Kreupelhout in de Koran

Op vier plaatsen komt in de Koran het Arabische woord ’ayka voor. Dat is geen moeilijk woord: het betekent “bosje van kreupelhout”. Die “mensen van het kreupelbos” zijn wél eigenaardig.

  • Ook de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) waren onrechtplegers, en Wij namen ook wraak op hen.noot Koran 15:78-9; vert. F. Leemhuis.
  • De mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ) betichtten de gezondenen van leugens.noot Koran 26:176.
  • En de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ,); dat waren de partijen.noot Koran 38:13.
  • En de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) en het volk van Toebba‘, allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid.noot Koran 50:14.

Bij nadere beschouwing blijkt er echter twee maal al-’ayka te staan, waarbij al- het lidwoord is, en tweemaal een raar gespeld l’ayka, terwijl het toch op alle vier plaatsen op hetzelfde betrekking heeft.

Lees verder “Kreupelhout in de Koran”

Albiobola, of: het Nachleben van een soepkapel

De stenen waarop “Albiobola” staat vermeld

In 1826 maakte de sloophamer een eind aan het “soeplokaal” van de stad Utrecht. In de volksmond heette het gebouwtje op het Domplein (waar inderdaad soep aan behoeftigen werd verstrekt) de “Soepkapel”. En met reden: het was in de tiende eeuw z’n leven begonnen als “Heilig-Kruiskapel”, later ook wel “Thomaskapel” genoemd, gebouwd van sloopmateriaal van een nog door Willibrord (ca. 700) gestichte kerk. De inmiddels bouwvallige kapel had al eeuwen geen religieuze functie meer en werd nu dus opgeruimd, samen met de brokstukken van het in 1674 ingestorte schip van de Domkerk. Op de plaats waar de laatste stenen van de Soepkapel uit de grond werden gehaald kwam een grote gedenksteen met “Hier stond de Kapel van St. Thomas”.

Lees verder “Albiobola, of: het Nachleben van een soepkapel”

Meer plaatsnamen in het Gallisch

De Isère

Zoals trouwe lezers weten, blog ik weleens over woorden uit het Gallisch. Dat is weliswaar een dode taal, maar taalkundigen weten wel het een en ander. Zo blogde ik over de manier van reconstructie van het Gallisch, over kledingstukken, over enkele plaatsnamen, over boerderijwoorden, over militaire termen en nog wat andere woorden. Vandaag nog maar eens wat plaatsnamen.

Stammen

Eerst een stam bij uit ons uit de buurt: de Eburonen. U weet wel, de groep die onder leiding van Ambiorix (Gallisch: “koning van de hele wereld”) het Veertiende Legioen vernietigde en later door de Romeinen werd vernietigd. Eburos betekent “taxus” en is heel normaal in antieke plaatsnamen: zo zijn er steden die Eburodunum heetten, zoals Embrun in de West-Alpen, Yverdon in Zwitserland en Brno in Tsjechië. Het Engelse York heette ooit Eburacum en zo kunnen we nog wel even doorgaan. De Eburonen waren dus de taxusmensen.

Lees verder “Meer plaatsnamen in het Gallisch”

Het Pre-Grieks

“Saura”, “hagedis”, is een Pre-Grieks woord.

Omstreeks 2000 v.Chr. moeten Griekssprekende mensen vanuit het noorden het gebied van het huidige Griekenland zijn binnengetrokken. Daar valt natuurlijk veel over te vertellen (hoe kun je bijvoorbeeld je uit archeologische vondsten afleiden wat voor taal de dragers van de betreffende cultuur spraken?) – maar dat valt buiten het onderwerp van vandaag. Waar het nu om gaat is dat we die Griekssprekende mensen voor het gemak ‘Proto-Grieken’, d.w.z. ‘eerste Grieken’ noemen, en hun taal ‘Proto-Grieks’.

Dat Proto-Grieks had zich ontwikkeld uit het Proto-Indo-Europees, een taal (en allengs een verzameling dialecten) die in het vierde en derde millennium v.Chr. gesproken moet zijn in het Pontisch-Kaspische steppegebied van Oekraïne en Zuid-Rusland. Na hun aankomst in Griekenland hebben de Proto-Grieken zich in de daaropvolgende eeuwen verspreid over Griekenland en de kust van Klein-Azië. Ten gevolge van die verspreiding viel het Proto-Grieks in dialecten uiteen.

