
Als er journalistieke aandacht is voor de Oudheid, gaat het meestal over archeologische vondsten, die nogal stereotiep worden gebracht (“schat”, “mysterie”). Verder zijn er altijd weer slecht onderbouwde parallellen tussen toen en nu (West-Europa wacht al twee eeuwen het veronderstelde lot van het Romeinse Rijk). Met de rubriek “zes vragen” wil ik de aandacht terugleggen bij het eigenlijke wetenschappelijke proces. Als lezers weten wat onderzoekers doen, begrijpen ze immers beter wat er op het spel staat en herwint de oudheidkunde draagvlak.
Als tweede laat ik archeoloog Wil Kuijpers aan het woord, die zich bezighoudt met Romeinse baggervondsten uit het Nederlandse rivierengebied. Daarbij staat de vraag centraal in hoeverre zulk materiaalonderzoek kan bijdragen aan de reconstructie van verdwenen Romeinse nederzettingen. Hij combineert vondstanalyses met landschappelijk onderzoek, historische bronnen en vergelijkingen met andere vindplaatsen langs de limes.
***
Wat bestudeert u?
Als burgeronderzoeker onderzoek ik archeologische vondsten uit onderspoelde Romeinse vindplaatsen in het Gelderse rivierengebied. Mijn bevindingen deel ik via publicaties en lezingen.
Wat doet u nou concreet?
Vier à vijf keer per week breng ik anderhalf tot twee uur door op een baggerbedrijf om vooral Romeinse vondsten te verzamelen op storthopen en in het grind. Daarna begint het echte werk, vooral in de ochtenden: schoonmaken, determineren, dateren, fotograferen, vergelijken en uiteindelijk de resultaten publiceren.
Wat is de voornaamste hindernis bij uw onderzoek?
Bij baggervondsten is de grootste uitdaging dat de oorspronkelijke context verdwenen is. Er zijn geen funderingen, paalkuilen of andere grondsporen meer. Eigenlijk moet je dus uit de vondsten zelf zien af te leiden wat er ooit heeft gestaan. Dat maakt dit onderzoek soms lastig, maar tegelijk ook interessant. Er zijn feitelijk twee onderzoeksrichtingen: een materiaalstudie én een onderzoek hoe de vindplaats lag in het landschap en welke rol deze plek speelde binnen het Romeinse militaire en logistieke netwerk langs de Neder-Rijn.
Tijdens de winning van zand en grind gaat veel materiaal verloren. Daarom geldt voor baggerlocaties: hoe meer vondsten je hebt, hoe beter. De kwaliteit van een individuele vondst vind ik minder belangrijk. Ook een klein of beschadigd fragment kan net dat puzzelstukje zijn dat je nodig hebt. Dat er af en toe voorwerpen in museumkwaliteit boven water komen – wat bij baggerlocaties regelmatig gebeurt – is natuurlijk goed voor de moraal.
Voor het onderzoek van baggerlocaties bestonden eigenlijk nauwelijks geschikte onderzoeksmethoden. Daarom heb ik zelf enkele hulpmiddelen ontwikkeld. Zo gebruik ik een unipolaire zevenpunts-Likertschaal om aan te geven hoe zeker een interpretatie is. Hierdoor wordt zichtbaar hoe zeker – of onzeker – een archeologische duiding werkelijk is. Daarnaast gebruik ik bewoningsgrafieken om de ontwikkeling van een vindplaats door de tijd zichtbaar te maken. De dateringscurve van een vindplaats wordt daarbij vergeleken met grafieken van vergelijkbare locaties. Op die manier kunnen pieken in bewoning, gebruik en activiteit met elkaar worden vergeleken.

Ook heb ik de vondstcategorie ‘rivier-gerelateerde vondsten’ geïntroduceerd. Hieronder vallen objecten die direct samenhangen met activiteiten op en langs de rivier, zoals visloden, netgewichten, bootshaken en vishaken. Deze vondstcategorie biedt niet alleen inzicht in activiteiten als scheepvaart, visserij en overslag, maar kan ook aanwijzingen geven over de loop, bevaarbaarheid en het gebruik van de rivier.
Wat betreft de interpretatie staan we er tegenwoordig iets beter voor dan vroeger. Ik herinner me nog de ontoegankelijkheid van universiteitsbibliotheken en de immer aanwezige betaalmuren. Maar dankzij Portable Antiquities of the Netherlands (PAN) en de referentiecollecties kunnen veel vondsten redelijk betrouwbaar worden gedateerd en op naam worden gebracht. Daar heb ik veel baat bij, net als de geweldige hulp van veel archeologen. Wel kost het onderzoek op internet vaak toch meer tijd dan gepland. Soms word ik zo door de materie ingezogen dat ik mezelf een paar uur later afvraag: waar was ik eigenlijk naar op zoek?
Een andere hindernis zijn bestaande denkbeelden. Een vindplaats wordt al snel een wachttoren of een mini-castellum genoemd. Maar als je kijkt naar de opgravingsgegevens, leveren wachttorens meestal maar weinig metaalvondsten op en laten ze zich op baggerlocaties in feite niet aantonen. Ook mini-castella zijn langs de Neder-Rijn nauwelijks met zekerheid aangetoond. Ik probeer daarom zo min mogelijk vanuit bestaande ideeën te redeneren. Eerst de vondsten, daarna pas de interpretatie.
Hoe vergroot dit welk inzicht?
Ik hoop vooral te laten zien dat baggervondsten veel geschikter zijn voor archeologisch onderzoek dan vaak wordt gedacht. Ze worden soms gezien als losse vondsten zonder archeologische context, maar als je ze systematisch bestudeert, kunnen ze verrassend veel vertellen over de geschiedenis van een vindplaats.
De studie naar Heteren-Steenoord vind ik daarvan een mooi voorbeeld. Het aantal vondsten was klein maar vrijwel alle vondstcategorieën die je bij een Romeinse nederzetting mag verwachten, zijn vertegenwoordigd. Daarbij is ook binnen de vondstcategorieën zelf een variatie te zien die past bij wat men in een dergelijke setting zou kunnen aantreffen. Ook de dateringsgrafiek komt exact overeen met de als castellum geïnterpreteerde vindplaats Duiven-Loowaard. Samen met de ligging bij een oversteekplaats leverde dat een veel completer beeld op van de functie (castellum?) en de ontwikkeling (aanvang 40 na Chr.?) van de locatie dan je op grond van slechts 110 afzonderlijke vondsten zou verwachten.

