De Palatijnse Anthologie is, zoals het tweede deel van de titel al aangeeft, een bloemlezing van teksten, meer precies Griekse gedichtjes. Het eerste deel van de titel verwijst naar de Paltz (in humanistenlatijn: Palatinatus), waar het Byzantijnse poëziemanuscript in kwestie zich ooit bevond in de bibliotheek van Heidelberg. Tot de vele in de verzameling opgenomen epigrammen behoort ook een korte ode aan de tempel van Artemis van Efese op naam van de vrijwel vergeten hellenistische dichter Antipatros van Sidon.nootPalatijnse Anthologie 9.58. Hij vergelijkt het heiligdom met zes andere monumenten, en zo introduceert hij het concept van de “zeven wereldwonderen”, waarvan zijns inziens de tempel in Efese dus het mooiste is.
Het eerste monument dat hij noemt, is de stadsmuur van Babylon, waarvan hij zegt dat die gebruikt kan worden als weg voor wagens. Dat heeft Antipatros wellicht ontleend aan Herodotos van Halikarnassos, die het volgende weet te vertellen over de muur.
[Vierde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
Was het nu Iapygië, Messapië of Calabrië?
Hoewel er dus verschillen zijn in de grafculturen van de drie sub-volkeren van Apulië, en hoewel ze in de oude bronnen afzonderlijk worden benoemd, zijn er ook overeenkomsten, zowel in de materiële cultuur en de taal. We kunnen ons afvragen of Iapygiërs en Messapiërs niet gewoon synoniemen zijn, terwijl Daunië en Peuketië aanduidingen kunnen zijn voor een streek, waarbij die laatste dan een denigrerende Griekse term kan zijn. Ettore Maria de Juliis is echter stellig dat de diverse culturen met hun specifieke benaming zich gescheiden hebben ontwikkeld, aangezien de diversiteit in grafculturen gepaard gaat met variaties in de inscripties. In een artikel uit 2004 beschrijft hij hoe vanaf de zevende eeuw v.Chr. de eenheid van Iapygië verloren gaat en zich drie subregionale culturen ontwikkelen.
Simona Marchesini bevestigt de taalvariatie, en kadert die in een Griekse invloed:
De Apulische (noordelijke) alfabetvariant ontstond ongeveer twee eeuwen later dan de zuidelijke, Salentijnse variant. … Als verklaring voor deze chronologische kloof wordt soms een bewuste culturele distantie verondersteld van de noordelijke bevolkingen ten opzichte van die in het zuiden. De elites van de Dauniërs en Peuketiërs waren duidelijk vertrouwd met de Griekse cultuur, wat blijkt uit de rijk geïllustreerde Apulische keramiek met scènes uit de Griekse mythologie en tragedie (vijfde/vierde eeuw v.Chr.). Dit wijst op een sterk geaccultureerde regio.
Uit wat Strabon van Amaseia vertelt, kunnen we afleiden dat het onderscheid tussen Dauniërs, Peuketiërs en Messapiërs in zijn eigen tijd, eind eerste eeuw v.Chr., geen rol meer speelde. De lokale bevolking zou die namen zelf niet meer gebruiken. Wél was er intussen in de hak van Italië, het oude Messapië dus, een onderscheid ontstaan tussen de noordelijke Salentijnen en de zuidelijke Calabriërs. Ook andere auteurs gebruiken “Calabriërs” als alternatieve naam.
Voor de oplettende lezer is deze vermelding van Calabriërs wat verwarrend omdat we vandaag de ganse hak van Italië “Salento” noemen, terwijl “Calabrië” de huidige naam is van de voorvoet in de Italiaanse laars. Dat komt doordat de Byzantijnen later Calabrië als overkoepelende naam voor Zuid-Italië gebruikten; omdat op dat moment enkel de teen van Italië nog onder hun invloed was, bleef die naam daaraan kleven.
Economische en sociologische inzichten
Volgens Strabon was het Iapygische landschap tamelijk vruchtbaar, althans in zijn tijd, dus het begin van onze jaartelling. Ondanks die geschikte grond voor landbouw en veeteelt, was de streek ontvolkt geraakt en waren er behalve Brindisi en Bari geen noemenswaardige steden. In de eerdere bloeitijd waren dat er volgens Strabon nog zeker dertien geweest.
Apulisch beeldje van een varken (Museo Civico, Milaan)
De Juliis beschouwt de landbouw als grootste bron van de Iapygische welvaart, geïntegreerd met veeteelt:
Schapen en varkens in de bergachtige en heuvelachtige gebieden van de Daunische sub-Apennijnen en de Alta Murgia, paarden op de vlaktes van Daunia en Messapia.
Verder weten we dat de olijfboom in het eerste millennium al was gedomesticeerd. De Juliis beschrijft de dorpen als volgt:
Laagland- of heuvelnederzettingen bestonden uit groepen hutten verspreid over grote gebieden, terwijl kustnederzettingen een compactere structuur vertonen. De hutten waren gebouwd met palen, takken en riet en waterdicht gemaakt met lagen kleiachtige modder.
Het archeologisch materiaal toont dat de Iapyiërs ingebed waren in bredere handelsnetwerken. Dankzij de strategische ligging fungeerde Iapygië als een scharnier tussen de Adriatische Zee en de Egeïsche wereld, een functie die al teruggaat tot de Bronstijd. Contacten met Mykeense en latere Griekse gemeenschappen beperkten zich niet tot louter import, maar leidden ook tot overdracht van technieken. Volgens De Juliis voldeden de ambachtslieden vooral aan interne behoeften en zorgden ze voor een grote autonomie. Bij de Dauniërs leidde de productie van hoogwaardige artefacten zelfs tot export.
Tegelijk ontwikkelden de Iapygiërs geen uitgesproken maritieme handelsmacht naar Grieks model, noch een expansief koloniaal netwerk. Hun economie lijkt eerder te hebben gefunctioneerd als een intermediair systeem: lokaal verankerd in agrarische productie, maar open naar externe invloeden en uitwisseling.
Over de sociale structuur zegt De Juliis:
We kunnen met de nodige voorzichtigheid stellen dat in de vroege IJzertijd nog geen sterke klassevorming bestond. Het is waarschijnlijker dat sociaal ongedifferentieerde groepen werden geleid door “chiefs”, die het economische overschot van de gemeenschap samenbrachten, gebruikt in een kleine gezinsomgeving voor de aankoop van prestigieuze goederen.
Nochtans zou het zou op basis van de diversiteit en soms rijke graven, gerechtvaardigd lijken uit te gaan van een sociale elite en een zekere mate van gelaagde organisatie.
[Derde van vijf blogs over het verleden van Apulië door gastauteur Dieter Verhofstadt. Het eerste blogje was hier.]
Het vorige stukje eindigde met de constatering dat er drie stammen vielen aan te wijzen: de Dauniërs, de Peuketiërs en de Messapiërs.
Dauniërs
Tot de belangrijkste vondsten van dit ondervolk, dat we in het noordwesten moeten plaatsen, behoren de Daunische stèles, gebeeldhouwde stenen blokken uit de zesde eeuw v.Chr., gevonden op de zuidelijke vlakte van Siponto, nabij Manfredonia, en nu bewaard in onder meer het Nationaal Museum van die stad. Ze stellen sterk gestileerde mannelijke en vrouwelijke menselijke figuren voor en waren verticaal in de grond bevestigd, net zoals de begraven mensen die zij afbeeldden. Ook andere afbeeldingen kwamen voor.
[Laatste van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]
Rijk en arm
Een van de manieren waarop de rijke Iberiërs zich van hun arme landgenoten onderscheidden, was de monumentale grafsculptuur. Vanaf het begin, dus zeg maar vanaf pakweg 550 v.Chr., toonden voorname families hun welvaart met opvallende gedenktekens langs de toegangswegen tot de Iberische steden. Ze hadden allerlei vormen en zijn opgegraven in alle delen van de huidige regio’s Valencia en Murcia. Gaandeweg ontstonden ware dodensteden, keurig geordend, alsof het de steden waren van de levenden. Er was dan een hoofdstraat voor de graven van de voornaamste mensen, met haaks daarop zijstraten voor de bijzettingen van minder vermogende stedelingen.
De voornaamste graven – te zien in bijvoorbeeld de musea van Madrid en Elche – zijn werkelijk fantastisch. Er zijn torens en pilaren, er zijn afbeeldingen van wilde dieren en mythologische figuren. Misschien moesten die tevens tonen hoe de mensheid de natuur had overmeesterd en was gaan beheren. Zeker is dat niet, maar ik noem het omdat het ook een mogelijke interpretatie is van oudere stèles, waarover ik binnenkort eens zal bloggen.
Een span ossen (Archeologisch museum van Catalonië, Barcelona)
[Tweede van drie blogjes over de bewoners van Zuidoost-Spanje in de tweede helft van het eerste millennium v.Chr. Het eerste was hier.]
Economie
De meeste Iberiërs waren eenvoudige boeren, peasants. Maar naarmate de ijzerbewerking beter werd – dit speelt dus in de eerste fase, tussen 550 en 425 v.Chr. – slaagde men erin meer te produceren: vooral tarwe en gerst. Er ontstonden in de huidige regio’s Valencia en Murcia steeds grotere overschotten, die men vrijwel zeker verhandelde met de Feniciërs en de Karthagers, de Grieken en de Etrusken.
Naast akkerbouw was er natuurlijk ook veeteelt. De vochtigere gebieden langs de kust en de rivieren waren geschikt als weiland, waar runderen en schapen konden grazen. Er was altijd zuivel en vlees, maar de runderen konden ook dienen als trekdier en de schapen leverden wol. En textiel kon worden geëxporteerd. Op andere bodems konden de Iberiërs varkens, geiten en pluimvee houden.
Iberisch aardewerk (Museum voor onderwaterarcheologie, Alicante)
Ik heb op deze blog al redelijk vaak geschreven over de Iberiërs. Dat is een wat onhandige term, want ze slaat van oorsprong op de bewoners van het zuidoosten van Spanje, en kreeg later een tweede betekenis: alle bewoners van het Iberische Schiereiland, dus met inbegrip van de Tartessiërs in Andalusië, de Lusitaniërs langs de Oceaankust en alle andere groepen. Ik wil nu de eerste definitie volgen: de antieke bewoners van de huidige regio’s Valencia en Murcia.
Een eigen archeologische cultuur is aan te wijzen vanaf het midden van de zesde eeuw v.Chr. Die lijkt voort te komen uit de eerdere IJzertijdculturen, maar verschilt daarvan doordat er inmiddels handelscontacten waren met Fenicische en Griekse kooplieden. De eersten zaten ook wat verder naar het zuidwesten en hadden tevens contact met Tartessos, terwijl de laatsten wat noordelijker zaten en daar contact hadden met de diverse Keltische volken.
Het beeld van Zeus in Olympia (Bode-Museum, Berlijn)
We zijn geneigd om bij de zeven wereldwonderen te denken aan grote constructies: de piramiden in Egypte (het enige wereldwonder dat we nog kunnen zien), het mausoleum in Halikarnassos (tegenwoordig weinig meer dan een kuil in de grond), de (verzonnen) hangende tuinen van Babylon, de vuurtoren van Alexandrië (gereduceerd tot kasteel). Het oudste lijstje met wonderbaarlijke bijzonderheden, opgesteld door Antipatros van Sidon,nootPalatijnse Anthologie (9.58). bevat echter ook een standbeeld: de Zeus van Olympia. Ook van dit wereldwonder is niets over, al weten we in welke tempel het wereldwonder heeft gestaan. In de tempel van Zeus dus.
