ter ere van verschillende goden. Die tot dan toe onbekende goden dragen exotische namen als Borvoboendoa, Baldruus, Lobbonus, Vabusoa en Cobba. In één klap hebben we er zo een flinke hoeveelheid Germaanse goden bij. Nóg belangrijker zijn de naam van de opdrachtgevers van de inscripties, de verantwoordelijken voor de wijdingen. Dat zijn niet alleen twee cohorten van het Romeinse leger, maar ook de Albiobola Bataborum colonia, de Bataafse nederzetting “Albiobola”.

Albiobola! Meer dan twintig keer vindt Vollgraff deze naam op de stenen. Er is geen twijfel mogelijk: de inscripties

leveren het onwedersprekelijk bewijs, dat er op en in den omtrek van het Domplein te Utrecht eene nederzetting lag, die den naam colonia Albiobola Batavorum voerde.

Daarmee is de tot dan toe onbekende oudste naam van Utrecht ontdekt. En de Latijnse naam Traiectum dan, zoals Utrecht in een Romeinse reisgids uit de vierde  eeuw heet? Geen probleem, weet Vollgraff, Traiectum zal in de derde eeuw zijn ontstaan op de linkeroever van de Rijnarm, terwijl Albiobola een oudere, oorspronkelijk Germaanse nederzetting moet zijn geweest op de rechteroever.

De kritiek van Alexander Byvanck

De ontdekking door een Utrechter van de oudste naam van Utrecht werd uitbundig gevierd, met name in Utrecht. Dankzij het “vernuft van professor Vollgraff” was het “zeer bijzondere schrift” ontcijfert, schreef het Utrechtsch Nieuwsblad. Tegenstemmen werden niet gehoord. Nu ja, behalve het zure geluid van de Leidse hoogleraar Alexander Byvanck dan. Volgens hem had Vollgraff zich gewoon vergist. Een voor anderen onleesbare inscriptie met onbekende ligaturen, monogrammen en afkortingen, onbekende goden, een onbekende plaatsnaam: volgens Byvanck was dat gewoon te veel van het goede. Maar Leiden was natuurlijk gewoon jaloers, zoveel was in Utrecht wel duidelijk.

Anno 2024 zijn de ligaturen, monogrammen en afkortingen die Vollgraff zag nog steeds uniek. De unieke Latijnse terminologie die hij ontcijferde is nog steeds precies dát: uniek. De Germaanse goden Borvoboendoa, Baldruus, Lobbonus, Vabusoa en Cobba zijn nog steeds nergens anders opgedoken. En de naam Albiobola blijft ook nu nog beperkt tot de stenen van het Domplein. Meer nog: er is reden om aan te nemen dat een oorspronkelijke inscriptie later met opzet onzichtbaar gemaakt is door hem te voorzien van allerhande krassen en krullen, misschien ook door het toevoegen van letters. En is die oorspronkelijke inscriptie eigenlijk wel Romeins? Al met al is Vollgraffs interpretatie een eeuw later een stille dood gestorven, al zeggen we dat in Utrecht liever nog niet hardop. Maar wat staat er dan wel?

Ik mocht de Albiobola-stenen onlangs bekijken. Ze liggen op twee pallets in een Utrechts depot, naast de restanten van een neergestort Duits vliegtuig uit de Tweede Wereldoorlog. Ik heb ze stiekem even aangeraakt. En gedacht: iemand, het liefst een Utrechter, zou ze eens mee naar huis moeten nemen. Om te kijken wat er staat.

[Een gastbijdrage van Gert Knepper, die werkt aan een biografie van Vollgraff. Bedankt Gert!]


Oorlog in Nijmegen (1)

februari 21, 2019

1948 (1)

april 24, 2013
Deel dit:

7 gedachtes over “Albiobola, of: het Nachleben van een soepkapel

  1. A. den Teuling

    Is er geen foto van te maken met strijklicht? Dan kunnen we er met zijn allen op los gaan. Met wat AI of zo haal je de krullen eraf, en dan kijken wat er over blijft. Volgraff’s interpretatie van Tolsum’s schrijfplankje is zoals bekend ook achterhaald.

  2. Gert M. Knepper

    Dat artikel van Moed deugt methodisch wel, maar er is verder nogal wat op aan te merken. Moed (hij is niet meer onder ons) was geen wetenschapper; dat geeft niet, maar je kunt het merken.

  3. Robbert

    Leuk!
    En ik ben ook geen wetenschapper, dat kun je wel merken aan mijn simplistische opvatting: een mens ziet wat ie wil zien.

  4. A. den Teuling

    De Russische website is natuurlijk exotisch, maar de link ging wel degelijk naar een Nederlands verhaal, dat, na lezing van het artikel uit de link van Robert Vermaat, 10 jaar ouder is en kwalitatief inderdaad minder.

Reacties zijn gesloten.