Daarnaast probeer ik te laten zien dat Romeinse militaire vindplaatsen zoals Heteren-Steenoord langs de Gelderse Neder-Rijn niet op zichzelf stonden. Als je de afstanden en de ligging naast elkaar zet, lijkt er een patroon zichtbaar van locaties op ongeveer tien kilometer van elkaar. Dat is geen bewijs op zichzelf, maar wel een hulpmiddel om bestaande ideeën opnieuw tegen het licht te houden en nieuwe vragen te stellen.
Misschien is dat wel de belangrijkste opbrengst van mijn onderzoek: niet zozeer het geven van definitieve antwoorden, maar laten zien dat baggerlocaties een veel grotere bijdrage kunnen leveren aan de kennis van de Romeinse tijd dan tot nu toe vaak werd aangenomen.
Welk boek over uw onderwerp zou eigenlijk iedereen moeten lezen?
Voor onderzoek naar baggerlocaties zijn, voor zover ik weet, nog geen boeken geschreven. Anders had ik ze zeker gelezen. De dikke pil van Robert Nouwen, Rome en de Lage Landen, vind ik wel een aanrader.
Is er iets dat u zelf nog kwijt wil?
Bij de laatste vraag werd geadviseerd iets positiefs te noemen. Dat is eenvoudig. Ik ben als vrijwilliger een commitment aangegaan met een Romeinse vindplaats voor minstens zeven jaar. Dat betekent dat ik bijna dagelijks even moet uitwaaien, een paar kilometer loop en tegelijkertijd onderzoek doe. Die combinatie van beweging, buiten zijn en het bijdragen aan onze kennis van het Nederlandse verleden bevalt mij uitstekend.
Ik had natuurlijk ook een hond kunnen nemen. Dan ga je eveneens een langdurig commitment aan waarbij je ook een paar uur per dag eruit moet, een frisse neus haalt en de benen strekt. Maar eerlijk gezegd sprak de verplichting om iedere avond – weer of geen weer – met de hond naar buiten te gaan mij minder aan dan een dagelijks bezoek aan een Romeinse vindplaats. Mijn ‘huisdier’ is dus een archeologische vindplaats geworden. Die hoeft niet gevoerd te worden, blaft nooit en graaft hooguit af en toe iets interessants voor mij op.
***
Wil Kuijpers onderzoekt Romeinse vindplaatsen in het Gelderse rivierengebied. Op vrijdag 25 september presenteert hij in het Valkhof Museum in Nijmegen zijn boek Het Romeinse castellum Spijk-Rindern Een materiaalstudie en interpretatie van baggervondsten uit Spijk.
Zelfde tijdvak
The Odyssey, een recensie (1b)juli 31, 2026
Wat is er mis bij het INT?mei 12, 2026
De werken van Herakles (slot)februari 5, 2026

Altijd weer een feest als deze sympathieke kerel erbij is op een Livius groepsreis. Op 25 september ben ik zeker bij de presentatie. Ik weet alleen nog niet hoe laat het plaatsvindt.
Mooi dat deze ‘burgeronderzoeker’ (ook wel de ogen en oren van de professionele archeoloog genoemd) zo gepassioneerd is. Ik moest gelijk denken aan een reis met studenten archeologie (ik was ‘slechts’ bijvakstudent) naar Sicilië, zo rond 1980. We zwierven twee weken over dat schitterende eiland in de maand april, toen letterlijk alles in bloei stond en funderingsmuren vanwege die bloemenpracht soms moeilijk te vinden en te zien waren. Op een dag kwamen we in Morgantina, centraal-Sicilië, waar nog druk gegraven werd. Zowel door professionals als door -helaas- ‘clandestini’. Ik schopte op een weggetje tegen een forse steenbrok aan, die gelijk omklapte. In de roodachtige klei waren wat vreemde vormen te zien, en ’s avonds ben ik in ons hotel met mijn tandenborstel en water uit de kraan die steenbrok te lijf gegaan. Al gauw kwamen er een oog, slangen en haren tevoorschijn: een (deel van een) Gorgo-kop! Misschien een antefix?? Ik heb dit stuk toen maar meegenomen naar Groningen, en waarschijnlijk is het in de collectie van het klassiek-archeologisch instituut beland. Jammer dat ik er geen foto van gemaakt heb…