De Inka’s (1): Intipchurin en Runa

Over de Inka’s zijn in het Nederlands niet zo heel veel boeken verschenen en dat is jammer, want deze beschaving is zeker zo interessant als die van de oude wereld. Misschien komt het door de afstand of doordat de Spanjaarden het gebied eeuwenlang overheerst hebben. Reisjournalist Wim Kamerbeek is in het gat gesprongen. Hij publiceerde onder andere voor reisblad Columbus en schreef ook al een geschiedenis van Zuid Amerika getiteld Ploegen van de zee (gebaseerd op een uitspraak van Simón Bolívar over revoluties). In Atahuallpa’s vergissing gaat het over het Inkarijk. Wat nu volgt is een bespreking van het boek aangevuld met wat persoonlijke observaties.

Geografie

De geografie van Zuid-Amerika wordt natuurlijk bepaald door de Andes, die enorme bergketen met toppen tot zesduizend meter hoog die zich van noord naar zuid uitstrekt over het continent en zo de regenwolken die opdoemen vanuit het tropisch laagland tegenhoudt, zodat het kustgebied ten westen van de Andes droog blijft (de droogste woestijn ter wereld is niet de Sahara maar de Atacama in Chili) en de regen die valt geen andere keus heeft dan de oostelijke wanden van de Andes af te stromen en zo beekjes en rivieren te vormen die uiteindelijk allemaal uitmonden in de reusachtige Amazone die al dat water duizenden kilometers verderop de Atlantische Oceaan in pompt en onderweg het grootste tropische regenwoud ter wereld creëert.

Een dorre kustvlakte, een hooggebergte en een tropisch oerwoud; niet echt een gebied waar beschavingen zouden opbloeien, maar toch is het gebeurd. De Nazca (van die lijnen), de Moche en de Chimú wisten de weinige riviertjes in het kustgebied te irrigeren. En doordat de bergen in de tropen liggen kan het er goed toeven zijn op hoogten die in de Alpen onleefbaar zouden zijn en is er dus landbouw mogelijk.

De Andes is wel omschreven als een verticale archipel: de vruchtbare gebieden liggen als eilandjes tussen de bergtoppen in. De bewoners werden meesters in het zo efficiënt mogelijk benutten van de schaarse grond; ze wisten precies wat ze op welke hoogte konden verbouwen. Het schrift hebben ze echter nooit ontwikkeld, behalve dan in de vorm van quipu’s, wollen draadjes met knopen erin die een bepaalde betekenis hadden die we nu niet meer kunnen achterhalen, maar waar in ieder geval geen teksten mee konden worden geschreven, zodat de onderzoeker van de geschiedenis van het inheemse Zuid Amerika nog minder gegevens tot z’n beschikking heeft dan de oudheidkundige.

Een quipu (Wereldmuseum, Leiden)

De Inka’s

In ieder geval begon er in de dertiende, veertiende eeuw in het gebied rondom het Titicacameer een klasse van heersers te ontstaan die de Inka’s worden genoemd. En dan is dit een goed moment om te vermelden dat de Inka de titel was van de vorst en niet de naam van het volk. Het is een beetje alsof je de Romeinen aanduidt als de Caesars. Uit het boek van Kamerbeek:

De oorspronkelijke Inka’s hadden een paar benamingen voor zichzelf. Zo noemden ze zich Runa, simpelweg het Volk.

Dat is iets wat vaker voorkomt bij Indianenvolkeren: als je de naam die ze zichzelf gaven vertaalt, betekent het vaak gewoon “de mensen”.

Ook Intipchurin, afstammelingen van de zon, is een naam die de Inka’s zichzelf soms gaven. Inti betekent “zon” in de het Quechua, de taal van de Inka’s. Hoe dan ook is de naam Inka’s zo ingeburgerd dat we die maar blijven gebruiken.

[Deze gastbijdrage van Frans Buijs wordt zo meteen vervolgd.]

Deel dit: