
Er zijn allerlei afbeeldingen van Fenicische schepen en er zijn ook teksten over die schepen. Die teksten kunnen in het Fenicisch zijn, maar ook in andere talen. En er zijn ook wrakken. Dat zijn drie soorten documentatie van dezelfde werkelijkheid. Als je in de taal onderscheid maakt, zou je verwachten dat je ook verschillende soorten scheepswrakken vindt en dat er afbeeldingen zijn van de scheepstypen. Alleen, het wil maar niet lukken perfecte overeenkomsten te vinden.
Een deel van de verklaring is natuurlijk dat onderwaterarcheologen niet zo heel erg veel Fenicische wrakken hebben gevonden. Dat komt mede doordat onderzoek lastig is. De Feniciërs staken meteen in zee naar Cyprus, Kreta, Malta en verder. Als de schepen vergingen, liggen de wrakken niet voor de kust maar in de diepe zee. Dat bemoeilijkt het onderzoek. (We weten dit overigens al heel lang en dat onlangs als nieuw inzicht werd gepresenteerd dat de antieke zeevaarders de volle zee bevoeren, is een zelfs voor archeologische begrippen opvallende onwaarheid.) Los daarvan is wat een wrak heet, soms weinig meer dan de lading. Dan is het hout vergaan. En als er toch hout is, is lang niet altijd goed te reconstrueren hoe het schip eruit zag. Al zijn er natuurlijk ook voorbeelden van goed bewaarde houten frames.
Maar goed: taal, scheepvaartarcheologie en iconografie documenteren dus dezelfde scheepstypen. Het Fenicisch, dat geen klinkers noteert, kende verschillende woorden voor verschillende typen.
Om te beginnen was er de krkrh, dat moet worden gevocaliseerd als kirkarah. De Grieken noemden het kerkouros. Dit was een vrachtschip voor bulkladingen zoals graan. Hier is geen probleem. Daarnaast waren er de kmrj, de krsj en de krr, “kikker”. Het eerste woord lijkt naar een soort kotter te verwijzen, het tweede naar een soort kano en het derde is een mysterie. Tot slot is er de br. Dat is een groot, zeewaardig vrachtschip. Het woord betekent gewoon vis.
Waarmee vallen deze schepen te identificeren? Alleen de krkrh is probleemloos. De br kan corresponderen met het schip dat in het Egyptisch een kbnt heette, een “Byblosschip”. Dat is een groot zeilschip met roeiers. Zie boven. Het kan echter ook gaan om het schip dat in Babylonische teksten sapinatu heet. Zie hieronder.

Aan de achterplecht herkent u de twee roeren. Er zijn roeiers op het onderdek, maar ook op het bovendek konden roeiers plaats nemen. Op afbeeldingen als deze zitten per dek aan één zijde negen roeiers, dus minimaal achttien en maximaal zesendertig. Dit type werd later langer en kreeg op het bovenste dek nog een extra rij roeiers, zodat de triëre ontstond, die in de Griekse geschiedenis zo beroemd is geworden.
De Grieken kenden nog twee andere Fenicisch scheepstypes, die ze hippos noemden, “paard”, en gaulos. Het eerste was een klein transportschip dat alleen op de binnenwateren werd gebruikt en kan corresponderen met een scheepstype dat we kennen uit Mesopotamië.

het tweede was een koopvaardijschip. Allebei kunnen corresponderen met de kmrj of de krr, of met een scheepstype waarvoor we de Fenicische naam niet kenden.

Baruqa
De slag bij Qarqar
De val van Nineveh
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.