Lees verder “Het Pre-Grieks”

Plaatsnamen in het Gallisch

Cernunnos, reliëf uit Lutetia (Musée de Cluny, Parijs)

Zoals u misschien herinnert, heb ik een tijdje geleden het Dictionnaire de la langue gauloise van Xavier Delamarre aangeschaft en ben ik daarmee aan de gang gegaan (een, twee en een stukje over Gallische kledingstukken). Vandaag maar eens iets over plaatsnamen in het Gallisch. En dan beginnen we met de beroemdste van allemaal: Alesia.

Alesia

De eigenlijke naam is terug te vinden op twee ter plaatse opgegraven inscripties: in Alisiia en in Alixie. Maar wat wordt door deze spellingen weergegeven? In het eerste woord staat /ii/ en dat is niet alleen een dubbele /i/, maar ook een schrijfwijze voor een lange /i/ en de /e/. Er zijn dus drie opties:

  • Alisiïa met een herhaalde klinker,
  • Alisīa, als we denken dat de dubbele i een lange klinker weergaf,
  • Alesia, zoals de Romeinen het weergaven.

De spelling Alixie doet vermoeden dat het zal gaan om een herhaalde klinker. Het verschil tussen /s/ en /x/ is verwaarloosbaar, denk maar aan het Waddeneiland dat Tessel heet maar hardnekkig Texel spelt.

Lees verder “Plaatsnamen in het Gallisch”

Namen, namen, namen

Detail van een monument in Nikopolis aan de Donau

Onlangs blogde ik over Maës Titianus en ik opperde in een naschrift dat de Romeins-ogende naam wel eens feitelijk de weergave kon zijn van de Aramese naam Tattanay. Ook schreef ik dat hij afkomstig kon zijn uit de landstreek Mygdonië, in noordelijk Mesopotamië.

Griekse dubbelgangers

Verwarring! Iemand wees me erop dat Mygdonië in noordelijk Griekenland lag. En dat is waar. Maar het is niet de volledige waarheid. Er zijn namelijk twee Mygdoniës: het oorspronkelijke lag in Macedonië, zeg maar rond het huidige Thessaloniki, terwijl een tweede Mygdonië lag rond Nisibis. De verklaring is dat Macedonische en Griekse soldaten uit het leger van Alexander de Grote zijn gedemobiliseerd in Mesopotamië en hun nieuwe verblijfplaatsen begonnen te vernoemen naar landstreken in hun vaderland. Latere generaties huurlingen deden hetzelfde en zo vermenigvuldigden de namen zich.

Lees verder “Namen, namen, namen”

Het ros Beiaard (3)

De vier heemskinderen op het ros Beiaard: de rotspartij in Bogny-sur-Meuse (© Mireille Grumberg)

[Derde van vier door Dieter Verhofstadt geschreven stukken over de legende van het Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen. Het eerste deel was hier.]

De Dendermondenaren hebben de legende niet alleen gerecupereerd maar uitvergroot tot een weerkerend spektakel dat vandaag de identiteit van de stad en haar inwoners uitmaakt. Dendermonde IS de Ros Beiaardstad. Het is dus moeilijk, zeker voor een Dendermondenaar, te aanvaarden dat het eigenlijk gaat om een wijde Europese traditie met wortels in Frankrijk, met name de Maasvallei en de Ardennen. Er valt echter niet aan te ontkomen als men die streek verkent.