Het enorme beeld van de Griekse oppergod is gemaakt door de Atheense beeldhouwer Feidias. Die had, dankzij twee beelden van Athena op de Akropolis in Athene, al een grote reputatie toen hij en zijn collega’s Kolotes en Panainos zich in 437 v.Chr. in Olympia vestigden om het beeld te maken van de god ter wiens ere de Olympische Spelen werden gevierd. Hun werkplaats is geïdentificeerd en opgegraven.
In 431 v.Chr. brak oorlog uit tussen de Griekse stadstaten Sparta en Athene. De Atheners hadden een handelsembargo ingesteld tegen een buurstaat, die om hulp had gevraagd in Sparta. Daar was men bang voor reputatieschade als men het verzoek afwees. De Spartanen eisten dus dat de Atheners het embargo opgaven, waarop de Atheners antwoordden dat Sparta niets te eisen had aangezien er procedures waren afgesproken om geschillen op te lossen. Sparta trok de oorlog omdat het niet anders kon en eiste dat Athene zijn alliantie zou ontbinden; Athene trok ten strijde voor het behoud van wat we nu zouden aanduiden als het behoud van de internationale rechtsorde.
Pas na tien jaar, in 421, was deze zogeheten Archidamische Oorlog voorbij: Sparta had Athene niet kunnen dwingen zijn alliantie te ontbinden. Of je de Spartaanse nederlaag moet typeren als een Atheense overwinning, is een kwestie van semantiek.
[Dit is het derde van zeven blogjes over de Thraciërs. Het eerste was hier.]
De Perzische tijd
In mijn vorige blogje noemde ik de Perzische aanwezigheid in Thracië. Die begon toen koning Darius I de Grote de Bosporus overstak, een gebeurtenis die meestal wordt gedateerd rond 516 v.Chr. Zijn leger rukte op naar de Donau, waar de Geten weerstand boden maar werden onderworpen.noot Herodotos, Historiën 4.93. Daarna staken de Perzen de rivier over voor een campagne tegen de Skythen, waar we helaas weinig van begrijpen. Wat we wel begrijpen is dat een deel van de Thraciërs vanaf nu deel uitmaakte van het Perzische Rijk. Ze staan afgebeeld op de Apadana-reliëfs uit Persepolis en worden genoemd in diverse teksten.
De heuvel van Eïon, bij een riviermonding aan de Egeïsche noordkust, was de residentie van de bestuurder van de Perzische bezittingen in Europa. Deze versterking is in gebruik gebleven tot 476/475, toen de Atheners haar innamen. De Perzische aanwezigheid in Thracië duurde dus ongeveer veertig jaar, maar er is weinig over bekend, althans aan mij. Ik lees dat lokale vorsten daarna de macht overnamen, wat vooral blijkt uit de munten waarmee ze hun autonomie onderstreepten. Zoals ik al opmerkte, was het Odrysische koninkrijk, gelegen in het zuidoosten, in de vijfde eeuw het meest opvallend. Onze voornaamste bron, Herodotos, lijkt vooral dit gebied te beschrijven,noot Herodotos, Historiën 5.3-8. al wekt hij de indruk ook de Geten te hebben bezocht. De Odrysen hadden goede relaties met de Atheners en de Krim.
De Farnese Hercules (Museo archeologico nazionale, Napels)
[Vierde van vijf blogjes die Dieter Verhofstadt schreef over de traditie van de Twaalf Werken van de halfgod Herakles. Het eerste blogje was hier.]
Nu we in de voorgaande blogjes de geschreven traditie hebben bezien, kunnen we ons richten op de wijze waarop de mythe van Herakles en zijn twaalf werken iconografisch is geëvolueerd.
Vaasschilderkunst en hellenisme
De afzonderlijke werken van Herakles vinden we op tal van vazen, daterend vanaf de zesde eeuw v.Chr. Bekend zijn de vele Attische vazen die zijn gevonden in Etruskische opgravingen, en die worden toegeschreven aan de “Schilder (van) Antimenes”. Bij hem vinden we de Nemeïsche leeuw, de Hydra, het Erymanthisch zwijn en Kerberos.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.