Bogny-sur-Meuse

Het meest tot de verbeelding sprekende landschapskenmerk zijn de vier heuveltoppen op een rij in Bogny-sur-Meuse, iets ten noorden van Charleville-Mézières. Of die heuveltoppen de inspiratie hebben gevormd voor de legende is niet geweten, noch zijn de vier broers in enige variant versteend. Op die heuvelrij staat niettemin een standbeeld van het Ros Beiaard en de Vier Heemskinderen, met een folkloristische wandeling waar de mythe wordt naverteld. Op diezelfde plek bevinden zich de ruïnes van het kasteel Regnault, dat historisch gezien eigendom was van Hughes van Réthel, maar dat een evidente kandidaat is voor het mythische kasteel Montessor. De wijk beneden de ruïnes heet overigens Château-Regnault. Aan de overkant van de Maas ligt de site l’Ermitage, waar Malegijs zijn laatste jaren zou hebben doorgebracht als kluizenaar. Niet ver daar vandaan vindt men nog ruïnes, die van het kasteel van Waridon. De naam is hier opvallend gelijkend met “Oridon”, een Ardens kasteel dat vaak voorkomt in Middeleeuwse gedichten. Dit zou een andere inspiratie kunnen geweest zijn voor Montessor.

Lees verder “Het ros Beiaard (3)”

Bestormde Hannibal La Mure?

La Mure

Zoals ik in een eerder stukje al schreef, heb ik de coronacrisis gebruikt om twee boeken over Karthago te schrijven. De vergeten oorlog gaat over de Eerste Punische Oorlog (264-241 v.Chr.) en verschijnt in maart. De presentatie van Hannibal in de Alpen is op woensdagmiddag 19 januari. Het boek gaat over de onmogelijkheid vast te stellen waar de Karthaagse generaal met z’n olifanten de Alpen is overgestoken. Ik benut die vraag om te tonen hoe veelkleurig mijn vak is.

In het eerste filmpje legde ik uit dat onze reconstructie van Hannibals krijgsplan afhankelijk is van de plek waar hij de Rhône overstak en in het tweede filmpje had ik het over het lokaliseren van antieke stammen. In het derde filmpje sta ik in op de heuvel voor het kasteel van La Mure en bespreek ik de vraag of het IJzertijdfort ook het fort was dat door Hannibals manschappen stormenderhand is ingenomen.

Lees verder “Bestormde Hannibal La Mure?”

Het Numidisch en het Proto-Berber

Numidische ruiter (Musée national des antiquités, Algiers)

Een ruim jaar geleden – het was ten tijde van de verkiezingen – reisde ik door Algerije en korte tijd daarna door Tunesië. Je loopt er van de ene naar de andere Romeinse stad; er zijn er uit de Maghreb ongeveer 500 bij naam bekend, wat aanzienlijk meer is dan de 60 uit Gallië. Dit was een van de verstedelijkste gebieden uit de oude wereld.

T-steden

Op een gegeven moment viel me op dat ontzettend veel plaatsnamen, zowel antieke als moderne, beginnen met een t-klank. Systeem kon ik er niet in ontdekken. Het kon gaan om een havenstad als Tipasa, om een heuvelfort als Tiddis en om een bronnenheiligdom als Thubursicum, maar ook om steden als Thysdrus, Tebessa, Thuburbo Maius, Thagaste en Thamugadi. De /t/ lijkt wel universeel te zijn.

Lees verder “Het Numidisch en het Proto-Berber”

Historische taalkunde

Je kunt niet alles leren, maar mag wel betreuren dat je opleiding zó kort was dat je cruciale dingen niet hebt meegekregen. Aan AristotelesOrganon, vermoedelijk de grootste filosofische prestatie uit de Oudheid, is tijdens mijn studie geen woord besteed, noch bij de colleges geschiedenis, noch bij filosofie. Ook over oudgermanistiek, d.w.z. de bestudering van de antieke en vroegmiddeleeuwse fase van de Germaanse talen, heb ik weinig gehoord. Ik denk eigenlijk: niets. Terwijl het vak toch niet zonder belang is. Onze taal is immers een mooi stuk antiek erfgoed en kennis daarvan is zeker voor oudheidkundigen die zich met Nederland en Vlaanderen bezighouden, niet bepaald betekenisloos.

Om mijn kennislacune te vullen las ik Lo, donk, horst van Jozef van Loon, emeritus hoogleraar in Antwerpen. Simpel samengevat toont hij aan dat het woord lo in de Late Oudheid en Vroege Middeleeuwen verwees naar een cultuurbos, terwijl donk en horst het Frankische en het Saksische woord waren voor versterkingen in moerassige gebieden. Toen ik onlangs vanuit Vught door het Bossche Broek fietste naar Oeteldonk, begreep ik het meteen.

Lees verder “Historische taalkunde”